Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de leveringsakte) [2] heeft [betrokkene 1] (hierna te noemen:
[betrokkene 1]) in eigendom overgedragen aan Aanneming-Maatschappij [A] B.V. (hierna te noemen:
[A]) een perceel bouwgrond (kadastraal bekend [gemeente] [sectie 001] nummer [002] , plaatselijk bekend [het perceel] ) en de onverdeelde helft van een perceel bos en tuin (kadastraal bekend [gemeente] [sectie 001] nummer [003] ).
de splitsingsakte) [3] heeft [A] perceel [004] (voorheen [002] ) gesplitst in 18 appartementsrechten. Sindsdien is het perceel kadastraal bekend [gemeente] , [sectie 001] nummer [005] . De appartementseigenaars zijn de eigenaars van appartementen in een gebouw dat op perceel [005] is gerealiseerd.
de VvE).
NJ1974, 225). Daarbij verwijst de rechtbank nog naar de toelichting op art. 24 Kadasterwet Pro, waaruit blijkt dat indien een erfdienstbaarheid onvoldoende duidelijk is omschreven en de kaart waarop het tracé is aangegeven niet is aangehecht en ingeschreven, de inschrijving geacht wordt niet mede de vestiging van het bedoelde recht te betreffen, zodat dit niet tot stand komt (rov. 4.5).
Grief Iis gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.7 van het vonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat de erfdienstbaarheid bij gebreke van inschrijving van de tekening in de registers onvoldoende openbaar is gemaakt en dus niet rechtsgeldig is gevestigd. [verweerster] stelt dat de leveringsakte voldoet aan de wettelijke vereisten, nu uit de akte duidelijk blijkt welke erfdienstbaarheid wordt gevestigd (een erfdienstbaarheid van weg) en welk perceel het dienende erf en welk perceel het heersende erf is. De tekening is volgens [verweerster] alleen van belang voor de vraag langs welk tracé de erfdienstbaarheid dient te worden uitgeoefend. (…)
“(…) een last, waarmede een onroerende zaak - het dienende erf - ten behoeve van een andere onroerende zaak - het heersende erf - is bezwaard”.Volgens artikel 5:73, eerste lid BW worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de akte komt het aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte opgenomen omschrijving, uitgelegd naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (Hoge Raad 8 december 2001, ECLI:NL:HR:2000:AA8901). Artikel 24, vierde lid van de Kadasterwet bepaalt dat als een in te schrijven akte een overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht betreft, de vestiging van dit recht afzonderlijk en duidelijk moet worden vermeld, bij gebreke waarvan de inschrijving van de akte geacht wordt niet mede dit recht te betreffen.
“(…) de erfdienstbaarheid van weg om te voet, met al dan niet gemotoriseerde voertuigen te komen en te gaan naar het heersend erf (...)”, en dat de tekening het tracé aangeeft waarover de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend. Zonder de tekening staat niet vast over welk tracé de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend. De erfdienstbaarheid als zodanig dankt haar bestaan echter niet aan die tekening, maar aan de hiervoor aangehaalde omschrijving in de leveringsakte. Dit betekent dat ook het beroep van de appartementseigenaars op artikel 24, vierde lid Kadasterwet, waarin staat dat de vestiging van het beperkte recht duidelijk moet zijn vermeld, faalt. De vestiging van de erfdienstbaarheid is in de leveringsakte duidelijk vermeld, slechts de wijze van uitoefening is - bij gebreke van inschrijving van de tekening - niet duidelijk.
“de kosten van het onderhoud aan en vernieuwing van de weg”. Deze verdeling heeft geen betrekking op de aanleg van de weg. Het hof volgt niet de stelling van [verweerster] dat een afspraak over de verdeling van de kosten van vernieuwing van de weg impliceert dat ook de kosten van de aanleg van de weg in de overeengekomen verhouding moeten worden gedragen. De tussen partijen overeengekomen kostenverdeling heeft betrekking op de kosten van de weg nadat deze eenmaal is aangelegd. Daarna moet de weg worden onderhouden en op termijn mogelijk worden vernieuwd. Over de kosten van de aanleg van de weg is niets afgesproken. Daarvoor geldt dus de wettelijke regeling van artikel 5:75 BW Pro, op grond waarvan de eigenaar van het heersende erf bevoegd is op zijn kosten te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. In het onderhavige geval houdt dit in dat de kosten van de aanleg van de weg voor rekening van [verweerster] komen.
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
Kadw) met voldoende precisie moet worden aangegeven welk gedeelte van het perceel het betreft.
het gehele dienende erfmet de erfdienstbaarheid is bezwaard, (bovendien) heeft miskend dat het – in een geval als het onderhavige, waarbij in de vestigingsakte wordt gesproken van (slechts) een bepaald tracé waarover de erfdienstbaarheid kan worden uitgeoefend – voor de rechtsgeldige vestiging noodzakelijk is om aan te geven
welk gedeeltevan het perceel met de last van die erfdienstbaarheid wordt bezwaard.
het gehele dienende erfmet de erfdienstbaarheid is bezwaard, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, nu het hof daarbij is uitgegaan van een niet (uit de leveringsakte) kenbare bedoeling van partijen om een erfdienstbaarheid te vestigen ten laste van het
gehele dienende erf, in plaats van slechts ten laste van een gedeelte van het dienende erf (het tracé).
het gehele dienende erf, welke met behulp van dat artikellid (door partijen zelf) nader ingevuld zou kunnen worden, is het hof evenzeer uitgegaan van een onjuiste uitlegmaatstaf, althans is dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Uit de leveringsakte blijkt namelijk niet dat door partijen is beoogd dat het tracé (nader) kan worden bepaald door een aanwijzing in de zin van art. 5:73 lid 2 BW Pro, aldus het onderdeel.
het gehele dienende erf, (voorts) heeft miskend dat de in art. 5:73 lid 2 BW Pro neergelegde bevoegdheid van de eigenaar van het dienende erf slechts ziet op een wijziging van een
reeds bestaandeerfdienstbaarheid. Deze bepaling strekt er volgens het onderdeel niet toe middels een aanwijzing een nieuwe rechtstoestand in het leven te roepen, die er voorheen niet (kenbaar) was.
onderdeel 5is de overweging van het hof in rov. 10, laatste zin, dat de vestiging van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte duidelijk is vermeld, maar dat slechts de wijze van uitoefening daarvan – bij gebreke van inschrijving van de tekening – niet duidelijk is, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Het hof heeft in rov. 10 slechts een deel van de omschrijving van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte geciteerd. Wanneer de volledige omschrijving in ogenschouw wordt genomen – waaronder de verwijzing naar het tracé op de aan te hechten tekening –, valt niet te begrijpen waarom het hof heeft geoordeeld dat de vestiging van de erfdienstbaarheid duidelijk in de leveringsakte is vermeld.
onroerende zaak,zulks ten behoeve van een andere onroerende zaak. In art. 5:70 BW Pro worden tevens de termen dienend en heersend
erfgebruikt, omdat deze termen beter aansluiten bij het ingeburgerde spraakgebruik. [21] In plaats van dienend erf wordt ook wel de term lijdend erf gebruikt, [22] zoals ook het geval was in de leveringsakte in de onderhavige zaak.
het object van het beperkte rechtmet voldoende bepaaldheid omschreven moet zijn. Is dat niet het geval, dan is de vestiging nietig. [24]
pandaktezodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat. [26] Wat daarvan zij, ook los van de uitleg van art. 3:84 lid 2 BW Pro is algemeen aanvaard dat voor levering en vestiging het goederenrechtelijk bepaaldheidsvereiste geldt. [27]
gedeeltelijke bezwaringvan een perceel / het dienend erf, namelijk slechts voor zover het gaat om het tracé van die weg. [39] Daarom zou, zo begrijp ik, ter voldoening aan de goederenrechtelijke bepaaldheidseis
dat (bezwaarde) gedeeltein c.q. aan de hand van de vestigingsakte moeten kunnen worden geïndividualiseerd.
geheledienend erf rust; het gehele dienend erf is als zodanig goederenrechtelijk
bezwaard. Een daarvan te onderscheiden vraag is over welk deel van het dienend erf (welk tracé) de betreffende erfdienstbaarheid moet of mag worden
uitgeoefend.
gevestigden (ii) de vraag hoe de erfdienstbaarheid vervolgens moet worden
uitgeoefend.
gehele dienende erfmet de erfdienstbaarheid is bezwaard. Vervolgens overweegt het hof in rov. 10 dat de vestiging van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte duidelijk is vermeld. Zonder de tekening staat weliswaar niet vast op welke wijze (over welk tracé) de erfdienstbaarheid moet worden
uitgeoefend(vraag ii)), maar dit heeft geen invloed op de vraag of de erfdienstbaarheid rechtsgeldig is
gevestigd(vraag (i)).
rechtsklachtuit
onderdeel 1faalt. Het hof heeft niet miskend, maar heeft in rov. 7 en 8 van het arrest juist expliciet overwogen, dat op grond van art. 3:84 lid 2 BW Pro vereist is dat de erfdienstbaarheid met voldoende bepaaldheid in de akte is omschreven. Het hof heeft niet geoordeeld dat sprake is van de bezwaring van een gedeelte van een perceel met een erfdienstbaarheid, maar heeft juist geoordeeld dat kadastraal perceel [002] als dienend erf is aangewezen en dat het gehele dienende erf met de erfdienstbaarheid is bezwaard. In zoverre ontbeert de klacht dus feitelijke grondslag.
motiveringsklachtuit
onderdeel 1slaagt niet. Het oordeel van het hof in rov. 9 en 10, waarin het hof onderscheid heeft gemaakt tussen de vraag of de erfdienstbaarheid rechtsgeldig is
gevestigden de vraag hoe de erfdienstbaarheid vervolgens moet worden
uitgeoefend, en waarin het hof heeft geoordeeld dat zonder de tekening weliswaar niet duidelijk is hoe de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend, maar dat dit geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van de vestiging van de erfdienstbaarheid (omdat de vestiging van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte duidelijk is vermeld), is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 2kan eveneens niet tot cassatie leiden. Ingevolge art. 3:84 lid 2 jo Pro. 3:98 BW is voor de rechtsgeldige vestiging van een beperkt recht vereist dat
het object van het beperkte rechtin de vestigingsakte met voldoende bepaaldheid is omschreven. Voor de vestiging van een erfdienstbaarheid moet in de vestigingsakte dus met voldoende bepaaldheid zijn omschreven wat het dienende erf is. In het oordeel van het hof ligt besloten dat uit de omschrijving van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte volgt dat het dienende erf het gehele perceel [002] (thans [005] ) betreft, zodat het object van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte met voldoende bepaaldheid is omschreven. Het hof heeft derhalve niet miskend dat voor de rechtsgeldige vestiging van een erfdienstbaarheid noodzakelijk is om aan te geven welk gedeelte van het perceel met de last van de erfdienstbaarheid wordt bezwaard, maar heeft geoordeeld dat het gehele perceel met de erfdienstbaarheid is bezwaard.
onderdeel 3falen eveneens.
een gedeelte van het dienende erf, miskent de klacht dat uit art. 5:70 lid 1 BW Pro volgt dat het gehele dienende erf met de erfdienstbaarheid wordt bezwaard (zoals door het hof terecht is overwogen in rov. 9 van het arrest). Een andere vraag is of slechts een gedeelte van een kadastraal perceel
als dienend erf is aangewezen. Het hof heeft echter heeft geoordeeld dat het gehele perceel [002] (thans [005] ) in de leveringsakte als dienend erf is aangewezen, welk oordeel niet onbegrijpelijk is.
onderdeel 4betoogt, heeft het hof niet miskend dat de in art. 5:73 lid 2 BW Pro neergelegde bevoegdheid alleen ziet op een wijziging van een reeds bestaande erfdienstbaarheid. Zoals bij de bespreking van onderdeel 3 reeds aan de orde kwam, heeft het hof in rov. 9 slechts geoordeeld dat (ook) uit het feit dat art. 5:73 lid 2 BW Pro de eigenaar van het dienende erf de bevoegdheid geeft een ander gedeelte van het dienende erf aan te wijzen voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid, volgt dat een erfdienstbaarheid wordt gevestigd op het gehele dienende erf. Het onderdeel faalt dan ook.
onderdeel 5slaagt niet. Het feit dat het hof in rov. 10 niet de volledige omschrijving in de leveringsakte heeft geciteerd, maakt zijn oordeel dat de vestiging van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte duidelijk is vermeld niet onbegrijpelijk. Ook indien de volledige omschrijving van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte in ogenschouw wordt genomen, kon het hof, met toepassing van de objectieve uitlegnorm, tot het (kennelijke) oordeel komen dat het gehele kadastrale perceel [002] (thans [005] ) als dienend erf is aangewezen.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
“over een door de appartementseigenaars aan te wijzen tracé”, buiten het door [verweerster] gevorderde en daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. [verweerster] heeft namelijk niet gevorderd dat het tracé zou worden aangewezen door de appartementseigenaars, en de appartementseigenaars hebben dit evenmin verdedigd of gevorderd, aldus het subonderdeel.
a contrariodat de rechter niet iets mag toewijzen dat niet gevorderd of verzocht is: het is de rechter – enkele uitzonderingen, die in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn, daargelaten – verboden
ultra petitate gaan. [41]
subonderdeel Iafaalt.
rechtsklachtuit
subonderdeel Ic.
motiveringsklachtuit
onderdeel Icfaalt.
op haar kostenover dit tracé een weg aan te leggen, alsmede met de daarvoor in rov. 14 gehanteerde motivering, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat de door het hof in rov. 14 gebezigde redengeving ondeugdelijk is. Toepassing van het verleggingsrecht uit art. 5:73 lid 2 BW Pro brengt namelijk met zich dat de daaraan verbonden kosten ten laste van de eigenaar van het dienende erf komen, aldus het subonderdeel.
op zijn kostenop het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. Op grond van art. 5:75 lid 5 BW Pro kan hiervan in de akte van vestiging worden afgeweken. In de akte van vestiging kan dus een andere regeling met betrekking tot de kosten worden opgenomen. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat over de kosten van de aanleg van de weg niets is afgesproken. Als gevolg daarvan oordeelt het hof dat voor de kosten van de aanleg van de weg de wettelijke regeling uit art. 5:75 BW Pro geldt. Dit oordeel is niet onjuist.
in de eerste plaats– samengevat – dat het hof met zijn oordeel in rov. 14, dat de kosten van de aanleg van de weg voor rekening van [verweerster] komen, heeft miskend dat het bepaalde in art. 5:75 BW Pro alleen betrekking heeft op de bevoegdheid van de eigenaar van het heersende erf om op zijn kosten te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is, voor zover de uitoefening van de erfdienstbaarheid
mogelijk is. Het in art. 5:75 BW Pro bepaalde geeft volgens het onderdeel geen regeling voor de kosten die zijn verbonden aan het
zonder belemmering mogelijk makenvan de uitoefening van de erfdienstbaarheid, zoals bijvoorbeeld de kosten die moeten worden gemaakt in verband met het rooien van bomen op het aangewezen tracé. Voor zover in het arrest besloten ligt dat de kosten verbonden aan het mogelijk maken van de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg voor rekening komen van [verweerster] , heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel.
zonder belemmering mogelijk makenvan de uitoefening van de erfdienstbaarheid en de kosten in verband met de
uitoefeningvan de erfdienstbaarheid, maar is in zijn algemeenheid bepaald dat de eigenaar van het heersende erf bevoegd is
op zijn kostenop het dienende erf
alle feitelijke werkzaamhedente verrichten die voor uitoefening van de erfdienstbaarheid nodig zijn (lid 1), alsmede om gebouwen, werken en beplantingen aan te brengen die voor uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn (lid 2). [47]
onderdeel IIIaan dat art. 5:75 BW Pro niet met zich brengt dat de door [verweerster] voorgestane verdeling van de kosten voor de aanleg van de weg zelf over het (overeenkomstig haar vordering) door het hof te bepalen tracé niet gedeeld zouden (kunnen) worden overeenkomstig de regeling in de akte.
“de kosten van het onderhoud aan en vernieuwing van de weg”geen betrekking heeft op de kosten van de aanleg van de weg, faalt de klacht omdat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dit oordeel, gezien de tekst van de leveringsakte, ook niet onbegrijpelijk is. Aangezien het hof bovendien niet heeft geoordeeld dat een weg mag worden aangelegd over een
door het hof te bepalen tracé, ontbeert de klacht tevens feitelijke grondslag.