ECLI:NL:PHR:2020:965

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
20 oktober 2020
Zaaknummer
19/04559
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 198 lid 1 SrArt. 10 lid 3 OpiumwetArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onjuiste strafmotivering bij Opiumwetzaak

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 24 gram amfetamine en 4,8 gram MDMA. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op, mede gebaseerd op het strafblad van de verdachte, waarin een recent feit uit de zomer van 2019 werd betrokken. Dit recente feit betrof een dagvaarding wegens overtreding van de Opiumwet, maar was nog niet onherroepelijk veroordeeld.

De advocaat-generaal stelde in cassatie dat het hof ten onrechte rekening had gehouden met dit niet-onherroepelijke feit bij de strafoplegging. De Hoge Raad bevestigde dat het alleen is toegestaan om een niet tenlastegelegd feit mee te wegen bij de strafoplegging indien het feit ad informandum is toegevoegd en aannemelijk is dat geen vervolging volgt, het feit een omstandigheid betreft waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd, of de verdachte onherroepelijk voor dat feit is veroordeeld.

In deze zaak was geen sprake van een onherroepelijke veroordeling of een ad informandum feit. Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte het niet-onherroepelijke feit heeft betrokken bij de strafoplegging. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe strafoplegging, waarbij het hof de straf opnieuw moet bepalen zonder het niet-onherroepelijke feit mee te wegen.

De overige onderdelen van het arrest werden door de Hoge Raad verworpen, zodat de veroordeling zelf in stand blijft. De zaak wordt dus alleen herzien voor wat betreft de strafoplegging.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde strafoplegging zonder rekening te houden met het niet-onherroepelijke feit.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/04559
Zitting27 oktober 2020
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 september 2019 het jegens de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 januari 2019 bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering. De verdachte is door de rechtbank wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld. Het hof heeft de verdachte bij het bestreden arrest veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat te Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het cassatiemiddel

2.1.
Het middel klaagt over de strafmotivering.
2.2.
Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte ingrijpend zijn gewijzigd. Bij verdachte is een ernstige vorm van suikerziekte, diabetes type 1, vastgesteld, waardoor regelmaat en goede voeding van levensbelang zijn geworden. Voorts heeft verdachte zelf hulpverlening ingeschakeld via [A]. Verdachte heeft gemotiveerd aangegeven zijn leven een positieve wending te hebben gegeven en heeft daarvoor het hof verzocht hem een kans te geven deze positieve wending voort te zetten en hem daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof zal een zwaardere straf opleggen dan de politierechter heeft gedaan en dan de advocaat-generaal nu heeft gevorderd om uiting te geven aan de ernst van het bewezenverklaarde en om recht te doen aan het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder, zelfs nog deze zomer, met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens overtreding van de Opiumwet. Het hof heeft ondanks het strafblad van verdachte zijn gewijzigde persoonlijke omstandigheden zwaar laten wegen en zal hem de gevraagde kans geven door de gevangenisstraf van twee maanden geheel voorwaardelijk op te leggen.
Naar het oordeel van het hof wordt met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf van na te melden duur enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.”
2.3.
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht richt zich tegen de overweging van het hof, inhoudende dat uit het strafblad van de verdachte blijkt dat de verdachte “eerder, zelfs nog deze zomer, met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens overtreding van de Opiumwet”.
De tweede deelklacht van het middel houdt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, in dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed aangezien het hof heeft overwogen dat het de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zwaar laat wegen, maar niettemin tot een hogere straf komt dan door de politierechter is opgelegd, door de verdediging is verzocht en door de advocaat-generaal is gevorderd.
2.4.
Ik zal beginnen met de eerste deelklacht. Aangevoerd wordt dat uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2019 blijkt dat het feit waarvan de pleegdatum in de zomer (juni 2019) zou zijn, geen onherroepelijke veroordeling betreft, zodat dit ten onrechte aan de verdachte is tegengeworpen waardoor de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
2.5.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juli 2019 betreffende de verdachte. Dit uittreksel vermeldt – voor zover hier van belang – onder het kopje “openstaande zaken betreffende misdrijven” dat de verdachte door de officier van justitie bij het parket Zeeland-West-Brabant is gedagvaard in verband met twee feiten. Feit 1 heeft betrekking op art. 198 lid 1 Sr Pro en feit 2 op art. 10 lid 3 Opiumwet Pro, art. 2 aanhef Pro en onder C Opiumwet en art. 47 Sr Pro. Als pleegdatum staat bij beide feiten vermeld 10 juni 2019 te Poortvliet. Gelet op de zaken die staan vermeld onder het kopje “volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” dateerde de meest recente veroordeling van de verdachte ten tijde van de berechting door het hof van de onderhavige zaak van 8 augustus 2017.
2.6.
Het in de onderhavige zaak ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feit – kort gezegd het opzettelijk aanwezig hebben van 24 gram amfetamine en ongeveer 4,8 gram MDMA – is gepleegd op 14 juli 2018 te Tilburg.
2.7.
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit
- wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of
- wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel
- wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. [1]
2.8.
Het hof heeft ten aanzien van de op te leggen sanctie onder meer overwogen dat het een zwaardere straf zal opleggen dan de politierechter heeft gedaan en dan de advocaat-generaal heeft gevorderd om uiting te geven aan de ernst van het bewezenverklaarde en om recht te doen aan het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder, zelfs nog deze zomer, met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens overtreding van de Opiumwet.
2.9.
Daaruit blijkt naar ik meen dat het hof ten nadele van de verdachte rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat op het strafblad van de verdachte staat vermeld dat hij op 10 juni 2019 met politie en justitie in aanraking is gekomen voor de overtreding van (onder meer) de Opiumwet.
2.10.
In de onderhavige zaak blijkt niet dat aan de voorwaarden voor afdoening van een ad informandum gevoegd feit is voldaan, terwijl het op het uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juli 2019 onder het kopje “openstaande zaken betreffende misdrijven” vermelde Opiumwet-feit evenmin kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan. [2] Ook blijkt uit het uit het genoemde Uittreksel Justitiële Documentatie niet dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor de overtreding van de Opiumwet. De steller van het middel wijst er terecht op dat uit het uittreksel volgt dat de verdachte daarvoor “enkel is gedagvaard”.
2.11.
Gelet op het voorgaande meen ik dat de eerste deelklacht van het middel slaagt. [3]
2.12.
Nu de eerste deelklacht slaagt, behoeft de tweede deelklacht geen bespreking.

3.Conclusie

3.1.
Het middel slaagt deels.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010BM9968,
2.Vgl. over die categorie van gevallen de noot van Borgers onder kantlijnnummers 2 en 4 bij HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4955,
3.Vgl. onder meer ook HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391,