ECLI:NL:PHR:2020:971

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
21 oktober 2020
Zaaknummer
19/01786
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplichtigheid aan brandstichting en immateriële schadevergoeding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam dat een verdachte veroordeelde voor medeplichtigheid aan opzettelijke brandstichting waarbij een personenauto in brand werd gestoken. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf en een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend, inclusief een bedrag voor immateriële schade.

De benadeelde partij vorderde €525,- voor immateriële schade, gebaseerd op psychische gevolgen van het incident, zoals angst en onveiligheidsgevoelens binnen het gezin. Het hof had deze vordering toegewezen zonder nadere motivering over de aard en ernst van de psychische schade, terwijl het bewezen verklaarde feit geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inhield.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een aantasting in de persoon zoals bedoeld in art. 6:106 BW Pro, waardoor de immateriële schadevergoeding niet toewijsbaar is zonder concrete vaststellingen. Ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel wordt hierdoor aangetast. Het arrest wordt daarom vernietigd voor zover het de strafoplegging en de immateriële schadevergoeding betreft en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Daarnaast is geconstateerd dat de inzendtermijn voor cassatie is overschreden, maar dit leidt niet tot verdere behandeling omdat het eerste middel slaagt. Het cassatieberoep is partieel ingetrokken voor de bevestiging van de vrijspraak van het primair tenlastegelegde en de bestanddelen levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de immateriële schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/01786
Zitting27 oktober 2020
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Bij arrest van 5 april 2019 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2017 bevestigd. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en wegens subsidiair “medeplichtigheid aan opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 6.530,-, waarvan € 525,- ter vergoeding van geleden immateriële schade, en tot datzelfde bedrag aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het vonnis omschreven.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld [1] namens de verdachte en mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Eerste middel

2.1.
Het middel komt met twee klachten op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.
2.2.
De eerste klacht houdt in dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ten onrechte is toegewezen voor wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade, aangezien uit het door het hof bevestigde vonnis niet (zonder meer) kan blijken dat er sprake is van immateriële schade.
2.3.
Aan de verdachte was subsidiair tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 25 juni 2016 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een personenauto (welke stond geparkeerd op de oprit van de woning, perceel: [a-straat 1]) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in die woning (perceel: [a-straat 1]) aanwezige perso(o)n(en) (te weten: [benadeelde] en/of [betrokkene 1] en/of een of meerdere kind(eren) van voornoemde [benadeelde] en/of [betrokkene 1]), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning (perceel: [a-straat 1]) aanwezige perso(o)n(en) (te weten: [benadeelde] en/of [betrokkene 1] en/of een of meerdere kind(eren) van voornoemde [benadeelde] en/of [betrokkene 1]), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander of anderen te duchten was,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 25 juni 2016 te [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) heeft verschaft, gezien het feit dat verdachte:
- met een voertuig vanuit de provincie Friesland naar Den Oever is gereden en/of
- (vervolgens) te Den Oever zijn voertuig beschikbaar heeft gesteld aan medeverdachte [betrokkene 2] en/of
- (vervolgens) samen met medeverdachte [betrokkene 2] (in het voertuig van verdachte) naar die woning (perceel: [a-straat 1]) te [plaats] is gereden en/of
- de tas met benzine, althans de brandbare stof, heeft vervoerd en/of
- (vervolgens) aanwezig is geweest bij de brandstichting en/of - zich niet heeft onttrokken aan deze brandstichting en/of
- (vervolgens) (nadat de brandstichting was gepleegd) samen met medeverdachte [betrokkene 2] (in het voertuig van die [verdachte]) weer is teruggereden naar Den Oever.”
2.4.
Daarvan is in het door het hof bevestigde vonnis bewezenverklaard dat:
“[betrokkene 2] op 25 juni 2016 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, ten gevolge waarvan een personenauto, welke stond geparkeerd op de oprit van de woning, perceel [a-straat 1], is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 25 juni 2016 te [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest, gezien het feit dat verdachte:
- met een voertuig vanuit de provincie Friesland naar Den Oever is gereden en
- vervolgens samen met medeverdachte [betrokkene 2] in het voertuig van verdachte naar die woning, perceel [a-straat 1], te [plaats] is gereden en
- de tas met benzine heeft vervoerd en
- vervolgens, nadat de brandstichting was gepleegd, samen met medeverdachte [betrokkene 2] in het voertuig van verdachte weer is teruggereden naar Den Oever.”
2.5.
Ik heb de tenlastelegging en de bewezenverklaring hierboven weergegeven omdat hieruit blijkt dat het hof niet bewezen heeft geacht, zoals wel ten laste is gelegd, dat door de brandstichting levensgevaar voor de in de woning aanwezige personen of anderen dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Daar kom ik later nog op terug.
2.6.
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij [benadeelde], met bijlagen. Op dit formulier is bij veld 3.1 “Hoe is uw schade ontstaan?” het volgende ingevuld:
“Opzettelijk brand gesticht waardoor een personenauto gedeeltelijk is verbrand. De auto stond op de oprit van de woning van benadeelde en daardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige personen (benadeelde en zijn gezin) in de woning.”
2.7.
Het verzoek tot schadevergoeding houdt verder in dat een bedrag van € 525,-- aan immateriële schade wordt gevorderd, waarbij voor een omschrijving van de schade wordt verwezen naar het als bijlage 1 gevoegde schadeonderbouwingsformulier. Dit formulier houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Immateriële schade
Fysiek letsel
Benadeelde heeft geen fysiek letsel.
Psychische gevolgen
Het incident heeft flinke impact gehad op benadeelde en zijn gezin. Zij lagen allen in een diepe slaap toen zij die nacht werden gewekt door de deurbel en kloppen op het raam. Ineens stond benadeelde met zijn gezin, midden in de nacht, buiten. Zijn kinderen waren in paniek.
Benadeelde was in een soort trance. Het was onwerkelijk, hij kon niet geloven dat dit echt gebeurde.
Vlak na het incident durfde benadeelde en zijn vrouw ’s avonds niet weg te gaan. Benadeelde was bang dat het nogmaals zou gebeuren. Hij wilde om die reden zijn kinderen niet alleen thuis laten.
Benadeelde was de eerste paar maanden na het incident alert op elk geluid. Hij sliep erg licht. Voor het gebeuren bleef benadeelde in zijn bed liggen wanneer hij een auto hoorde. Sinds het incident gaat benadeelde zijn bed uit om uit het raam te kijken.
Het heeft benadeelde vooral geraakt dat zijn kinderen van 11 en 14 jaar last hebben gehad van het gebeuren. Zij voelden zich in hun eigen huis niet meer veilig en wilden liever niet meer alleen thuis zijn. Om de angstgevoelens te minderen en om zijn kinderen weer het gevoel van veiligheid terug te geven, heeft benadeelde maatregelen getroffen. Hij heeft een beveiligingscamera aangeschaft.
Vergelijkbare jurisprudentie
Hierbij wordt verwezen naar ECLI:NL:RBZUT:2007:BA9493 (bijlage 5).
De smartengeldvergoeding van de rechtbank Roermond van 20-01-2012, parketnummer 04/860344 bedraagt, geïndexeerd naar de normen van het jaar waarin het delict is gepleegd, te weten 2016, € 525,00.
(…)
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in redelijkheid is te stellen op ten minste € 525,00 en thans opeisbaar is.”
2.8.
Het door het hof bevestigde vonnis houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] het volgende in:
“De benadeelde partij [benadeelde] heeft tegen verdachte en zijn medeverdachte een vordering ingediend tot betaling van € 6.530,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Het bedrag bestaat uit € 6.005,- aan materiële en € 525,- aan immateriële schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, de kosten voor het reinigen van de gevel en het opnieuw laten bestraten van de oprit ter vervanging van beschadigde tegels, rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Deze schadeposten, ten aanzien waarvan geen verweer is gevoerd, zullen worden toegewezen.
Vergoeding van de immateriële schade, waartegen evenmin verweer is gevoerd, komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.
De vordering zal dan ook in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk al heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
De rechtbank ziet verder aanleiding om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 22,84.”
2.9.
Art. 6:106 BW Pro luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
(...).”
2.10.
In het overzichtsarrest [2] van 28 mei 2019 over de vordering van de benadeelde partij heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, onder meer het volgende overwogen:
“Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
2.11.
Verder is voor de beoordeling van het middel het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468, m.nt. Vellinga, relevant. Daarin overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende:
“2.4.1. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in hun persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW, welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd de inbraak in de woning van de benadeelde partijen en de diefstal van sieraden uit die woning door de verdachte. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen.
2.4.2. Het oordeel dat telkens sprake is van zo een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is onjuist, althans onbegrijpelijk.
Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, meebrengen dat bij de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in de persoon, had het op de weg van het Hof gelegen dat oordeel, in het bijzonder ook wat betreft die gevolgen van de normschending voor de benadeelde partijen, te motiveren aan de hand van de door de benadeelde partijen aangedragen gegevens. De door het Hof gegeven motivering dat de immateriële schade van de benadeelde partijen “voor allen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (wordt) vastgesteld op € 275,-” volstaat daartoe niet. In dat verband verdient opmerking dat de in art. 6:106 BW Pro bedoelde billijkheid de rechter een bepaalde mate van vrijheid geeft bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar dat de enkele verwijzing naar de billijkheid niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de hiervoor onder 2.3.2 bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de enkele zich hier voordoende omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken en dat de verdediging zich in eerste aanleg aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in rov. 2.8.3 van het hiervoor onder 2.3.2 genoemde arrest van 28 mei 2019 zal de rechter, in het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, weliswaar uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv Pro) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen.
Voor zover het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. In dat verband is van belang dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp - naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en Pro 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt - ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.”
2.12.
Ook in deze zaak heeft het hof, gelet op de bevestiging van het vonnis wat betreft de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade, kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW. In het door het hof bevestigde vonnis is dat oordeel echter niet gemotiveerd. De enkele vaststelling dat tegen de vergoeding van de immateriële schade geen verweer is gevoerd, volstaat niet ter motivering van dat oordeel, zoals uit het hiervoor geciteerde arrest kan worden afgeleid. [3] Zonder nadere motivering is het oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan ook niet begrijpelijk, aangezien het hof niets heeft vastgesteld over de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de stellers van het middel er terecht op wijzen dat niet is bewezenverklaard dat van de brand levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, zoals wel in de tenlastelegging was opgenomen.
2.13.
De eerste klacht slaagt.
2.14.
De tweede klacht houdt in dat het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd. Deze klacht behoeft mijns inziens geen bespreking. Het slagen van de eerste klacht, nu deze zich richt tegen de omvang van de toegewezen schade, brengt namelijk met zich dat de bestreden uitspraak ook wat betreft de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in stand kan blijven. [4]
2.15.
Het middel slaagt.

3.Tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
3.2.
Namens de verdachte is op 9 april 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 april 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met bijna vier maanden is overschreden. Daarover wordt dus terecht geklaagd. Nu het eerste middel slaagt, behoeft de overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.

4.Conclusie

4.1.
Het eerste en het tweede middel zijn terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het cassatieberoep is bij akte van 29 juli 2020 partieel ingetrokken, namelijk ten aanzien van de bevestiging van het hof van het vonnis waarvan beroep voor zover die bevestiging ziet op de vrijspraak van de rechtbank van het primair tenlastegelegde en op de vrijspraak van de bestanddelen ‘levensgevaar te duchten’ en ‘gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten’.
2.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga, rov. 2.4.5.
3.Vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468, m.nt. Vellinga, rov. 2.4.2, en HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035, rov. 4.3.4.
4.Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, NJ 2019/380, m.nt. Vellinga, rov. 2.3.3.