ECLI:NL:PHR:2020:971
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over medeplichtigheid aan brandstichting en immateriële schadevergoeding
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam dat een verdachte veroordeelde voor medeplichtigheid aan opzettelijke brandstichting waarbij een personenauto in brand werd gestoken. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf en een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend, inclusief een bedrag voor immateriële schade.
De benadeelde partij vorderde €525,- voor immateriële schade, gebaseerd op psychische gevolgen van het incident, zoals angst en onveiligheidsgevoelens binnen het gezin. Het hof had deze vordering toegewezen zonder nadere motivering over de aard en ernst van de psychische schade, terwijl het bewezen verklaarde feit geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inhield.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een aantasting in de persoon zoals bedoeld in art. 6:106 BW Pro, waardoor de immateriële schadevergoeding niet toewijsbaar is zonder concrete vaststellingen. Ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel wordt hierdoor aangetast. Het arrest wordt daarom vernietigd voor zover het de strafoplegging en de immateriële schadevergoeding betreft en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Daarnaast is geconstateerd dat de inzendtermijn voor cassatie is overschreden, maar dit leidt niet tot verdere behandeling omdat het eerste middel slaagt. Het cassatieberoep is partieel ingetrokken voor de bevestiging van de vrijspraak van het primair tenlastegelegde en de bestanddelen levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de immateriële schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.