Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
dominant cause-leer verwijst zij naar de omschrijving van het begrip ‘gebeurtenis’ onder Bedrijfsverzekeringen Algemene begripsomschrijving te weten ‘een voorval of een reeks van voorvallen die met elkaar verband houden, waardoor schade ontstaat. De gebeurtenis moet plaatsvinden tijdens de looptijd van de verzekering.’ (eindarrest onder 2.6)
dominant cause-leer betekent dit in dit specifieke geval dus niet dat de schade als gevolg van de diefstal als
dominant causemoet worden beschouwd. Uiteindelijk bieden de polisvoorwaarden voor dit geval van polycausaliteit geen aanwijzing voor de door ASR voorgestane uitleg. Als ASR op een geval als dit de
dominant cause-leer had willen toepassen, had het op haar weg gelegen om dit in duidelijke bewoordingen in de polisvoorwaarden op te nemen. (eindarrest onder 2.7)
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
geenregeling inhoudt en dat die leemte met toepassing van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid wordt gedicht (art. 6:248 lid 1 BW Pro). Het onderscheid tussen een redelijke uitleg van de overeenkomst zonder een daadwerkelijke basis in verklaringen of gedragingen van partijen en een oordeel op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid is mijns inziens in dit soort gevallen slechts een kwestie van vormgeving en smaak. Wel brengt de route van de aanvullende werking duidelijker tot uitdrukking dat de beslissing van de rechter berust op een waardering van wat in de gegeven omstandigheden redelijk is, wel
naar aanleiding vanwat partijen zijn overeengekomen – wat in art. 6:248 lid 1 BW Pro tot uitdrukking wordt gebracht met de woorden ‘naar de aard van de overeenkomst’ – maar zónder rechtstreekse grondslag in wat zij over en weer hebben verklaard of in hun wederzijdse gedragingen besloten lag.
Conditio sine qua non:oorzaak is iedere gebeurtenis die voor de schade een noodzakelijke voorwaarde was. Deze maatstaf is te ruim voor een behoorlijke afbakening van wat als gevolg behoort te worden toegerekend aan een verzekerde gebeurtenis, respectievelijk aan een van dekking uitgesloten gebeurtenis. In geval van meervoudige causaliteit is het probleem immers juist dat de schade meerdere oorzaken heeft. De maatstaf van
conditio sine qua nonis wel bruikbaar als voorportaal: was de gebeurtenis weggedacht de schade toch ingetreden, dan bestaat er in ieder geval geen causaal verband. Vervolgens zal nog een nadere toets moeten plaatsvinden. [8]
Causa proxima:de dichtstbijzijnde gebeurtenis uit de causale keten is de enige in aanmerking te nemen oorzaak. Deze theorie leidt gemakkelijk tot willekeurige uitkomsten. Als het eigen gebrek van een schip dat doet zinken, is het een opmerkelijke uitkomst dat de verzekeraar de schade die als gevolg van het zinken wordt geleden, zou moeten vergoeden, hoewel het eigen gebrek buiten de dekking valt. [9] Die uitkomst is onbevredigend omdat zonder het eigen gebrek van het schip, het zinken zich niet had voorgedaan. [10]
Causa remota:de verst gelegen gebeurtenis uit de causale keten waarvan nog kan worden gezegd dat redelijkerwijs kon worden verwacht dat de schade daaruit zou voortvloeien, is de enige in aanmerking te nemen oorzaak. Men herkent in deze theorie trekken van de oude
adequatieleer, zoals die wat betreft wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding reeds sinds lang is verlaten. [11]
Dominant cause:alleen de dominante schadeoorzaak komt in aanmerking. Welke oorzaak als dominant moet worden beschouwd, is een kwestie van ‘gezond verstand’. Deze theorie kent nogal wat aanhangers onder de auteurs op het terrein van het verzekeringsrecht. [12] Daarbij meent men steun te vinden in het arrest
Che Guavaravan uw Raad. [13]
Toerekening naar redelijkheid:de vraag aan welke gebeurtenis of gebeurtenissen de schade moet worden toegerekend, hangt af van diverse factoren en de omstandigheden van het geval. In deze theorie herkent men de maatstaf van art. 6:98 BW Pro, zoals die geldt voor wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding. Volgens diverse auteurs zou deze theorie zich niet verdragen met het arrest met betrekking tot
conversie-hysterievan uw Raad
. [14] Niettemin zijn er auteurs die wel nog plaats voor haar zien, althans in gevallen waarin de andere theorieën niet tot overtuigende uitkomsten leiden. [15]
mogelijkeuitleg. Mijns inziens behoort in de rechtspraak van uw Raad niets anders te worden gelezen.
Che Guavarahad het hof aangenomen dat het water maken en daarmee het zinken van het verzekerde schip (welk zinken op zichzelf een onder de polis gedekt evenement was) zijn oorzaak vond in een eigen gebrek van het schip, en dat daarom geen aanspraak op verzekeringspenningen bestond. Uw Raad heeft het daartegen gerichte cassatiemiddel verworpen met de overweging dat het hof niet in strijd was gekomen ‘met enige rechtsregel omtrent oorzakelijk verband, van belang voor de vraag of de verzekeraar zich met vrucht op eigen gebrek van de verzekerde zaak kan beroepen.’ Als het arrest van het hof zich al laat lezen als een toepassing van de theorie van
dominant cause, dan volgt uit het arrest van uw Raad nog niet dat causaliteitsvragen die zich bij de uitleg van verzekeringsovereenkomsten voordoen, per se met toepassing van die theorie tot een oplossing behoren te worden gebracht. [16]
conversie-hysteriekan niet worden gelezen dat de causaliteitstheorie toerekening naar redelijkheid geen bruikbare suggesties kan opleveren voor de uitleg van verzekeringsovereenkomsten in gevallen van meervoudige causaliteit. Uit het arrest volgt slechts dat onderscheid moet worden gemaakt tussen wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (waarvoor op grond van art. 6:98 BW Pro toerekening naar redelijkheid de maatstaf is) en een aanspraak tot vergoeding van schade uit hoofde van verzekering. Welke aanspraak aan een verzekering kan worden ontleend, wordt bepaald door de inhoud en strekking van die verzekering en dus door uitleg van de verzekeringsovereenkomst. Ook is niet toerekening van schade aan de verzekeraar aan de orde (zoals in het geval van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding aan de aansprakelijke persoon), maar het in de verzekeringsovereenkomst voor een aanspraak op uitkering vereiste causaal verband. Uit het arrest volgt dus wel dat eventuele toerekening naar redelijkheid in de context van verzekering altijd blijft verschillen van toerekening naar redelijkheid in de zin van art. 6:98 BW Pro, maar niet dat toerekening naar redelijkheid in de context van verzekering niet mogelijk of toelaatbaar is.
gezichtspunt, dat afgewogen tegen andere gezichtspunten in een individueel geval prevaleert. Op dezelfde wijze speelt bij de toepassing van de leer van de redelijke toerekening op gevallen van wettelijke aansprakelijkheid het adequatiecriterium nog steeds een rol, niet als dé maatstaf (zoals vóór de aanvaarding van de leer van de redelijke toerekening), maar als gezichtspunt. [18]
uitlegvan de verzekeringsovereenkomst. Dan kan niet tegelijk een bepaalde theorie omtrent het causaal verband bepalend zijn. Wel kunnen de diverse theorieën, de leer van de redelijke toerekening daaronder begrepen, als
suggestiesvoor een mogelijke uitleg dienen.
nietmede een gevolg van de diefstal is.
enigerelevante oorzaak van de schade moet worden beschouwd. Het hof blijft dus bij het uitgangspunt zoals geformuleerd in rechtsoverweging 2.5 dat er twee oorzaken van de schade zijn, namelijk de diefstal en de brand, waarbij geldt dat de eerste van dekking is uitgesloten (vanwege de alarmklasseclausule), maar de tweede niet. Vervolgens stond het hof voor de vraag in welke mate de schade aan elk van beide oorzaken behoort te worden toegerekend. In dat verband kent het hof in rechtsoverweging 2.8 betekenis toe aan de omstandigheid dat volgens een door het hof vastgestelde ervaringsregel een dief en zijn (directe) opvolgers als regel minder zorg zullen hebben voor de gestolen auto.
medeeen oorzaak van de schade is en sluit ook niet uit dat – bij gebrek aan duidelijkheid omtrent de omstandigheden rond de brand – rekening wordt gehouden met een mogelijk verband tussen de diefstal en de brand.
een mogelijk verbandtussen de diefstal en de brand.
onderdeel 2zich tegen rechtsoverweging 2.8 van het eindarrest.
daaromde vergoedingsplicht van ASR proportioneel verminderd zou worden. Volgens de steller van het middel heeft het hof miskend:
een mogelijk verbandtussen de diefstal en de brand.
Het resultaat daarvanis dat uitleg vooral afhankelijk wordt van objectieve factoren. [19] Dat is wat anders dan dat objectieve uitleg ook
de normzou zijn. Voor dit laatste bestaat geen reden. Zo’n reden zou gelegen kunnen zijn in de betrokkenheid van derden, [20] maar daarvan is hier geen sprake.
onderdeel 3zich tegen rechtsoverweging 2.8 van het eindarrest. Volgens het onderdeel is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd het oordeel van het hof dat het als uitgangspunt voor de hand ligt om de schade 50-50 te verdelen. De brand heeft plaatsgevonden tijdens de looptijd van de verzekeringsovereenkomst en er is geen bepaling op grond waarvan Bosporus had moeten begrijpen dat brandschade proportioneel verminderd zou kunnen worden indien de brand voorafgegaan zou worden door diefstal. Het hof zou hebben miskend dat het aan ASR was om voldoende gemotiveerd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat er een in de polisvoorwaarden beschreven causaal verband tussen de diefstal en de brand zou bestaan dat zou meebrengen dat de schadevergoeding verminderd zou mogen worden.
tot vermindering vaneen in beginsel gegeven aanspraak van Bosporus. In dat verband zou op ASR de stelplicht en bewijslast rusten. Dit is geen juiste voorstelling van zaken. De door Bosporus geleden schade is het gevolg zowel van een niet-gedekte gebeurtenis (diefstal) als van een gedekte gebeurtenis (brand). Een aanspraak voor Bosporus op vergoeding van haar schade onder de verzekering is dus niet gegeven, ook niet in beginsel. Of die aanspraak bestaat of niet, hangt ervan af of en in welke mate we de schade opvatten als een gevolg van de niet respectievelijk wel gedekte gebeurtenis. Het standpunt van ASR komt erop neer dat de schade geheel het gevolg is van de niet gedekte gebeurtenis van diefstal. Het standpunt van Bosporus komt erop neer dat de schade geheel het gevolg is van de wel gedekte gebeurtenis van brand. Het hof heeft beide verworpen en zijn uitleg, die neerkomt op een proportionele benadering van de kwestie, in de plaats van die van partijen gesteld. Dat is niet onjuist. Ook is het oordeel van het hof mijns inziens voldoende gemotiveerd.
onderdeel 4zich tegen rechtsoverweging 2.8 van het eindarrest.
evenzeereen ervaringsgegeven dat steenmarters autobranden veroorzaken, zonder dat uit het arrest van het hof blijkt waarom het niet reëel is om uit te gaan van de mogelijkheid dat een steenmarter de oorzaak is geweest van het in brand komen staan van Bosporus’ auto.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
subonderdeel IAligt in het oordeel van het hof een onjuiste rechtsopvatting omtrent het verzekerd belang besloten, althans is het oordeel van het hof op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel IC.
dominant cause-leer, kunnen dienen als waardevolle suggesties aan de rechter die over de feiten oordeelt, ten behoeve van een redelijke uitleg van de verzekeringsovereenkomst (hiervoor 3.6 e.v.). Het is niet zo dat de rechter bij die uitleg aan één theorie gebonden is, ook niet in beginsel. Hij is dus ook niet gebonden aan de
dominant cause-leer. Het slot van de tweede alinea op blad 11 van het verweerschrift tevens incidenteel cassatieberoep zegt het wel juist: de meest dominante oorzaak kán als de rechtens relevante oorzaak kwalificeren. Daarvan is het hof echter ook uitgegaan, maar het heeft een uitleg volgens de
dominant cause-leer voor het voorliggende geval verworpen. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof mijns inziens niet.
dominant cause-leer wel naar Nederlands recht zou gelden als hét uitgangspunt in gevallen van meervoudige causaliteit, treffen de klachten van het onderdeel mijns inziens geen doel. Het oordeel van het hof kan namelijk ook zo worden gelezen dat het voor het voorliggende geval op dat uitgangspunt een uitzondering heeft aanvaard. Niet juist is, zoals het subonderdeel verder nog inhoudt, dat het hof ervan is uitgegaan dat de toepasselijkheid van het causaliteitscriterium van een
dominant causeexpliciete opname daarvan in de polisvoorwaarden veronderstelt. Het hof is in rechtsoverweging 2.6 eerst in meer algemene zin ingegaan op de stelling van ASR dat alleen de diefstal de rechtens relevante oorzaak van de schade is. Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 2.7 besproken het beroep van ASR op de omschrijving van het begrip ‘gebeurtenis’ in de Bedrijfsverzekeringen Algemene Begripsomschrijving. Enkel als afsluiting en dus als bijkomend argument heeft het hof vervolgens nog betekenis toegekend aan de omstandigheid dat ASR er niet voor heeft gekozen om de
dominant cause-leer in duidelijke bewoordingen in de polisvoorwaarden op te nemen.
dominant cause-leer. In verband met de clausule ontvangt Bosporus geen vergoeding van haar schade voor zover die door de diefstal is veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof is er echter nog andere schade, die niet door de diefstal is veroorzaakt. Dat oordeel is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. Het is mijns inziens niet onbegrijpelijk dat het hof de alarmklasseclausule niet op die andere schade heeft betrokken.