Conclusie
Gemeenschap van inboedel
door [de man]:
Balans, winst en verlies
Parket bij de Hoge Raad
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en hebben samen een vennootschap onder firma (vof) gedreven. Na ontbinding van het huwelijk en de vof, waarbij de man het bedrijf als eenmanszaak voortzette, vorderde de vrouw in hoger beroep de toewijzing van de helft van het vennootschapsvermogen.
Het hof oordeelde dat het vennootschapsvermogen niet valt onder de verrekening van de huwelijkse voorwaarden en dat de vrouw onvoldoende had gesteld over haar kapitaaldeelname en de waardering daarvan. Ook had zij geen beroep gedaan op het verdelingsbeding in de vof-akte.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof onterecht aan haar stellingen voorbij was gegaan en een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd over de waardering van het vennootschapsvermogen. De Hoge Raad verwierp deze klachten wegens gebrek aan onderbouwing en bevestigde dat het hof terecht het verzoek tot verdeling van het vennootschapsvermogen had afgewezen.
Voorts faalde het beroep op artikel 1:143 lid 1 BW Pro omdat de vrouw geen concreet verzoek daartoe had gedaan en het hof voldoende informatie achtte aanwezig om de verrekening vast te stellen. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het verzoek tot verdeling van het vennootschapsvermogen afgewezen.