Conclusie
[werkneemster])
curator)
1.De feiten
Vérian). Vérian heeft deze arbeidsovereenkomst tijdig opgezegd met toestemming van het UWV om bedrijfseconomische redenen. Vérian heeft om dezelfde reden ook verschillende andere werknemers ontslagen. In het geval van [werkneemster] is op 11 februari 2016 toestemming van het UWV gevraagd voor dit ontslag. [werkneemster] is een maand later arbeidsongeschikt geworden. Zij heeft sindsdien niet meer bij Vérian gewerkt. Vanaf 1 juli 2016 ontvangt [werkneemster] een Ziektewetuitkering. [werkneemster] heeft Vérian om wachtgeld gevraagd. Dat verzoek is op 15 november 2016 geweigerd.
cao VVT). De cao VVT 2014-2016 bepaalde in art. 9.7 lid 1 over de voorwaarden voor het verkrijgen van wachtgeld:
Zw) komt. [betrokkene 2] zou [werkneemster] mailen over de procedure voor het aanvragen van wachtgeld. [werkneemster] moest de gevraagde stukken aanleveren en zou daarna schriftelijk worden geïnformeerd over de hoogte van het wachtgeld, aldus [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft diezelfde dag informatie over de wachtgeldregeling naar [werkneemster] gestuurd en haar gevraagd om stukken omtrent de hoogte en de duur van de WW/Zw-uitkering voor het berekenen van de hoogte van het wachtgeld.
Wwz) en het Besluit overgangsrecht transitievergoeding (hierna ook: het
Besluit), omdat wachtgeld een voorziening is als bedoeld in dat besluit, aldus Vérian . Zij is wel bereid om onder voorwaarden € 3.700,-- bruto te betalen. Dat is het totaalbedrag aan wachtgeld waarop [werkneemster] maximaal recht zou hebben wanneer zij voor wachtgeld in aanmerking was gekomen. [werkneemster] heeft dit aanbod afgewezen.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
primair, tot betaling van € 67.602,93,-- bruto of een ander in goede justitie te bepalen bedrag,
subsidiair, om de toezeggingen omtrent de wachtgeldregeling na te komen en de bedragen van die regeling met terugwerkende kracht per 1 juli 2016 aan haar maandelijks uit te betalen en,
meer subsidiair, om aan haar het wachtgeld toe te kennen op grond van de onderhavige cao VVT, steeds te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van Vérian in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het geding. Daarnaast heeft [werkneemster] gevorderd Vérian te veroordelen tot afgifte van een bruto-nettospecificatie onder verbeurte van een dwangsom.
rechtbank) een comparitie gelast, die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
arrest) heeft het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het
hof), kort gezegd:
3. Wat is het oordeel van het hof?
“De transitievergoeding is niet verschuldigd wanneer de werknemer per 1 juli 2015 rechten kan ontlenen aan de hier bedoelde lopende collectieve afspraken."
Overwogen is te regelen dat de transitievergoeding wordt verminderd met de (waarde van) de vergoedingen en voorzieningen waar de werknemer recht op heeft op grond van de lopende collectieve afspraken. Hier is echter niet voor gekozen omdat daarvoor de hoogte van de vergoedingen en voorzieningen uit lopende cao 's en sociale plannen die zijn overeengekomen met verenigingen van werknemers vastgesteld moet kunnen worden. Dat is veelal niet mogelijk. Van bijvoorbeeld een afgesproken wachtgeldregeling is bij het einde van de arbeidsovereenkomst niet duidelijk of deze tot uitkering komt, en als deze tot uitkering komt is niet altijd op voorhand duidelijk voor hoe lang en dus ook niet het uiteindelijke bedrag wat hiermee gemoeid zou zijn."Het bestaan van de wachtgeldregeling blokkeert daarom het recht van [werkneemster] op de transitievergoeding, niet de vraag of en zo ja hoeveel wachtgeld wordt uitgekeerd. Daaraan doet niet af dat de aanleiding voor het maken van de overgangsregeling is, zoals staat in de Nota van Toelichting:
[vet gemaakt en gecursiveerd in origineel, A-G]
3.De bespreking van het principale cassatiemiddel
Subonderdeel A.1klaagt dat het hof in rov. 3.3 van het arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de overgangsregeling van art. XXII lid 7 Wwz jo. art. 2 lid 1 Besluit Pro door te overwegen, kort gezegd, (i) dat het enkele bestaan van een voorziening het recht op een transitievergoeding voor de werknemer blokkeert, ongeacht of die voorziening aan de werknemer tot uitkering komt, en (ii) dat er bewust geen regeling is getroffen voor het geval de cao-voorziening tot een beperkte uitkering leidt of niet tot uitkering komt.
Subonderdeel A.2klaagt dat ’s hofs motivering in rov. 3.3 van het arrest onvoldoende inzichtelijk en onbegrijpelijk is, omdat uit art. XXII lid 7 Wwz, art. 2 lid 1 Besluit Pro en de daarbij behorende toelichting niet kan worden afgeleid dat het enkele bestaan van een voorziening het recht op een transitievergoeding voor de werknemer zou blokkeren.
De subonderdelen [8] lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Ik schets eerst de hier toepasselijke wet- en regelgeving en de bijbehorende parlementaire geschiedenis, voor zover relevant. [9] Op grond van art. 7:673 BW Pro is de werkgever in beginsel een transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer, indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de werkgever, kort gezegd, het initiatief heeft genomen tot het beëindigen of niet voorzetten van deze overeenkomst. Art. 7:673 BW Pro is ingevoerd door de Wwz en per 1 juli 2015 in werking getreden. [10] Als aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, bestaat ingevolge het overgangsrecht (art. XII lid 1 Wwz) recht op transitievergoeding indien de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gang is gezet na 1 juli 2015, zoals in het onderhavige geval. [11] De wetgever heeft destijds mede onderkend, zakelijk weergegeven, dat de werkgever tegelijkertijd nog gebonden kan zijn aan afspraken met de vakbonden die vóór 1 juli 2015 zijn gemaakt omtrent de beëindiging van een arbeidsovereenkomst en heeft voor dat geval een overgangsregeling tot stand willen brengen. Het oorspronkelijk tot wet geworden art. XXII lid 6 Wwz [12] luidde:
1. Algemeen
2. Lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers
gebondenis, maar of hij hier rechten aan kan ontlenen.
In dit artikel is geregeld dat de transitievergoeding niet verschuldigd is als de werknemer recht heeft op vergoedingen of voorzieningen op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst of andere afspraken die tussen een werkgever of verenigingen van werkgevers en verenigingen van werknemers zijn gemaakt in bijvoorbeeld een sociaal plan. In die situatie gaan de collectieve afspraken voor, en is de transitievergoeding niet verschuldigd. Dit is alleen anders als nadrukkelijk in de lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers is opgenomen dat het recht op de vergoeding of voorziening bestaat, naast het recht op een (eventuele) transitievergoeding. In dergelijke lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers is al rekening gehouden met de transitievergoeding. In die situatie heeft de werknemer uiteraard naast de vergoeding of voorziening op grond van de cao of het sociaal plan recht op de transitievergoeding; partijen zijn dat overeengekomen.
Werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zullen meestal geen recht hebben op een vergoeding of voorziening op grond van lopende collectieve afspraken. In dat geval heeft de werknemer recht op de transitievergoeding. Het eerste lid is immers alleen van toepassing als er recht op een vergoeding of voorziening op grond van lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers bestaat.
(…)”
Startpunt bij de beoordeling van het onderdeel is dat, naar tussen partijen niet in geschil is, [28] [werkneemster] ten tijde van de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst een Zw-uitkering ontving en daarmee niet voldeed aan de in de toepasselijke cao-bepaling [29] gestelde voorwaarde voor uitkering van wachtgeld onder de desbetreffende wachtgeldregeling dat door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een WW-uitkering aan haar was toegekend. Zoals het hof in rov. 3.3 oordeelt, redenerend vanuit genoemde wachtgeldregeling, heeft [werkneemster] in beginsel recht op wachtgeld, maar komt dat in haar geval “zolang zij een volledige Zw-uitkering heeft en niet een - gedeeltelijke - WW-uitkering” niet tot uitkering, zoals dat ook het geval is bij werknemers die aansluitend ander werk vinden zonder salarisverlies (daarbij verwijzend naar art. 9.7 lid 2 van de cao VVT 2014-2016). Toen [werkneemster] arbeidsovereenkomst eindigde, was dus ook niet duidelijk of, en zo ja voor welk bedrag, het wachtgeld onder de desbetreffende wachtgeldregeling tot uitkering zou komen. Evenzo staat vast dat een wachtgeldregeling, zoals dus is opgenomen in de onderhavige cao VVT, een “voorziening” wegens het beëindigen van de arbeidsovereenkomst in de zin van de overgangsregeling van art. XXII lid 7 Wwz jo. art. 2 lid 1 Besluit Pro is. [30] Subonderdeel A.1 werpt (toegespitst op rov. 3.3 van het arrest) in de kern de (rechts)vraag op of deze wachtgeldregeling, gelet op de overgangsregeling van art. XXII lid 7 Wwz jo. art. 2 lid 1 Besluit Pro, het recht van [werkneemster] op een transitievergoeding ook blokkeert als weliswaar deze wachtgeldregeling voor 1 juli 2015 in de onderhavige cao VVT is opgenomen en [werkneemster] daaraan per 1 juli 2015 rechten kan ontlenen wegens het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, maar het hier niet komt tot een (geldelijke) uitkering onder deze bestaande wachtgeldregeling aan [werkneemster] , omdat niet wordt voldaan aan een in deze wachtgeldregeling vervatte voorwaarde ter zake, te weten dat door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een WW-uitkering aan [werkneemster] is toegekend (zie art. 9.7 lid 1 onder c van de cao VVT 2014-2016). Ik meen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. [31] Daarop wijst vooreerst de kenbare bedoeling die de wetgever [32] met de overgangsregeling van art. XXII lid 7 Wwz jo. art. 2 lid 1 Besluit Pro had om, bij wege van uitgangspunt, de daarin genoemde “afspraken” (voor 1 juli 2015 gemaakte collectieve afspraken tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en verenigingen van werknemers (vakbonden) over vergoedingen of voorzieningen in een cao of sociaal plan waaraan de werknemer per 1 juli 2015 rechten kan ontlenen wegens het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, in de toelichting op het Besluit kortweg geduid als “lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers”, waarop ik hierna ook doel met zulke lopende collectieve afspraken), [33] voor een bepaalde periode te respecteren, in de zin van niet te laten opzijzetten door het regime van de transitievergoeding.
Zoals het voorgaande inzake de toelichting op het Besluit laat zien, is de wetgever daarbij nadrukkelijk ervan uitgegaan, onder meer en bezien tegen de achtergrond van het genoemde doel “dubbele betalingen” te voorkomen:
gebondenis, maar of hij hier rechten aan kan ontlenen;
Het gaat er, in de door de wetgever gekozen systematiek van de overgangsregeling van art. XXII lid 7 Wwz jo. art. 2 lid 1 Besluit Pro, en met inachtneming van de temporele reikwijdte ervan, ten aanzien van dit uitgangspunt dus om of er, kort gezegd, in het concrete geval zulke lopende collectieve afspraken zijn; is dat zo, dan wordt bij toepassing van genoemde overgangsregeling dit uitgangspunt aangehouden en derhalve niet toegekomen aan een (ten tijde van het maken van die afspraken nog niet voorzien) recht op een transitievergoeding. [36] Dat de wetgever, wat betreft zulke lopende collectieve afspraken, niet in algemene zin als inherent daaraan heeft aangemerkt dat de werknemer ter zake onvoorwaardelijk aanspraak (“recht”) dient te hebben op uitkering van een bepaald bedrag (laat staan een bepaald bedrag ontvangt, dus aan de voorwaarde(n) daarvoor is voldaan, of de hoogte van dat bedrag) waar relevant, [37] bij gebreke waarvan het regime van de transitievergoeding toepassing vindt, blijkt niet alleen daaruit dat zo’n beperking op het aanhouden van dat uitgangspunt nergens te lezen valt in genoemde overgangsregeling of de toelichting daarop, [38] maar bijvoorbeeld ook daaruit:
Hierop stuit het onderdeel af.
Subonderdeel B.3klaagt dat het arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting “ex art. 6:2 BW Pro”, omdat het hof het beroep op de redelijkheid zijdens [werkneemster] niet, althans niet voldoende kenbaar, in zijn overwegingen heeft betrokken en aldus een te strikte, althans onjuiste maatstaf aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.
Subonderdeel B.4klaagt dat ’s hofs motivering van het arrest onbegrijpelijk is, omdat door het hof niet wordt gemotiveerd waarom het beroep op de redelijkheid zijdens [werkneemster] geen doel zou kunnen treffen, althans dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, ’s hofs beslissing in ieder geval onvoldoende inzichtelijk is met betrekking tot de vraag waarom genoemd beroep niet zou kunnen slagen althans tot een andere beslissing zou kunnen leiden.
De subonderdelen [60] lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Het onderdeel wijst naar de kern genomen op “het beroep op de redelijkheid zijdens [werkneemster] ”, zoals gedaan in de gedingstukken. [61] Het onderdeel doelt daarmee, gelet ook op de genoemde vindplaatsen in de gedingstukken en de opmerkingen daarbij in (de toelichting op) het onderdeel, [62] alsmede de verwijzing daarin naar een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2016, [63] in het bijzonder op de volgende, door mij gecursiveerd weergegeven passages in de spreekaantekeningen ter comparitie van partijen d.d. 18 mei 2017 zijdens [werkneemster] (mr. Bouwknegt) die draaien om een billijkheidscorrectie (het onderdeel rept ook bij herhaling van die term), waarbij ik duidelijkheidshalve ook daaraan voorafgaande en daarop volgende passages citeer (die dus niet zijn gecursiveerd): [64]
De discussie ziet echter op het daadwerkelijk “recht hebben” op een vergoeding of voorziening als bedoeld in art. XXII, zevende lid, van de Wet werk en zekerheid. [werkneemster] meende aanspraak op de wachtgeldregeling uit de CAO VVT te maken nu de collectieve afspraken voorgaan en de transitievergoeding op grond van het overgangsrecht in het hiervoor geschetste geval niet verschuldigd is.
(…)
Ik herhaal dat het als goed werkgever op de weg van Vérian had gelegen om [werkneemster] te wijzen op het risico dat zij niet in aanmerking zou komen voor de wachtgeldregeling. [werkneemster] is teleurgesteld, verdrietig, maar bovenal hoogst verbaasd dat dit niet gebeurd is.
Het doel van de overgangsregeling was het voorkomen van dubbele betalingen. De wetgever is er daarbij van uitgegaan dat het geval dat de transitievergoeding hoger is dan een eerder afgesloten collectieve voorziening, zich niet vaak zal voordoen en dat de transitievergoeding doorgaans lager zal zijn dan een vóór 1 juli 2015 bestaande regeling. Slechts wegens praktische bezwaren heeft de wetgever - ondanks andersluidend advies van de Raad van State - geen regeling willen treffen voor gevallen waarin dat anders is. De wetgever heeft dus “op de koop toegenomen” dat zich gevallen zouden kunnen voordoen waarin de werknemer in een ongunstiger positie zou komen te verkeren als gevolg van het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding, maar hij heeft deze situaties zeker niet beoogd. Een redelijke en met de gewenste bescherming van de werknemer strokende uitleg van deze regeling brengt dan ook mee dat indien een werknemer op grond daarvan geen recht heeft op een transitievergoeding maar op een vergoeding uit hoofde van een Sociaal Plan (of collectieve regeling), de bedoelde afwijkingsmogelijkheid (nog steeds) bestaat wanneer sprake is van een evident onbillijke uitkomst (Gerechtshof Den Haag, 22 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3879).In dit geval is er sprake van een evident onbillijke situatie bij onverkorte toepassing van de collectieve regeling van de cao VVT, nu [werkneemster] een zeer langdurig dienstverband gehad heeft bij Vérian (ruim 42 jaar), altijd goed heeft gefunctioneerd, haar kansen op de arbeidsmarkt beperkt zijn vanwege haar leeftijd (60+) en eenzijdige werkervaring, en zij geen enkele vorm van vergoeding ontvangt naar aanleiding van haar ontslag.
geen rechtheeft op een vergoeding of voorziening welke tussen verenigen van werkgevers en verenigingen van werknemers overeengekomen is. [verschrijving in origineel. A-G]
verschuldigd zijn”. Nu de wachtgeldregeling geen toepassing vindt, en er dus geen vergoeding op die grond verschuldigd is, is Vérian de transitievergoeding aan [werkneemster]
verschuldigd.
Uit het voorgaande volgt niet alleen dat het hof in rov. 3.2-3.4, op basis van een niet-onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken, wel ook (en afdoende kenbaar) betrekt wat het onderdeel noemt “het beroep op de redelijkheid” zijdens [werkneemster] , anders dan de in subonderdeel B.3 vervatte rechtsklacht tot uitgangspunt neemt, waarop ook vastloopt de vervolgredenering in subonderdeel B.3 dat het hof “aldus” (dus door dat beroep niet (voldoende kenbaar) te betrekken) een te strikte, althans onjuiste maatstaf aan zijn oordeel ten grondslag zou hebben gelegd (overigens geeft ‘s hofs verwerping van dat beroep m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, gelet ook op het navolgende). Uit het voorgaande volgt tevens dat, anders dan subonderdeel B.4 aanvoert, het hof wel motiveert en afdoende inzichtelijk maakt waarom naar zijn oordeel dat “beroep op de redelijkheid” zijdens [werkneemster] niet kan slagen. Daarbij valt in het bijzonder te wijzen op die bij herhaling door het hof in rov. 3.3 benadrukte, bewust gemaakte keuzes zijdens de wetgever, wat het hof nadrukkelijk betrekt bij zijn oordeel dat gelet op de overgangsregeling van art. XXII lid 7 Wwz jo. art. 2 lid 1 Besluit Pro het bestaan van de wachtgeldregeling (in de onderhavige cao VVT) het recht van [werkneemster] op de transitievergoeding blokkeert, uitmondend in de conclusie in rov. 3.4 dat [werkneemster] dus “hoe dan ook” geen recht had op de transitievergoeding. Ik merk nog op dat deze benadering van het hof, waarin (dus) niet wordt gezegd dat op basis van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in het onderhavige geval geen correctie mogelijk zou zijn geweest op de onderhavige cao VVT (in het bijzonder de daarin vervatte wachtgeldregeling, waaronder art. 9.7 lid 1 onder c van de cao VVT 2014-2016) zelf, als daarop zijdens [werkneemster] een gemotiveerd beroep was gedaan, strookt met die van het gerechtshof Den Haag in het arrest bedoeld op p. 4 van de spreekaantekeningen ter comparitie van partijen d.d. 18 mei 2017 zijdens [werkneemster] (mr. Bouwknegt), [79] waarover hiervoor. In laatstgenoemde arrest (inzake een bedrijfseconomisch ontslag) lagen twee grieven voor:
4.De bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Het hof geeft in rov. 3.7 van het arrest m.i. toepassing aan de in art. 237 lid 1 Rv Pro genoemde uitzondering voor het geval dat de kosten nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, waar het overweegt dat het in de erkenning van Vérian (dat de gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient en dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt) aanleiding ziet de proceskosten te compenseren in de zin dat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten dient te dragen.
De subonderdelen 1.1-1.3 gaan uit van een andere lezing van het arrest en stranden daarom reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 1.4 leest ’s hofs arrest wel op die wijze, maar stoelt op de (categorische) opvatting dat als één partij volledig in het gelijk wordt gesteld, “althans in beginsel, geen sprake kàn zijn van nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten”. Zonder meer valt niet in te zien waarom dit niet zou kunnen, ook nu art. 237 lid 1 Rv Pro juist een uitzondering in die zin inhoudt, zodat ’s hofs oordeel in dat licht nog niet onjuist of onbegrijpelijk is te achten op basis van het in subonderdeel 1.4 aangevoerde. Dit subonderdeel klaagt verder niet over de onjuistheid of onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel in andere zin, terwijl intussen de vraag of kosten nodeloos werden aangewend of veroorzaakt een hoog feitelijk karakter draagt [87] en het hof dit hier in rov. 3.7 voorziet van een niet op voorhand onnavolgbare motivering, waarbij zij aangetekend dat de door het hof vastgestelde erkenning van Vérian (waarover hiervoor) ook in subonderdeel 1.4 niet wordt bestreden. [88] De voortbouwklacht in onderdeel 2 deelt in het lot van onderdeel 1, dat dus faalt gegeven het voorgaande. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuiten de onderdelen af.