Voetnoten
2.Besluit van 23 april 2015, houdende voorwaarden waaronder de transitievergoeding niet verschuldigd is, of kortweg het Besluit overgangsrecht transitievergoeding, Stb. 2015/172.
3.Aldus HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.4.1 (New Hairstyle). 5.MvT, Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 42.
6.Aldus W.H.A.C.M. Bouwens, R.A.A. Duk & D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2018, § 33.4. Zie voorts Asser/Heerma van Voss 7-V 2015/418; A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 111-113; N. Jansen, ‘De gelijkwaardige voorziening: geen gezeik iedereen rijk?’, TvO 2017, nr. 3, p. 148-154; S.A. van der Velde, ‘De gelijkwaardige voorziening van art. 7:673b BW’, Arbeidsrecht 2016/37.
7.Een aantal vragen is aan de orde in het bij de Hoge Raad onder zaaknr. 18/01150 aanhangige cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11133. 9.Nota van toelichting, Stb. 2015, 172, p. 4. Zie ook p. 10 onder nr. 6 (“Het doel van dit besluit, dat de uitwerking is van artikel XXII, zevende lid, van de Wwz, is om dubbele betalingen door de werkgever te voorkomen.”).
10.Nota van toelichting, Stb. 2015, 172, p. 4.
11.In de leden 2 en 3 zijn uitzonderingen opgenomen voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en voor vergoedingen en voorzieningen gericht op compensatie van de uit de Wwz voortvloeiende verkorting van de duur van de uitkering op grond van de Werkloosheidswet met ingang van 1 januari 2016. Zie nader Nota van toelichting, Stb. 2015/172, p. 6 en 11.
12.Nota van toelichting, Stb. 2015/172, p. 5.
13.Nota van toelichting, Stb. 2015/172, p. 10.
14.Vgl. Nota van toelichting, Stb. 2015/172, p. 6.
15.In de toelichting wordt overigens onderscheiden tussen collectieve afspraken die uitdrukkelijk zijn verlengd (Stb. 2015/172, p. 9 en 11) en collectieve afspraken die stilzwijgend worden verlengd of nawerking hebben (Stb. 2015/172, p. 5). Dit punt speelt in de onderhavige zaak niet.
16.Vgl. Nota van toelichting, Stb. 2015/172, p. 9 en 12.
17.Nota van toelichting, Stb. 2015, 172, p. 12. De in noot 7 genoemde zaak betreft onder meer de vraag of deze voorzieningen kunnen vallen onder art. 7:673b BW.
18.Rov. 1 van de bestreden beschikking.
19.Nota van toelichting, Stb. 2015, 172, p. 4.
20.Vgl. Nota van toelichting, Stb. 2015, 172, p. 5.
21.Het voorgestelde art. XXII lid 6 luidde: “Vergoedingen die de werkgever na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet verschuldigd is op grond van tussen de werkgever en de werknemer of verenigingen van werknemers voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gemaakte afspraken, kunnen onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden tijdelijk in mindering worden gebracht op de op grond van de artikelen 673 en 673a verschuldigde vergoeding.” Zie Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 2, p. 27.
22.Zie MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 127.
23.Tweede Nota van Wijziging, Kamerstukken II, 2014-2015, 33 988, nr. 11, p. 5 (voorstel) en p. 10 (toelichting). Het voorstel verwijst reeds naar het zevende lid, de toelichting nog naar het zesde lid.
24.Zie brief de brief van de Minister van 29 september 2014, Kamerstukken II, 2014-2015, 33 988, nr. 12, p. 7, laatste regel (Bijlage 2 Overzicht van technische wijzigingen, t.a.v. onderdeel 15 van de Tweede Nota van Wijziging: “Aanpassing van formulering i.v.m. kunnen realiseren beoogde doel (voorkomen samenloop transitievergoeding en andere vergoedingen of voorzieningen uit hoofde van bijvoorbeeld een sociaal plan)”).
25.Nota van toelichting, Stb. 2015, 172, p. 4.
26.Zie S.A. van der Velde, ‘De gelijkwaardige voorziening van art. 7:673b BW’, ArbeidsRecht 2016/37, p. 8.
27.Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 12 maart 2015, nr. 12.15.0019/III, Stcrt. 2015/12727. Ook het oorspronkelijke wetsvoorstel ging uit van dit systeem (zie bij 3.9.2).
28.Zie Nota van toelichting, Stb. 2015, 172, p. 5 (voetnoot 2); Nader Rapport (reactie op het advies) van 21 april 2015, Stcrt. 2015, 12727.
29.Zie J.M. van Slooten, T&C Arbeidsrecht, commentaar op aanhef Besluit overgangsrecht transitievergoeding, aant. g, onder verwijzing naar Rb Midden-Nederland 30 maart 2016, AR-Updates 2016/0432; Rb. Den Haag 15 februari 2012, ECLI:NL:RBDHA:2016:1467, rov. 5.9. 31.Vgl. Rb. Amsterdam 19 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1040, rov. 8; Rb. Den Haag 9 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:10078, rov. 5.4; Gerechtshof Den Haag 1 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3264, rov. 2.9. Vgl. in verband met art. 7:673b BW bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 3 juli 2017, JAR 2017/192 over de suppletie op een WIA-uitkering die een gelijkwaardige voorziening werd geacht. 32.Zij veronderstellen overigens ten onrechte dat het hof moet motiveren waarom het van een bepaalde rechtsopvatting uitgaat.
33.Verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep nr. 6.3.
34.Verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep nr. 6.4.
35.Het middel vermeldt dat het is gericht tegen rov. 4.3, 4.4 en 4.9 en de daarop voortbouwende rov. 4.10-4.15.
36.Zie nr. 10 van het inleidend verzoekschrift en nrs. 1.19-1.20, 2.8 en 2.17-2.18 van het beroepschrift.
37.Zie o.a. HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357, RvdW 2017/869, rov. 3.3.2; HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663, NJ 2016/222, rov. 3.4; HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663, NJ 2006/158, rov. 3.6; HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900, NJ 2005/92, rov. 3.4. 38.Zie HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 m.nt. W.D.H. Asser; HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, RvdW 2016/517; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, RvdW 2018/67; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, RvdW 2018/86; HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484, NJ 2018/353 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971, RvdW 2018/763; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, RvdW 2018/754. 39.Zie HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.4.2; HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, RvdW 2016/517, rov. 3.3 en 3.8; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, RvdW 2018/67, rov. 3.4.5; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, RvdW 2018/86, rov. 3.4.5. 40.Zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, RvdW 2018/67, rov. 3.5.1 en 3.6.1-3.6.5; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, RvdW 2018/86, rov. 3.5.1 en 3.6.1-3.6.5; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971, RvdW 2018/763, rov. 3.4.3-3.4.4; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, RvdW 2018/754, rov. 4.1.4-4.1.5. 41.De Gemeente heeft dit erkend, zie haar verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep nr. 5.7.3.
42.Hierop wijst terecht de Gemeente in haar verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep nr. 5.7.4-5.7.5.
43.Zie inleidend verzoekschrift van [verzoeker] nr. 6; verweerschrift Gemeente in eerste aanleg nr. 30.
44.Zie de berekening in het verweerschrift Gemeente in eerste aanleg nr. 30.
45.MvT, Kamerstukken II, 2013-2014, nr. 3, p. 120.
46.Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. Zie HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:335, rov. 3.2.