Conclusie
2.Procesverloop
3.Inleiding
lopende collectieve afspraken’ − afspraken tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en verenigingen van werknemers (vakbonden) over vergoedingen of voorzieningen in een cao of sociaal plan [10] − bevat het Besluit een tijdelijke anticumulatiebepaling:
overige lopende afspraken’ in de zin van het Besluit− bijvoorbeeld individuele afspraken over vergoedingen en voorzieningen tussen een werkgever en een werknemer of afspraken in tussen een werkgever en een ondernemingsraad gesloten sociaal plan [19] − bevat art. 3 Besluit Pro een keuzemodel. De werknemer kan kiezen voor de transitievergoeding mits hij schriftelijk afstand doet van de vergoedingen en voorzieningen waarop hij recht zou hebben op grond van de overige lopende afspraken.
4.Is de doorwerkregeling een voorziening in de zin van het Besluit?
onderdeel 2.1. Hieraan voegt
onderdeel 2.2toe dat met de vaststelling van het hof dat er ‘naar de letter genomen’ geen causaal verband is tussen de beëindiging en de getroffen voorziening, de ratio van de wettelijke bepaling (het voorkomen van dubbele betalingen) geen geweld wordt aangedaan. Voorts wordt geklaagd dat het hof, door in rov. 4.9-4.15 de strekking van art. 2 Besluit Pro in zijn overwegingen te betrekken, heeft miskend dat die toets overbodig is geworden door zijn eerdere eigen vaststelling in rov. 4.9 dat er geen causaal verband aanwezig is. Het onderdeel concludeert dat het hof een onjuiste – want te ruime – maatstaf heeft aangelegd.
wegensde beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bij andere vergoedingen of voorzieningen doet het risico ‘dubbele betaling’ in de zojuist bedoelde zin zich niet voor.
5.Bespreking van de overige principale cassatiemiddelen
nrs. 1.1-1.1.15) wordt daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat nu art. 6.4 Sociaal Uitvoeringsplan bepaalt dat de arbeidsovereenkomst van de WIW-werknemer eindigt uiterlijk op de eerste dag van de maand waarin de 62-jarige leeftijd wordt bereikt (voor [verzoeker] : 1 maart 2016) en de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] pas zeven maanden nadien is beëindigd, het Sociaal Plan ingevolge art. 2 lid 4 Besluit Pro op 1 maart 2016 is vervallen (en er geen sprake is van een collectieve arbeidsovereenkomst waarin de gevolgen van het verval van het Sociaal Plan zijn geregeld), althans het causaal verband in de zin van art. XXII lid 7 Wwz tussen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de voorzieningen uit het Sociaal Plan ontbreekt. Volgens het middel had het hof een en ander gezien art. 25 Rv Pro ambtshalve moeten toetsen, nu [verzoeker] heeft aangevoerd dat (i) art. 2 lid 4 van Pro het Besluit van toepassing is, (ii) het Sociaal Plan is vervallen en (iii) de arbeidsovereenkomst is opgezegd en geëindigd na 1 maart 2016. Het hof heeft, door dit na te laten, de stellingen van [verzoeker] te beperkt opgevat. De beschikking geeft aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk.
nr. 1.6).
. [40]