Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel1 bevat een inleiding met een samenvatting van de klachten.
Onderdeel 2klaagt dat het hof ten onrechte is uitgegaan van een verdiencapaciteit van 75% van een 40-urige werkweek bij de berekening van de draagkracht van de vrouw.
Onderdeel 3klaagt dat het hof ten onrechte een zorgkorting van 15% in mindering heeft gebracht op de kinderalimentatieverplichting van de man.
Onderdeel 4merkt op dat het hof een kennelijke rekenfout heeft gemaakt.
subonderdelen 2.1 tot en met 2.7op tegen rechtsoverwegingen 5.19 tot en met 5.22:
Het hof heeft kennelijk rekening gehouden met de mate waarin de kinderen verzorging behoefden en is in het licht daarvan gekomen tot het oordeel dat de vrouw 30 uur per week (75%) kan werken. Het hof behoefde niet nader te motiveren waarom het in de door het hof genoemde omstandigheden van dit geval is gekomen tot een percentage van 75%. Het hof behoefde evenmin nader te motiveren waarom de resterende 25% niet in aanmerking kwam.
Het hof behoefde niet nader in te gaan op de stellingen van de vrouw, waarnaar het subonderdeel verwijst. Deze stellingen worden genoemd in
subonderdeel 2.5(voor wat betreft de processtukken van de vrouw) en in
subonderdeel 2.6(voor wat betreft de mondelinge behandeling bij het hof). [9] De stellingen hebben betrekking op omstandigheden (de burn-outklachten en de zorg voor de kinderen) die het hof voldoende in zijn oordeel heeft betrokken.
Hieraan staat niet in de weg dat de rechtbank in haar beschikking van 15 juli 2019 (op p. 4) tot een ander oordeel is gekomen. De rechtbank overwoog over de arbeidsmarktomstandigheden, waarop het subonderdeel zich beroept, slechts dat het de vrouw om allerlei redenen niet is gelukt om een baan te vinden waarin zij meer verdient dan wel om meer uren te werken, en dat onduidelijk is wanneer zij hiertoe wel zal slagen alsook van welke hogere verdiensten dan kan worden
subonderdelen 2.4-2.7, die alle dienen te falen. Anders dan
subonderdeel 2.4stelt, is de overweging (in rov. 5.19) dat vrouw de stelling van de man dat de kinderen thans zelfstandiger zijn en minder verzorging door hun moeder behoeven zodat zij meer zou kunnen gaan werken, onweersproken heeft gelaten, niet onbegrijpelijk. De klacht verwijst naar de rov. 5.17 waarin het hof heeft overwogen dat de vrouw de stellingen van de man gemotiveerd heeft weersproken. De algemene overweging in rov. 5.17 ziet kennelijk niet op het punt dat in rov. 5.19 aan de orde is.
De stellingen van de vrouw waarnaar de
subonderdelen 2.5 en 2.6verwijzen, zijn door het hof in rov. 5.19 in zijn beoordeling betrokken. Anders dan
subonderdeel 2.7aanvoert, is het hof niet onjuist of onbegrijpelijk voorbijgegaan aan stellingen van de vrouw ten aanzien van haar mogelijkheden om meer te werken.
Overigens weegt het oordeel van het hof over het aantal uren dat de vrouw kan werken naar mijn mening zwaarder dan het percentage ten opzichte van een voltijdse werkweek. Dus ook indien van een 38-urige werkweek zou moeten worden uitgegaan, kon het hof nog steeds oordelen dat moet worden uitgegaan van een inkomen op basis van een 30-urige werkweek in verband met onder meer de leeftijd van de kinderen. [12]
subonderdelen 3.1 tot en met 3.4op tegen rechtsoverwegingen 5.25 tot en met 5.27:
Zorgkorting
Subonderdeel 3.2klaagt, samengevat, dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is (i)waarom een zorgkorting is bepaald, (ii) waarom deze korting 15% is en (iii) waarom de korting wordt toegekend voor de periode voorafgaand aan de datum van de beschikking waarin het hof zelf heeft vastgesteld dat geen sprake is van omgang sinds 2017.
Subonderdeel 3.3voegt hieraan toe dat het hof heeft miskend dat de toegekende zorgkorting in strijd is met het terughoudendheidsbeginsel en de strekking van artikel 1:392 lid 2 BW Pro, dat het kind de volledige behoefte dient te genieten van beide ouders.
Subonderdeel 3.4klaagt dat de zorgkorting niet is bedoeld als prikkel voor de verzorgende ouder om mee te werken aan een zorgregeling. De overwegingen van het hof in rechtsoverwegingen 5.26 en 5.27 die inhouden dat het streven van beide ouders erop moet zijn gericht dat er herstel van het contact tussen de man en de kinderen komt, zijn onjuist dan wel onbegrijpelijk evenals de beslissing om de man een zorgkorting toe te kennen.
De klachten nemen ten onrechte tot uitgangspunt dat het hof de zorgkorting gebruikt als prikkel tot naleving van de zorgregeling. In zoverre berusten zijn op een onjuiste lezing van de beschikking van het hof en missen zij feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat uit de stukken blijkt dat de man zich herhaaldelijk sterk heeft gemaakt voor het herstel van het contact met de kinderen en dat de vrouw heeft aangegeven dat zij bereid is haar medewerking aan contactherstel te verlenen. Het hof heeft hierop anticiperend de zorgkorting op 15% gesteld. Dit omdat het hof het niet waarschijnlijk acht dat de zorgregeling op korte termijn volledig zal worden hersteld.
Het hof was niet gehouden om het kortingspercentage van 15% nader te motiveren in het licht van het in het Rapport Alimentatienormen onder meer genoemde percentage van 5%. [13] Nu er geen geschil was over de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie, is het hof van die datum uitgegaan (zie rov. 5.2). Overigens hoeft de vrouw het door de man teveel betaalde niet terug te betalen (zie rov. 5.34), zodat in zoverre belang bij de klacht ontbreekt.
Subonderdeel 4.1herhaalt in de kern de klachten van de subonderdelen 2.1 en 2.2, dat het hof is uit gegaan van een volledige werkweek van 40 uren. Dit subonderdeel dient te falen om de eerder gegeven redenen. De
subonderdelen 4.2 en 4.3bevatten louter op de subonderdelen 2.1 tot en met 4.1 voortbouwende klachten en dienen eveneens te falen.
subonderdeel 1.1en de louter voortbouwende klacht van
subonderdeel 1.3falen.
Subonderdeel 1.2bevat geen klacht.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Overigens volg ik de berekening van het onderdeel niet helemaal. De behoefte van de twee kinderen gezamenlijk per maand is € 868,- (rov. 5.23). Met een zorgkorting van 35% betaalt de man (per kind per maand 323 - 152 = 171, dus voor beide kinderen 2 x 171 =) € 342,- per maand. Daarmee resteert een gezamenlijke behoefte van de kinderen van (868 – 342 =) € 526,- per maand. De draagkracht van de vrouw is door het hof gesteld op € 468,- per maand. Bij een korting van 35% zou dus, ook indien de vrouw erin slaagt haar verdiencapaciteit daadwerkelijk te benutten, haar draagkracht onvoldoende zijn om volledig te voorzien in de behoefte van de kinderen.
Uit de inleiding op de klachten van het incidentele middel (in nr. 23) blijkt overigens dat het hof op 6 januari 2019 een beschikking over de omgangsregeling heeft gegeven en daarin heeft overwogen dat het hof een gedwongen kader noodzakelijk acht. Uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof maak ik op dat sprake is van een ondertoezichtstelling. [21] Het hof was dus op de hoogte van de complexiteit van de situatie. Het ligt mijns inziens voor de hand dat dit een factor is bij de beoordeling of het mogelijk en passend is om de alimentatieverplichting in te zetten als middel om nakoming van de omgangsregeling af te dwingen.