ECLI:NL:PHR:2021:1066
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beklag tegen niet-vervolging voormalig minister ambtsmisdrijven
Klager deed op 31 mei 2021 aangifte tegen de (voormalig) (demissionair) minister van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking wegens vermeende ambtsmisdrijven, waaronder het financieren van terrorisme en deelname aan een terroristische organisatie. De officier van justitie besloot de aangifte niet verder te onderzoeken wegens gebrek aan redelijk vermoeden van schuld.
Klager diende daarop een schriftelijk beklag in bij de Hoge Raad op grond van artikel 13a Sv. De procureur-generaal stelde vast dat de Hoge Raad niet bevoegd is om opdracht te geven tot vervolging van ambtsmisdrijven gepleegd door ministers zonder een koninklijk besluit of een besluit van de Tweede Kamer. Dit volgt uit artikel 119 Grondwet Pro en de Wet ministeriële verantwoordelijkheid ambtsdelicten.
Het protocol inzake behandeling van aangiften tegen ministers schrijft voor dat dergelijke aangiften via de minister van Justitie en Veiligheid moeten worden behandeld. De officier van justitie had de aangifte moeten doorsturen volgens het protocol, hetgeen alsnog is gebeurd. De procureur-generaal heeft een oriënterend onderzoek ingesteld en zal de minister hierover informeren.
Gelet op het ontbreken van bevoegdheid van de Hoge Raad om tot vervolging over te gaan, is het beklag van klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De procedure wordt daarom zonder oproeping van klager beëindigd.
Uitkomst: Het beklag van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan bevoegdheid van de Hoge Raad tot vervolging.