Uitspraak
1.Het beklag
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
3.Beslissing
19 oktober 2021.
Hoge Raad
De klager deed op 23 februari 2021 aangifte tegen de demissionair minister-president en de demissionair minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wegens verschillende misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid gepleegd tussen 1 april 2020 en 23 februari 2021. De officier van justitie besloot af te zien van strafvervolging, waarna de klager op 17 maart 2021 schriftelijk beklag deed bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof verklaarde zich op 29 juni 2021 onbevoegd om van het beklag kennis te nemen en verwees de zaak naar de Hoge Raad. De Hoge Raad beoordeelde vervolgens de ontvankelijkheid van het beklag aan de hand van de toepasselijke wettelijke bepalingen omtrent ambtsmisdrijven van ministers en leden van de Staten-Generaal.
Op grond van artikel 119 van Pro de Grondwet, artikel 76 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 4 lid 1 van Pro de Wet ministeriële verantwoordelijkheid ambtsdelicten kunnen (voormalige) ministers en staatssecretarissen alleen door de Hoge Raad worden vervolgd, maar de opdracht tot vervolging kan uitsluitend worden gegeven bij koninklijk besluit of een besluit van de Tweede Kamer. Omdat de Hoge Raad zelf niet bevoegd is tot het geven van een vervolgingsopdracht, is het beklag van de klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De oproeping van de klager kon daarom achterwege blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beklag van de klager niet-ontvankelijk wegens gebrek aan bevoegdheid tot vervolging van ministers voor ambtsmisdrijven.