Conclusie
1.Feiten
geenkosten voor u.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft de uitleg en toepassing die het hof aan art. 6:233 onder Pro a BW heeft gegeven. Volgens
onderdeel 2toetst het hof ten onrechte niet aan de ‘tenzij’-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW Pro en volgens
onderdeel 3ten onrechte niet of sprake was van verzuim.
Onderdeel 4betreft de vraag of sprake is van samenhangende voorfinancieringsovereenkomsten en leaseovereenkomsten.
Onderdeel 5komt op tegen het oordeel van het hof dat het inroepen van de ontbinding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Onderdeel 6bevat een louter voortbouwende klacht.
Allereerst is van belang dat Noord Auto een professionele partij is, dat het initiatief tot het aangaan van de leaseovereenkomsten en de voorfinancieringsovereenkomsten van Noord Auto's uitging en dat een beding als dit, een zogenaamd ‘'cross-default” beding, geen ongebruikelijk beding is, zeker niet in overeenkomsten tussen zakelijke partijen. Beequip heeft in dat verband gewezen op een vergelijkbaar beding in de Algemene Bank Voorwaarden.
Verder is van belang dat de overeenkomsten tussen Noord Auto en Beequip bedoeld waren ter financiering door Noord Auto van de aanschaf van twee voertuigen die Noord Auto nodig had voor haar bedrijfsvoering, waarbij met de voorfinancieringsovereenkomst werd voorzien in een kortlopende financiering en met de leaseovereenkomsten in een langlopende financiering. In zoverre hangen de overeenkomsten met elkaar samen. Indien Noord Auto tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de leaseovereenkomsten, kan Beequip door de uitwinning van de voertuigen, die haar eigendom waren, haar vordering verhalen. Het cross-default beding maakt het mogelijk dat Beequip zich ook op de (opbrengst van de) voertuigen kan verhalen indien Noord Auto tekortschiet in haar verplichtingen uit de voorfinancieringsovereenkomsten. Dat Beequip een belang heeft bij deze bepaling, is dan ook aannemelijk.
Het beding houdt inderdaad, zoals Noord Auto's stelt, in dat een (geringe) tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit de voorfinancieringsovereenkomsten tot gevolg heeft dat de leaseovereenkomsten worden ontbonden. Noord Auto's ziet daarbij over het hoofd dat ook een geringe tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit de leaseovereenkomsten zelf Beequip de mogelijkheid geeft de leaseovereenkomsten te ontbinden. Het beding leidt dan ook niet tot rechtsgevolgen waarin de leaseovereenkomsten zelf al niet voorzien, maar leidt er slechts toe dat die rechtsgevolgen in meer gevallen - ook bij het tekortschieten in de nakoming van een andere overeenkomst - kunnen worden ingeroepen.
subonderdeel 1.1is, samengevat, onjuist het oordeel in rov. 4.6, dat het bij onredelijke bezwarendheid in de zin van artikel 6:233 aanhef Pro en onder a BW zou moeten gaan om omstandigheden die zich voordoen voor of bij het sluiten van de overeenkomst en dat omstandigheden die zich later voordoen niet onder de toetsing zouden vallen. Dit is namelijk anders wanneer omstandigheden die zich later voordoen verbonden zijn aan een of meer rechtsgevolgen voortvloeiend uit de overeenkomst of algemene voorwaarden, aldus de klacht.
Volgens
subonderdeel 1.2, samengevat, heeft het hof verzuimd alle relevante omstandigheden te betrekken bij zijn beoordeling of het cross-default-beding onredelijk bezwarend is. Van een onjuiste rechtsopvatting getuigen de oordelen (in rov. 4.7) dat de kantonrechter ten onrechte bij zijn toetsing van het cross-default-beding vooral de concrete omstandigheden waaronder Beequip een beroep heeft gedaan op het beding betrokken zou hebben en (in rov. 4.8) dat niet doorslaggevend is dat het beroep op het beding voor Noord Auto zeer nadelig uitpakt. Dit laatste laat onverlet dat hof dit gegeven bij zijn beoordeling moest betrekken, wat het hof niet dan wel onvoldoende (kenbaar) heeft gedaan.
subonderdeel 1.1wijst hier op zichzelf terecht op − dat de inhoudstoetsing betrekking kan hebben op de rechtsgevolgen die in de overeenkomst worden verbonden aan gebeurtenissen die zich na het sluiten van de overeenkomst voordoen (zoals bij een exoneratie voor fouten bij het uitvoeren van de verbintenis, het beding dat bepaalde gebeurtenissen tot overmacht bestempelt, of een beding dat aan een bepaalde gedraging van de wederpartij verval van rechten verbindt). [6]
Het hof heeft immers in rov. 4.6 voorop gesteld dat het gaat om omstandigheden die de inhoud van het te toetsen beding raken en die zich voordoen vóór of bij het sluiten van de overeenkomst, dus om
de eventuele onredelijk bezwarende gevolgen waaraan het beding, bij gebondenheid daaraan,
de wederpartij van het begin af aan blootstelt. Het hof verwijst daarnaar terug in de slotzin van rov. 4.7. Het hof heeft dan ook in rov. 4.8 rekening gehouden met het gegeven dat het beroep op het beding door Beequip in dit geval voor Noord Auto zeer nadelig uitpakt. Het hof heeft echter geoordeeld dat dit
niet doorslaggevendis. Het hof heeft immers ook andere omstandigheden getoetst. Uit opsomming van die omstandigheden in rov. 4.9 blijkt dat het hof bij de toets aan art. 6:233 onder Pro a BW ook betrokken heeft
de nadelen ervan voor Noord Auto.
Waar het hof in rov. 4.6, slot, spreekt van
omstandigheden die zich later voordoenen in rov. 4.7 van
de concrete omstandigheden waaronder Beequip een beroep heeft gedaan op het beding betrokken heeft, beoogt het hof slechts het onderscheid tussen de inhoudstoets en de uitoefeningstoets aan te geven. [10] De
subonderdelen 1.1. en 1.2berusten dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en missen daarom feitelijke grondslag. Anders dan
subonderdeel 1.2aanvoert, behoefde het hof niet nader te motiveren waarom het beding niet onredelijk bezwarend is in het licht van het in rov. 4.8, eerste volzin, bedoelde nadelige gevolg voor Noord Auto.
Indien Noord Auto tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de leaseovereenkomsten, kan Beequip door de uitwinning van de voertuigen, die haar eigendom waren, haar vordering verhalen”). Het hof overweegt voorts dat het cross-default-beding het voor Beequip ook mogelijk maakt om bij een tekortkoming in de nakoming van de voorfinancieringsovereenkomst zich te verhalen op de (opbrengst van de) voertuigen en dat Beequip ook belang heeft bij deze bepaling. Met de term ‘verhaal’ doelt het hof dus niet, anders dan het subonderdeel veronderstelt, op het in de art. 3:276 en Pro 3:277 BW bedoelde verhaal van vorderingen op de goederen van de schuldenaar.
Dat bij ontbinding van de leaseovereenkomsten wegens tekortschieten van de huurkoper de opbrengst van de voertuigen in mindering wordt gebracht op de vordering van de huurverkoper, strekt ertoe te voorkomen dat de huurverkoper door de ontbinding in een betere vermogenspositie zou geraken dan bij correcte nakoming van de overeenkomst. Als Beequip recht zou hebben op de leasetermijnen en de voertuigen zou mogen houden, zou sprake zijn van onredelijke bevoordeling. [11] Het heeft voorts rekening gehouden met het door de klacht bedoelde nadeel dat voor Noord Auto verbonden is aan toepassing van het beding door Beequip (zie rov. 4.8, eerste volzin, en rov. 4.20 en 4.21).
Het door
subonderdeel 1.5bedoelde geval kan vervolgens weer een rol spelen bij de beoordeling of het beroep op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft dit beoordeeld (in rov. 4.14-4.21). In dat verband heeft het hof onder meer overwogen dat het met de ontbinding van de leaseovereenkomsten gemoeide bedrag een veelvoud is van het bedrag dat is gemoeid met de tekortkoming van Noord Auto (rov. 4.20). Volgens het hof is de tekortkoming van Noord Auto in de voorfinancieringsovereenkomst geen geringe tekortkoming is (rov. 4.16), maar een ernstige en welbewuste tekortkoming (rov. 4.21). Het subonderdeel faalt dan ook.
Subonderdeel 2.2klaagt, samengevat, dat het hof heeft miskend dat het cross-default-beding in beginsel uitgelegd moet worden in overeenstemming met art. 6:265 lid 1 BW Pro en dat de ‘tenzij’-bepaling minst genomen als gezichtspunt meegewogen had moeten worden bij toepassing van de Haviltexmaatstaf, en dat onbegrijpelijk is dat partijen met het cross-default-beding zouden hebben bedoeld om af te wijken van artikel 6:265 lid 1 BW Pro.
subonderdeel 2.1aanvoert, dwingen de stellingen van de partijen in de procedure in feitelijke instanties naar mijn mening niet tot de conclusie dat tussen partijen in confesso is dat de ontbinding van de leaseovereenkomsten is gebaseerd op artikel 6:265 BW Pro, zodat het subonderdeel dient te falen. In verband met het standpunt van Beequip verwijst het subonderdeel naar de memorie van grieven nr. 28. Dit betreft de stelling van Beequip dat de e-mail van Noord Auto van 17 januari 2017 een mededeling betrof waaruit Beequip mocht afleiden dat Noord Auto tekort zou schieten in de nakoming van de
leaseovereenkomsten. Het hof heeft dit punt in het midden gelaten (zie rov. 4.18, slot). In de memorie van grieven nr. 28 verwijst Beequip ook naar haar conclusie van repliek nr. 29. Daarin bestrijdt zij het standpunt van Noord Auto dat het bedrag dat niet betaald is onder de voorfinancieringsovereenkomsten op de voet van artikel 6:265 BW Pro geen ontbinding rechtvaardigt. Daaruit kan niet worden afgeleid dat Beequip zich op het standpunt stelde dat de ontbinding was gebaseerd op artikel 6:265 BW Pro, omdat Beequip in die conclusie (in nr. 25) ook heeft gesteld dat zij de leaseovereenkomsten in de eerste plaats op grond van artikel 9 lid 1 onder Pro m van haar algemene voorwaarden kon ontbinden.
Het is denkbaar dat een contractuele ontbindingsbepaling wordt uitgelegd tegen de achtergrond van hetgeen zonder een dergelijke bepaling zou gelden, [15] maar dwingend is dit niet. Voor zover
subonderdeel 2.2van een andere rechtsopvatting uitgaat, dient het te falen.
Subonderdeel 2.2geeft niet aan − anders dan op basis van de hiervoor voor onjuist gehouden rechtsopvatting en (in voetnoot 20 van het middel) met een verwijzing naar subonderdeel 2.1 − waarom deze uitleg van het beding onbegrijpelijk zou zijn en dient daarom ook in zoverre te falen.
Op basis van zijn uitleg van het beding heeft het hof het beroep van Beequip op de contractuele ontbindingsbevoegdheid getoetst aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. [16] Bij deze beoordeling heeft het hof betrokken de argumenten die door Noord Auto waren aangevoerd in het kader van haar beroep op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW Pro.
Subonderdeel 3.2bevat een louter op subonderdeel 3.1 voortbouwende klacht die is gericht tegen (de tweede) rov. 4.14.
subonderdeel 3.1aanvoert, dwingen de stellingen van de partijen in de procedure in feitelijke instanties naar mijn mening niet tot de conclusie dat tussen partijen in confesso is dat voor de ontbinding van de leaseovereenkomsten verzuim vereist is, zodat het subonderdeel dient te falen. In verband met het standpunt van Beequip verwijst het subonderdeel naar de memorie van grieven nr. 28, dat hiervoor reeds besproken is. Ik volsta met een verwijzing naar de bespreking van de subonderdelen 2.1 en 2.2.
Hoge Raad 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3408, NJ 2010/496 m.nt. J.B.M. Vranken (Cashback-actie), betrof de vraag of er tussen twee overeenkomsten (een koopovereenkomst voor een keuken en overeenkomst waarbij terugbetaling van een deel van de koopprijs was toegezegd) een zodanige samenhang bestond dat een tekortschieten in de laatstgenoemde overeenkomst ook moest gelden als een tekortschieten in de eerstgenoemde overeenkomst.
Nu Beequip volgens het hof de ontbinding van de leaseovereenkomsten kon baseren op het cross-default-beding, behoefde het hof (anders dan de kantonrechter die had geoordeeld dat dit beding onredelijk bezwarend is) niet in te gaan op de vraag of sprake is van samenhangende overeenkomsten in de zin van het genoemde arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2009. Die laatste vraag is pas relevant indien het cross-default-beding niet werkzaam is.
Bij de toetsing van (het beroep op) het cross-default-beding kon het hof verder meewegen dat er een samenhang als bedoeld in rov. 4.8 en 4.19 bestaat tussen deze voorfinancieringsovereenkomsten en de leaseovereenkomsten.
subonderdelen 4.3 en 4.4veronderstellen dat het hof deze toets heeft verricht. Deze subonderdelen berusten op een onjuiste lezing van het arrest en dienen daarom te falen.
Subonderdeel 5.1.1klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd omdat het had moeten beoordelen of ontbinding van de leaseovereenkomsten in de gegeven omstandigheden niet tot een (buitengewoon) bezwaarlijk gevolg respectievelijk onredelijk bezwarend gevolg voor Noord Auto zou leiden. Het hof heeft dit niet, althans onvoldoende gedaan.
Volgens
subonderdeel 5.1.2kan hieraan niet afdoen het feit, dat Noord Auto gewaarschuwd is voor de ontbinding van de leaseovereenkomsten. Als de sanctie disproportioneel is, dan is de waarschuwing dat eveneens en wordt de sanctie niet minder proportioneel door de waarschuwing. Overigens blijkt niet uit de gedingstukken dat Noord Auto door Beequip duidelijk is gewaarschuwd.
Onder verwijzing naar subonderdeel 5.1.2 klaagt
subonderdeel 5.1.3dat het oordeel in rov. 4.20 dat Beequip Noord Auto uitdrukkelijk zou hebben gewezen op haar bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, onjuist is voor zover dit zou meewegen bij het oordeel dat het beroep van Beequip op het cross-default-beding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit oordeel is voorts onbegrijpelijk in het licht van het forse bedrag dat is gemoeid met de ontbinding van de leaseovereenkomsten in vergelijking met de tekortkoming van Noord Auto, terwijl het hof niet in aanmerking heeft genomen (i) dat er ten tijde van de ontbindingsverklaring geen achterstand was in de betaling van de leasetermijnen; (ii) dat slechts sprake was van een geschil over de betaling uit hoofde van de voorfinancieringsovereenkomsten; (iii) dat dit geschil berustte op een verschil van mening over de hoogte van de btw; (iv) dat het bedrag van € 5.161,19 (kantonrechter) of € 6.245,- (hof) tot een enorme schadevergoedingsplicht zou leiden; (v) dat Beequip als eigenaar al een zekerheidsrecht had op de geleasede objecten; en (vi) dat Beequip andere middelen ten dienste hebben gestaan om het bedrag te innen.
Beequip Noord Auto voordat zij de overeenkomst ontbond, in haar brief van 9 december 2016, uitdrukkelijk [heeft] gewezen op haar bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden. Beequip heeft pas drie maanden later, nadat Noord Auto ondanks diverse sommaties en het inschakelen van een deurwaarder haar verplichtingen nog steeds niet was nagekomen, van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.” (rov. 4.20) respectievelijk dat “
Auto Noord ook gewaarschuwd is voor de ontbinding van de leaseovereenkomsten” (rov. 4.21). Voor zover de
subonderdelen 5.1-5.3van een andere rechtsopvatting uitgaan, gaan zij niet op.
subonderdeel 5.1.3genoemde omstandigheden: (i) dat er geen achterstand was in de betaling van de leasetermijnen (zie rov. 4.2); (ii) en (iii) dat sprake was van een geschil over de betaling uit hoofde van de voorfinancieringsovereenkomsten dat de btw betrof (zie rov. 4.17); (iv) dat het met de ontbinding van de leaseovereenkomsten gemoeide bedrag van ongeveer € 75.000,- in hoofdsom, een veelvoud is van het bedrag gemoeid met de tekortkoming van Noord Auto (rov. 4.20), dat wil zeggen ruim € 6.400,- (rov. 4.2, 4.13 en 4.16). Het hof in rov. 4.8 reeds aandacht besteed aan het belang van Beequip bij het beding, en daarmee ook aan de stelling (v) dat Beequip zich als huurverkoper op de voertuigen kon verhalen (rov. 4.8). In de concluderende overweging 4.21 ligt een verwerping besloten van het beroep op (vi) het bestaan van alternatieve incassomethoden.
subonderdeel 5.1.2naar stellingen van Noord Auto dat zij weliswaar in de ingebrekestelling van 9 december 2016 is gewezen op het cross-default-beding, maar dat zij uit de e-mail van Beequip van 15 december 2016 (zie hiervoor in 1.8) mocht afleiden dat het zo’n vaart niet zou lopen. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, is het hof op deze stelling ingegaan door in rov. 4.17 te overwegen: “
Indien het Noord Auto tot 15 december 2016 niet duidelijk was hoeveel btw zij kon verrekenen, had het haar na die mail van 15 december 2016 wel duidelijk behoren te zijn. Desalniettemin heeft Noord Auto ook na 15 december 2016 een substantieel deel van het door haar verschuldigde bedrag onbetaald gelaten.” Het hof heeft voorts rekening gehouden met het tijdstip waarop Beequip tot ontbinding is overgegaan (zie de in 3.31 geciteerde passage uit rov. 4.20). Deze klacht van het subonderdeel dient daarom te falen, omdat zij is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest.
onderdeel 6niet slagen. Ik kom tot de slotsom dat het cassatieberoep verworpen moet worden.