ECLI:NL:PHR:2021:1092

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
22 november 2021
Zaaknummer
20/04449
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552f SvArt. 36b SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende onderzoek bij beklag tegen beslag op personenauto

De rechtbank Amsterdam verklaarde het klaagschrift van de klager tegen het beslag op een Volvo personenauto ongegrond, omdat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigde. De rechtbank baseerde zich op het vermoeden dat de auto een verborgen ruimte bevatte en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter het voertuig zou verbeurdverklaren of onttrekken aan het verkeer.

De advocaat van de klager voerde aan dat er geen bewijs was van een verborgen ruimte en dat de auto niet onder de klager maar onder een derde in beslag was genomen. De officier van justitie kon geen aanvullende informatie geven over het onderzoek naar de verborgen ruimte.

De advocaat-generaal concludeert dat de rechtbank het klaagschrift niet had mogen afwijzen zonder nader onderzoek en dat zij had moeten vaststellen onder wie het beslag was gelegd. De Hoge Raad volgt dit standpunt en vernietigt de beschikking, wijzend de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een zorgvuldiger onderzoek en beoordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor nader onderzoek en beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/04449 B
Zitting23 november 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de klager.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 15 december 2020 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot teruggave aan hem van een inbeslaggenomen auto van het merk Volvo, ongegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag. De klacht houdt – kort gezegd – in dat het oordeel van de rechtbank dat de strafrechter, later oordelend, de auto verbeurd zal verklaren, niet zonder meer begrijpelijk is.
2.2.
De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van 1 september 2020 het volgende naar voren gebracht:
“Ik handhaaf het verzoek voor wat betreft de telefoon en de auto. […] Ik heb geen foto gezien van de verborgen ruimte die zich in de auto zou bevinden. Uit het proces-verbaal van bevindingen (p. 15 van het dossier voorgeleiding) lijkt te volgen dat een tas met geld onder een stoel vandaan is gekomen. De vraag is of dat is gebeurd in strijd met geldende regels. Als dat zo was dan was dat wel vastgelegd. De auto is van de moeder van cliënt. Cliënt heeft geen bezwaar tegen de teruggave van die auto aan zijn moeder. De inbeslagname van de auto is disproportioneel. Ik betwist de relatie tussen het voertuig en het feit waarvan cliënt verdacht wordt. Ook wordt betwist dat het feit met het voertuig zou zijn gepleegd. Op zich is het ook niet dienstig aan het beweerdelijke witwassen.”
2.3.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt voorts dat door de officier van justitie het volgende is aangevoerd:
“Ik persisteer. Verbalisanten hebben duidelijk verklaard over de doorzoeking van de auto. […] Ik ben niet de zaaksofficier. Ik kan ook over de auto verder niets zeggen. Ik weet niets meer over het lopende onderzoek.”
2.4.
De bestreden beschikking houdt het volgende in:
“Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
(…)
Inhoud van het klaagschrift
Het klaagschrift strekt tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
- een auto, merk Volvo (goednummer 5953879);
(…)
De beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 10 augustus 2020 zijn op de voet van artikel 94 Sv Pro voornoemde voorwerpen in beslag genomen.
Klager wordt - kort gezegd - verdacht van witwassen en handel in verdovende middelen.
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de. inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomen kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot die voorwerpen de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.
In het onderhavig geval is sprake van voorwerpen die volgens het Openbaar Ministerie dienen om de waarheid aan de dag te brengen en deze vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.
De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het onderzoek nog niet is afgerond en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de voorwerpen zal uitspreken of de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen zal opleggen.
De personenauto
Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat verbalisanten voorshands onvoldoende gedetailleerd hebben geverbaliseerd dat er sprake is van een verborgen ruimte die zoals zij zeggen in de auto te hebben aangetroffen. Dit maakt echter niet dat de auto daarmee aan klager kan worden teruggegeven. Daarvoor dient eerst het nader onderzoek aan de auto te worden afgewacht. Het feit dat de officier in raadkamer onvoldoende was geïnformeerd over de stand van dit onderzoek maakt dat vooralsnog niet anders. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het nu nog niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voorwerp verbeurd zal verklaren en of zal onttrekken aan het verkeer. Wel ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om op korte termijn duidelijkheid te verschaffen over de vraag of en zo ja, wat voor verborgen ruimte zich in de personenauto bevindt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.
(…)
De beslissing
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.
De rechtbank verklaart het beklag ten aanzien van de personenauto, merk Volvo, ongegrond.”
2.5.
Het middel valt, in samenhang gelezen met de toelichting, uiteen in twee deelklachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voertuig verbeurd zal verklaren, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, omdat de rechtbank ten onrechte haar beslissing heeft gebaseerd op nog onbekende toekomstige constateringen, namelijk dat nog niet is vastgesteld of zich in de in beslag genomen auto wel een verborgen ruimte bevindt, waarop niet vooruit mag worden gelopen. Door de steller van het middel is daarnaast aangevoerd dat door de rechtbank tevens is miskend dat het voertuig niet onder klager in beslag is genomen, maar onder een derde. Daarbij wijst de steller van het middel op hetgeen hierover is opgemerkt in het klaagschrift van 24 augustus 2020, te weten dat: “in de strafzaak bekend onder opgemeld zaakskenmerk
onder een derdeeen voertuig
vancliënt [cursief door mij, TS] in beslag [werd] genomen”. In de tweede plaats wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de in art. 33a, lid 2 aanhef en onder a, Sr (kort gezegd: bekendheid bij de rechthebbende met het gebruik voor het strafbare feit) in haar beoordeling te betrekken.
2.6.
Naar ik begrijp heeft de steller van het middel met de eerste deelklacht bedoeld te betogen dat de rechtbank op grond van de nu voorliggende informatie geen beslissing had mogen nemen op de inhoud van het klaagschrift en dat de rechtbank, in het kader van welke maatstaf bij de beoordeling van het beklag moet worden aangelegd, had moeten onderzoeken onder wie het beslag is gelegd.
2.7.
De steller van het middel heeft hier een punt. Ik meen dat de rechtbank op grond van de vaststelling “dat verbalisanten voorshands onvoldoende gedetailleerd hebben geverbaliseerd dat er sprake is van een verborgen ruimte die zoals zij zeggen in de auto te hebben aangetroffen” het klaagschrift niet ongegrond had behoren te verklaren, maar de behandeling ervan had dienen aan te houden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen hieromtrent aanvullende informatie aan de rechtbank te verstrekken. [1]
2.8.
Ik verwijs in dit verband op de navolgende vooropstelling in de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge van 28 augustus 2012 [2] , waarin ik mij geheel kan vinden,:
“4.7. Ik stel voorop dat - zoals uit art. 23 lid 1 Sv Pro blijkt - aan de beslissing van de beklagrechter een onderzoek vooraf dient te gaan. Voor de deugdelijkheid van dat onderzoek is de beklagrechter verantwoordelijk. Dat wordt onderstreept door het genoemde artikellid, dat bepaalt dat de rechter bevoegd is de nodige bevelen te geven dat het onderzoek "overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden". Tot die bepalingen behoort hetgeen art. 23 lid Pro 4 (thans lid 5, AG TS) Sv in zijn eerste volzin voorschrijft, namelijk dat het openbaar ministerie de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raadkamer overlegt. Met die overlegging wordt de rechterlijke oordeelsvorming gediend. Zonder de relevante stukken is de rechter immers niet goed in staat zich een oordeel te vormen over de ontvankelijkheid van het beklag en over de rechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag. Dat betekent dat de beklagrechter gezien zijn verantwoordelijkheid voor de deugdelijkheid van het onderzoek ambtshalve op de naleving van het voorschrift moet toezien. Met incomplete stukken kan hij geen genoegen nemen om de eenvoudige reden dat hij anders zijn taak niet kan vervullen. Hij zal dus zo nodig op grond van art. 23 lid 1 Sv Pro de overlegging van de ontbrekende stukken moeten bevelen.”
2.9.
In onderhavige zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende duidelijk is geverbaliseerd of er sprake is van een verborgen ruimte in de auto, maar dat dit geen grond is om de auto aan de klager terug te geven. Volgens de rechtbank dient hiervoor eerst nader onderzoek aan de auto te worden afgewacht. Daarbij is tevens overwogen dat het feit dat de officier van justitie in raadkamer onvoldoende was geïnformeerd over de stand van dit onderzoek dit vooralsnog niet anders maakt. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het nu nog niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voorwerp verbeurd zal verklaren en of zal onttrekken aan het verkeer. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van het Openbaar Ministerie ligt om op korte termijn duidelijkheid te verschaffen over de vraag of en zo ja, wat voor verborgen ruimte zich in de personenauto bevindt.
2.10.
De beslissing dat op grond van de onder 2.9 aangehaalde overwegingen het beklag ongegrond is, acht ik gelet op hetgeen ik onder 2.7. en 2.8. heb vooropgesteld ontoereikend gemotiveerd.
2.11.
Daar komt nog bij dat de bestreden beschikking nog meer onvolkomenheden bevat. Zo is door de rechtbank niet vastgesteld onder wie er beslag is gelegd: onder de klager of onder een derde. In de beschikking van de rechtbank is enkel opgemerkt dat “op 10 augustus 2020 op de voet van artikel 94 Sv Pro voornoemde voorwerpen in beslag [zijn] genomen” en dat “het klaagschrift strekt tot teruggave [van] de in beslag genomen voorwerpen”. Aan de hand van de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken is mij evenmin duidelijk geworden onder wie de auto in beslag is genomen en aan wie de auto toebehoort. Nu de rechtbank in het ongewisse heeft gelaten onder wie het beslag is gelegd, kan in cassatie niet worden getoetst of door de rechtbank het juiste beoordelingskader is aangelegd hetgeen maakt dat het oordeel van de rechtbank ook om die reden ontoereikend is gemotiveerd.
2.12.
Nu de eerste deelklacht slaagt, kan de bespreking van de twee deelklacht naar mijn mening achterwege blijven.

3.Conclusie

3.1.
Het middel slaagt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1244,
2.Conclusie AG Knigge 28 augustus 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX6930, voorafgaande aan HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6930.