Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
lex specialisvan art. 10 EVRM Pro, vaak wordt dan ook gelijktijdig een beroep gedaan op deze artikelen. Op welk artikel het zwaartepunt ligt hangt af van de omstandigheden van het geval. [5] Beide rechten zijn daarnaast niet absoluut en kunnen om die reden worden ingeperkt. [6]
Açik e.a./Turkije). In die zaak hadden studenten gedemonstreerd tijdens de openingsceremonie van een universiteit. Op het moment dat door de rector een toespraak werd gehouden riepen de studenten leuzen en hielden zij borden omhoog. Nadat de studenten een aantal keer waren gewaarschuwd door de Turkse politie dat de demonstratie onrechtmatig was, besloten zij de verdachten aan te houden en enkele uren op te houden voor onderzoek. Tegen de studenten werd uiteindelijk geen vervolging ingesteld. De zaak kwam wel bij het EHRM terecht omdat de studenten aangifte hadden gedaan tegen de Turkse politie en de beveiligers van de universiteit. Het EHRM oordeelde dat er sprake was van een schending van art. 10 EVRM Pro en nam daarbij in aanmerking dat de aanhouding en het ophouden van de studenten voor onderzoek disproportioneel waren. De politie had voor minder vergaande opties kunnen kiezen. Daarbij overwoog het EHRM dat de politie de studenten bijvoorbeeld had kunnen verwijderen en de toegang tot de zaal waar de ceremonie plaatsvond, had kunnen ontzeggen.
Steel e.a./Verenigd Koninkrijk). In die zaak ging het om drie demonstranten die tijdens een wapenconferentie in een conferentiecentrum demonstreerden tegen de verkoop van gevechtshelikopters. De demonstranten deelden folders uit en hielden een spandoek omhoog met daarop de tekst “Work for Peace and not War”. De demonstranten werden aangehouden en zeven uur opgehouden voor onderzoek. De Engelse vervolgingsautoriteit besloot uiteindelijk dat er onvoldoende bewijs was de demonstranten te vervolgen waarna de zaak tegen verzoekers door de rechtbank niet ontvankelijk werd verklaard. Het EHRM oordeelde dat er sprake was van schending van art. 10 EVRM Pro. In de eerste plaats overwoog het EHRM daartoe dat de aanhouding en het ophouden voor onderzoek in die zaak niet bij wet waren voorzien. Nog belangrijker vond het EHRM dat de beperking van de door art. 10 EVRM Pro beschermde vrijheid met het oog op het voorkomen van wanordelijkheden en het ter bescherming van andermans rechten disproportioneel was. De inperking was derhalve niet noodzakelijk in een democratische samenleving. Het EHRM achtte het daarbij van belang dat de demonstratie vreedzaam was verlopen en dat de bezoekers van de wapenconferentie niet aanzienlijk door de demonstranten waren gehinderd. Er was geen reden in het gedrag te vinden van de demonstranten waardoor bij de politie de vrees zou kunnen ontstaan dat er een “breach of the peace” zou plaatsvinden. Concluderend bestond er voor de politie dus geen goede reden om de drie demonstranten aan te houden.
Açik e.a./Turkijeen
Steel e.a./Verenigd Koninkrijkvan het EHRM – niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is en evenmin ontoereikend was gemotiveerd.
na[cursivering door mij, A-G] een ‘act of assembly’ een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of beperking van art. 11 EVRM Pro nodig is in een democratische samenleving. Concluderend merkt de steller van het middel op dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de aanhouding van de verdachte, haar detentie op het politiebureau, de strafrechtelijke vervolging en de vraag of een schuldigverklaring nodig waren in een democratische samenleving. In dat verband is ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op de uitspraak van het EHRM in de zaak
Kudrevičius tegen Litouwen. [15] In die zaak ging het om Litouwse boeren die een geplande, maar niet aan de autoriteiten medegedeelde actie hadden gehouden waar zij op verschillende plekken snelwegen hadden geblokkeerd. De boeren werden veroordeeld voor het aanzetten tot of deelnemen aan een oproerige beweging en aan hen werd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestig dagen opgelegd. Het EHRM oordeelde in de eerste plaats dat de actie van de verzoekers viel onder het bereik van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering zoals bedoeld in art. 11 EVRM Pro. Vervolgens zag het EHRM zich voor de vraag gesteld of dit recht van verzoekers ook was geschonden en stelde daarbij onder meer voorop dat “the term “restrictions” in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards”. [16] Omdat het optreden van de verzoekers niet als gewelddadig kon worden gekwalificeerd beantwoordt het EHRM de vraag of er sprake was van een “an interference with their right to freedom of peaceful assembly” bevestigend. Pas hierna merkt het EHRM op dat een dergelijke constatering pas een schending van art. 11 EVRM Pro vormt wanneer dit – zoals eerder vooropgesteld – niet zou zijn voorzien bij wet, het niet een legitieme doelstelling zou hebben en het niet noodzakelijk zou zijn in een democratische samenleving. Concluderend komt het EHRM tot het oordeel dat de opgelegde beperkingen noodzakelijk – mede gelet op de ‘margin of appreciation’ – waren nu het de Litouwse overheid vrij stond om het belang van het waarborgen van de openbare orde zwaarder te wegen dan het recht van de demonstrerende boeren. Ondanks dat de boeren niet gewelddadig waren geweest of andere hadden opgejaagd ook mee te doen, kon het gedrag van de boeren als ‘laakbaar’ worden omschreven.