ECLI:NL:PHR:2021:1135

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2021
Publicatiedatum
29 november 2021
Zaaknummer
21/03332
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3 Tweede Aanvullend Protocol EUVArt. 23 lid 2 UitleveringswetArt. 434 lid 1 SvArt. 31 lid 7 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering aan Albanië voor fraudezaak ondanks ontbrekende pleitnota

De rechtbank Gelderland verklaarde op 16 juli 2021 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Albanië toelaatbaar vanwege strafexecutie voor een fraudefeit. De opgeëiste persoon, van Albanese nationaliteit, werd veroordeeld door de rechtbank Tirana tot vier jaar gevangenisstraf wegens oplichting.

In cassatie werd aangevoerd dat de pleitnota, overgelegd tijdens de zitting van 4 juni 2021, ontbrak in de procedure, en werd verzocht om een nadere termijn voor het indienen van middelen. De Hoge Raad stelde vast dat de pleitnota uiteindelijk op 28 september 2021 digitaal beschikbaar werd gesteld en dat de verdediging de geboden mogelijkheid om de schriftuur te wijzigen of aan te vullen niet heeft benut.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ambtshalve corrigeerde de Hoge Raad de omschrijving van het feit waarvoor uitlevering is toegestaan, aansluitend bij het uitleveringsverzoek en het vonnis van de rechtbank Tirana. De uitlevering blijft onder de voorwaarde dat de opgeëiste persoon recht heeft op een nieuwe berechting volgens het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees uitleveringsverdrag.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover de uitlevering is toegelaten zonder nadere feitelijke omschrijving, en bevestiging van de uitlevering onder de juiste feitomschrijving. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering toelaatbaar onder de juiste feitomschrijving en wijst het cassatiemiddel af.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03332 U

Zitting2 november 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de opgeëiste persoon.

Inleiding

1. Bij uitspraak van 16 juli 2021 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Albanië toelaatbaar verklaard “vanwege strafexecutie ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit” onder de “voorwaarde dat de opgeëiste persoon in overeenstemming met de Albanese wet de mogelijkheid krijgt van een nieuwe berechting waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd, zoals bedoeld in artikel 3 Tweede Pro Aanvullend Protocol EUV”. [1]
2. Namens de opgeëiste persoon is een schriftuur ondertekend en ingediend door mr M.J. Lamers, namens mw. mr F.S. Baardman, beiden advocaat te Utrecht, waarin één middel van cassatie wordt voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat de pleitnota zoals die ter zitting van 4 juni 2021 door de raadsvrouw van de opgeëiste persoon is overgelegd en die blijkens het proces-verbaal van die zitting aangehecht zou worden, zich in de procedure in cassatie niet bij de stukken bevindt. [2] In de toelichting op het middel wordt, voor zover zou blijken dat de pleitnota nog beschikbaar zou zijn, “uitdrukkelijk verzocht om het stellen van een nadere termijn, van minimaal 4 weken, voor het indienen van middelen”.
4. Voor de bespreking van het middel is van belang dat in deze zaak digitaal wordt geprocedeerd en dat de ter zitting van 4 juni 2021 overgelegde pleitnota aanvankelijk niet in het webportaal van de Hoge Raad was geplaatst. De raadsvrouw heeft mede in verband daarmee op 6 september 2021 om aanvulling van stukken verzocht. Naar aanleiding daarvan is de pleitnota door de Hoge Raad bij de rechtbank opgevraagd.
5. De behandeling van het beroep in cassatie was bepaald op 28 september 2021. Omdat de opgevraagde pleitnota op 27 september 2021 nog niet via het webportaal beschikbaar was, is op laatstgenoemde datum om 13:47 uur voormelde schriftuur ingediend en om 13:56 uur door de raadsvrouw ook nog separaat verzocht om een nadere termijn voor het indienen van middelen.
6. Op 28 september 2021 is de betreffende pleitnota in het webportaal geplaatst en is de behandeling van de zaak aangehouden tot 5 oktober 2021. Op 28 september 2021 om 12:59 uur heeft de griffier het volgende bericht voor mr. F.S. Baardman in de portaal geplaatst:
“Hierbij deel ik u mede dat de behandeling van deze zaak is aangehouden tot dinsdag 5 oktober 2021.
Gelet op het vorenstaande, is door de rolraadsheer beslist dat u in de gelegenheid wordt gesteld om tot op de dag voor de terechtzitting – met betrekking tot hetgeen door u is opgevraagd – de eerder door u ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken. Een afschrift van hetgeen door u is opgevraagd, is in het digitaal dossier geplaatst.”
7. Uit de in het webportaal geplaatste pleitnota blijkt dat deze ter zitting van 5 juni 2021 is overgelegd door mr. F.S. Baardman die de opgeëiste persoon ook in die procedure als raadsvrouw bijstond. Zij mag geacht worden bekend te zijn geweest met de inhoud van de door haar overgelegde pleitnota. [3] Tegen deze achtergrond begrijp ik de relatief korte nadere termijn die door de rolraadsheer is bepaald en de omstandigheid dat de raadsvrouw daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.
8. Van de geboden mogelijkheid om de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel het middel in te trekken is namens de opgeëiste persoon geen gebruik gemaakt. Nu de pleitnota, zoals die ter zitting van 4 juni 2021 door de raadsvrouw van de opgeëiste persoon is overgelegd, op 28 september 2021 in het webportaal is geplaatst, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Ambtshalve

9. De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard “vanwege strafexecutie ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit”. Welk feit dat is, is niet in de uitspraak vermeld. Uit de uitspraak en de door de verzoekende staat overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de uitlevering is verzocht en door de rechtbank toelaatbaar is verklaard ter zake van het feit waarvoor de verdachte door de rechtbank Tirana van 21 mei 2019 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, en naar Albanees recht wordt aangemerkt als oplichting. Dit volgt uit het uitleveringsverzoek waarnaar de rechtbank verwijst, en in de uitspraak is omschreven als “het uitleveringsverzoek d.d. 26 maart 2021 nr. 13333Prot.Bk en/Request no. 547/5 pro EB dated 11/3/2021 of the General Prosecution Office van Albanië”. Het uitleveringsverzoek, dat zich bij de stukken bevindt, heeft betrekking op de “Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court” die de rechtbank in haar uitspraak vermeldt onder de overgelegde stukken waarvan zij kennis heeft genomen als “decision no. 12, act, dated 21/5/2019 of the Tirana Judicial District”. In het vervolg sluit ik aan bij de omschrijving van de uitspraak in het uitleveringsverzoek
10. De Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court, bevindt zich bij de stukken. De uiteenzetting van de feiten beslaat meerdere pagina’s en zal ik daarom hier niet herhalen. De feiten zijn als volgt handzaam samengevat door de officier van justitie in zijn mededeling op de voet van art. 23 lid 2 Uitleveringswet Pro:
“Opgeëiste persoon zou volgens het voormelde Albanese vonnis in de periode januari 2015 tot en met 15 mei 2017 in Albanië diverse slachtoffers hebben benaderd en/of (vervolgens) beloofd dat hij, opgeëiste, de slachtoffers (in strijd met de waarheid) na betaling van een geldbedrag en/of inlevering van hun paspoorten, zou brengen en/of zou begeleiden naar de Bondsrepubliek Duitsland en/of (vervolgens) zou zorgen voor vervoer en/of werk en/of onderdak in Duitsland. Na betaling door de slachtoffers van het geldbedrag aan opgeëiste, heeft opgeëiste zich niet aan de afspraak gehouden en was hij voor de slachtoffers niet meer te bereiken en kregen zij hun geld niet terug.”
11. De Hoge Raad kan het verzuim van de rechtbank herstellen en de uitlevering toelaatbaar verklaren voor de feiten zoals die zijn omschreven in de Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court.

Slotsom

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden, anders dan de grond die ik hierboven bij randnummers 9 tot en met 11 heb weergegeven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de rechtbank de gevraagde uitlevering toelaatbaar heeft verklaard “vanwege strafexecutie ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit”, de uitlevering toelaatbaar te verklaren, onder de door de rechtbank gestelde voorwaarde, ter tenuitvoerlegging van de in het uitleveringsverzoek genoemde “Criminal Decision No. 1319, dated 21.05.2019, of Tirana Judicial District Court”, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld ter zake van de feiten zoals daarin omschreven, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Art. 3 Tweede Pro Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, Straatsburg, 17 maart 1978, houdt met betrekking tot verstekvonnissen het volgende in (
2.Vgl. art. 434 lid 1 Sv Pro jo. art. 31 lid 7 Uitleveringswet Pro.
3.Vgl. HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:243.