Conclusie
(hierna: het UWV)
advocaat: B.I. Kraaipoel
(hierna: de curator)
advocaten: S.F. Sagel & F.J.L. Kaptein
going concern’-doorstart van het gefailleerde [A] B.V. de werknemers nog recht hadden op loon van de failliet gedurende het restant van de opzegtermijn, dat wil zeggen: over de periode waarin zij reeds in dienst waren bij de doorstarter. Als geen recht op loon bestaat – zoals het hof heeft geoordeeld – dan kan van subrogatie door het UWV geen sprake zijn en heeft het UWV dus ook geen vordering op de boedel.
1.Feiten
going concern’ doorgestart. Een groot deel van de activa is overgenomen door de doorstarter en alle personeelsleden die in dienst waren van het [A] -concern zijn onder dezelfde arbeidsvoorwaarden per 11 juli 2016 bij de doorstarter in dienst getreden.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
going concern’-doorstart van het gefailleerde [A] geen recht hebben op loon van de failliet gedurende het restant van de opzegtermijn, namelijk de periode waarin zij reeds in dienst waren bij de doorstarter. Als geen recht op loon bestaat, zoals het hof heeft geoordeeld, kan van subrogatie door het UWV geen sprake zijn.
going-concern’-doorstart na faillissement tegen gelijke arbeidsvoorwaarden in dienst treedt bij de doorstarter, nog recht op loon heeft van de failliet vanaf het moment van indiensttreding bij de doorstarter (gedurende de opzegtermijn, dus tot het moment waarop die arbeidsovereenkomst met de failliet is geëindigd).
onder dezelfde arbeidsvoorwaarden(zie onder 1.4). Hiermee onderscheidt deze zaak zich van een doorstart uit faillissement waarin indiensttreding bij de doorstarter voor de werknemers een negatieve invloed op hun arbeidsvoorwaarden heeft. Ook valt de doorstart in deze procedure te onderscheiden van een faillissement waarbij individuele werknemers zelfstandig op zoek moeten gaan naar een nieuwe werkkring tegen nieuwe arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld omdat zij niet in de doorstart worden betrokken, of omdat van een doorstart geen sprake is. [4]
Smallsteps-arrest worden aangenomen dat de ‘faillissementsuitzondering’ niet geldt als sprake is van een ‘
pre-pack’, een aanduiding voor een voorafgaand aan faillissement voorbereide en na faillissement gerealiseerde doorstart. [6] Daarmee heeft de ‘faillissementsuitzondering’ van art. 7:666 onder Pro a BW een beperkter bereik kent dan de tekst daarvan doet vermoeden.
risicoregeling (waarover hierna onder 3.24 e.v.). Daartoe is het geschil in cassatie ook beperkt. Toch maak ik voor een goed begrip eerst enkele opmerkingen over de loon
garantieregeling. [7] De directe aanleiding voor deze procedure is immers de betaling door het UWV aan de werknemers, waarbij het UWV zich op het standpunt heeft gesteld dat zij tot die betalingen verplicht was op grond van de loongarantieregeling.
urenverrekening maar van
inkomensverrekening. [11] Wat onder het begrip ‘inkomen’ dient te worden verstaan, is uitgewerkt in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. [12]
op de gevolgen die het systeem in geval van faillissementen waarin een doorstart plaatsvindt, kan hebben’. In de memorie van antwoord is bevestigd dat de vertegenwoordiger van het UWV ter zitting bij de rechtbank dit heeft gezegd. [15] Het desbetreffende advies van het UWV is niet in de procedure overgelegd en ik heb het ook niet elders kunnen vinden. [16]
voorzienbaarwas dat in situaties als de onderhavige het verrekenen van loonvervangende uitkeringen met in diezelfde periode ontvangen loon bij de doorstarter, problematisch kan zijn. Of dit verrekeningsprobleem ook geldt in andere situaties waarin verrekend moet worden, kan ik niet overzien. Bovendien blijkt hieruit dat het probleem niet zozeer is dat de werknemer zowel betalingen onder de loongarantieregeling als inkomen van de doorstarter ontvangt, maar veeleer dat de verrekeningsregels tekort schieten en ertoe leiden dat, ondanks verrekening, de werknemer méér ontvangt dan zonder faillissement het geval zou zijn geweest.
aan de werknemer rechtens verschuldigd ismet uitzondering van vakantiegeld en vakantiebijslag;
vorderingen van de werknemer (…) op de werkgever, bedoeld in artikel 64, eerste lid’ is vanzelfsprekend geen sprake indien de werkgever geen loon verschuldigd zou zijn. Dat het UWV in de rechten van de werknemer treedt, is een vorm van subrogatie. [18]
toerekening naar redelijkheid, zo besliste de Hoge Raad in 1962. [27] In 1972 heeft Hoge Raad overwogen dat het aankomt op de vraag of de oorzaak van het niet verrichten van de arbeid meer in de
risicosfeervan de werkgever dan in die van de werknemer ligt. [28] Onder deze benadering worden de bepalingen uit de loonrisicoregeling niet langer op zichzelf maar in onderling verband beschouwd. [29] Kortom: deze bepalingen brengen tezamen de materiële rechtsregel tot uitdrukking.
voorzienbaarheidvan een gebeurtenis: voorzienbare gebeurtenissen kunnen de werkgever worden toegerekend. Ook wordt het
profijt- en beïnvloedingsbeginselgenoemd: wie heeft profijt van een bepaalde handeling en wie is in staat de verwezenlijking van het risico te beïnvloeden. [34] Deze gezichtspunten kunnen bijdragen aan de oordeelsvorming in concrete gevallen, maar zijn geen uitputtende opsomming.
van zuiver feitelijke aard’. [38] Dát een werknemer niet bereid is om de bedongen arbeid te verrichten, hoeft niet uitdrukkelijk door de werknemer te worden verklaard maar kan ook uit feitelijke gedragingen worden afgeleid. [39]
Hema/ […] II-arrest uit 2003. De Hoge Raad overwoog daarin het volgende (mijn onderstreping): [40]
4.3 (…) Ofschoon het in art. 7A:1638d lid 1 (oud) BW neergelegde element dat de werknemer om aanspraak te kunnen maken op loon zonder dat hij arbeid heeft verricht, bereid moet zijn geweest de bedongen arbeid te verrichten, in het huidige art. 7:628 lid 1 BW Pro niet is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat beoogd is in laatstgenoemde bepaling de bestaande rechtspraak te codificeren; vgl. de (…) memorie van toelichting (…). Dit betekent enerzijds dat zowel volgens art. 7A:1638d lid 1 (oud) als volgens art. 7:628 lid 1 voor Pro het geval de werknemer niet de bedongen arbeid heeft verricht, als uitgangspunt heeft te gelden dat hij om aanspraak te maken op loon bereid moet zijn geweest de bedongen arbeid te verrichten, maar anderzijdsdat volgens beide genoemde bepalingen niet is uitgesloten dat ondanks het ontbreken van bereidheid toch aanspraak op loon bestaat, te weten indien ondanks het ontbreken van bereidheid moet worden aangenomen dat de arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen.(…)”
uitblinkt in vaagheid’. [47] Dat hoeft niet problematisch te zijn, nu – in de woorden van de Hoge Raad in 2018 – met toepassing van de loonrisicoregeling kan worden bereikt dat het voortduren van de arbeidsovereenkomst in voorkomend geval niet tot een onredelijk resultaat leidt. [48]
going-concern’-doorstart na faillissement tegen gelijke arbeidsvoorwaarden in dienst treedt bij de doorstarter, vanaf het moment van indiensttreding bij de doorstarter geen recht heeft op loon van de failliet.
In die specifieke omstandighedenligt het niet-werken meer in de risicosfeer van de werknemer dan in de risicosfeer van de failliet/curator. Dat leidt tot een redelijke uitkomst: de onder die omstandigheden in de doorstart betrokken werknemer hoeft er financieel niet op vooruit te gaan ten koste van de overige faillissementsschuldeisers.
subsidiairof
alsnog) opzegt tegen de datum van indiensttreding bij de doorstarter, hetzij met alle werknemers een vaststellingsovereenkomst sluit ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst per datum indiensttreding bij de doorstarter, ligt mijns inziens minder voor de hand. [51] Met betrekking tot de opzegging: de curator
heeftde arbeidsovereenkomsten al opgezegd met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. Niet duidelijk is op welke rechtsgrond de curator daarna alsnog tegen een veel eerdere termijn zou kunnen opzeggen. Met betrekking tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten: het zou een aanzienlijke complicatie van het doorstarttraject (dat in dit geval enkele dagen besloeg) opleveren als de curator jegens de potentiële koper als voorwaarde zou moeten stellen dat eerst met álle werknemers dergelijke overeenkomsten zijn gesloten, terwijl die koper daar zelf geen belang bij heeft. Ik zie ook niet dat een werknemer onmiddellijk gemotiveerd is om een vaststellingsovereenkomst aan te gaan met de curator tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een failliete onderneming, in de situatie dat (i) die arbeidsovereenkomst reeds is opgezegd, (ii) de werknemer onder precies dezelfde arbeidsvoorwaarden in dienst kan treden bij de doorstarter en (iii) dit een overgang
going concernis.
common practice’ is, zoals het UWV stelt (s.t. onder 6.7), heb ik nergens bevestigd gezien. Daarmee zie ik ook onvoldoende grond voor de gedachte dat de curator in deze zaak een fout zou hebben gemaakt, zoals het UWV in cassatie vrij uitvoerig betoogt. In feitelijke instanties is die stelling ook niet verder onderbouwd.
4.2 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad mag van een curator in een faillissement worden verlangd dat hij er alles aan doet om een beroep op hoofdstuk IV van de WW zoveel mogelijk te beperken. Daartoe behoort een - rechtsgeldige - opzegging tegen een zo vroeg mogelijke datum. (…)”
curatoren niet aan de hand van de verhouding tussen werknemers en het UWV. Dat betekent dat de vraag of de werknemers bereid waren de bedongen arbeid te verrichten (voor de boedel) moet worden beantwoord vanuit het perspectief van de curator niet dat van het UWV. En evenzo moet de vraag in wiens risicosfeer het niet verrichten van de arbeid ligt, worden beantwoord in de verhouding tussen de boedel en werknemer en dus niet tussen het UWV en werknemer.
Geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht.’ Op dit principe ‘geen arbeid, geen loon’ vormde het destijds geldende art. 7:628 lid 1 BW Pro een uitzondering: ‘
De werknemer behoudt het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen.’ (rov. 4.7, in cassatie onbestreden)
going concern’-verkoop van de onderneming aan de doorstarter geen werk meer had voor deze werknemers, maakt in dit geval niet dat de hiervoor genoemde uitzondering van art. 7:628 lid 1 BW Pro (oud) van toepassing is (rov. 4.8, tweede t/m zesde volzin, in cassatie bestreden met onderdeel II).
Hema/ […] II(zie onder 3.33 en 3.34) – of zich de situatie voordoet dat ondanks het ontbreken van bereidheid toch aanspraak op loon bestaat, namelijk omdat de arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Die laatste vraag heeft het hof ontkennend beantwoord, zo volgt uit rov. 4.8.
Het feit dat de curator met de verkoop van de onderneming “going concern” aan de doorstarter geen werk meer had voor deze werknemers, maakt in dit geval niet dat de hiervoor genoemde uitzondering van artikel 7:628 lid 1 BW Pro (oud) van toepassing is.[3.]
Met de doorstart heeft de curator de voltallige werkgelegenheid kunnen waarborgen, waardoor logischerwijs alle ondernemingsactiviteiten met de bijbehorende werkzaamheden (arbeid) naar de doorstarter zijn overgegaan.[4.]
Bij die doorstarter verrichtten de werknemers vervolgens de bedongen arbeid die zij voorheen bij de gefailleerde werkgever verrichtten.[5.]
Met het accepteren van de arbeidsovereenkomst onder gelijkluidende voorwaarden bij de doorstarter, zijn de werknemers hiermee akkoord gegaan en zij waren daardoor niet meer beschikbaar voor de bedongen arbeid bij [A] .[6.]
Dit is naar het oordeel van het hof onder deze omstandigheden geen oorzaak die in redelijkheid voor rekening van [A] behoort te komen, zodat de uitzondering zoals is neergelegd in 7:628 lid 1 BW (oud) niet van toepassing is. (…)”
steedstot toepassing van art. 7:628 lid 1 BW Pro (oud) zou moeten leiden. Die rechtsregel bestaat niet en een dergelijke regel verhoudt zich ook niet goed met de beoordeling aan de hand van alle omstandigheden van het geval (zie onder 3.30 en 3.36). De rechtsklacht faalt dus.
going-concern’-doorstart na faillissement tegen gelijke arbeidsvoorwaarden in dienst treedt bij de doorstarter, vanaf het moment van indiensttreding bij de doorstarter geen recht heeft op loon van de failliet en dat in die specifieke omstandigheden het niet-werken meer in de risicosfeer van de werknemer dan in de risicosfeer van de failliet/curator ligt (zie onder 3.38). Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof, zoals ontleed onder 3.67-3.68, niet onbegrijpelijk. Het hof heeft immers geoordeeld dat de curator geen werk meer voor de werknemers had en dat de werknemers tegen gelijke arbeidsvoorwaarden in dienst zijn getreden bij de doorstarter.
eerste stelling, dat de curator de onderneming van de failliete werkgever aan de doorstarter heeft overgedragen, heeft het hof kenbaar in zijn oordeelsvorming betrokken (zie rov. 4.8, tweede volzin). Datzelfde geldt voor de
tweede stelling, dat de failliete werkgever daardoor geen werk meer heeft voor de werknemers, zoals blijkt uit rov. 4.8, derde volzin. De
derde stellingis dat de werknemers bereid waren de bedongen arbeid te verrichten. Ook deze stelling heeft het hof in zijn oordeelsvorming betrokken, zij het dat het hof heeft geoordeeld dat de werknemers niet meer beschikbaar waren voor de bedongen arbeid bij [A] (rov. 4.8, vijfde volzin). Eveneens heeft het hof in zijn oordeelsvorming betrokken dat de werknemers door toedoen van de curator niets meer voor hun oude werkgever konden doen (de
vierde stelling), zo ligt besloten in de tweede en derde volzin van rov. 4.8. Eveneens heeft het hof onder ogen gezien dat de curator zelf de doorstart overeen is gekomen en dat hij er dus voor heeft gezorgd dat de doorstarter alle werknemers een nieuwe arbeidsovereenkomst aanbood (de
vijfde stelling), zo blijkt uit de derde, vierde en vijfde volzin van rov. 4.8. De
zesdeen
zevende stellinghouden in dat het faillissement van een werkgever in beginsel voor risico van de werkgever komt en dat de verkoop door de curator van de onderneming voor risico van de (curator en dus) werkgever komt. Het hof heeft in het midden kunnen laten of deze stellingen in zijn algemeenheid juist zijn, nu het hof in de omstandigheden van het geval aanleiding heeft gezien om het niet-werken voor rekening en risico van de werknemers te laten. Daarmee was er geen aanleiding voor het hof om de, daarop haaks staande, concluderende stelling van het UWV nog expliciet te bespreken. Als
achtste stellingnoemt het UWV haar stelling dat de wetenschap van en betrokkenheid bij de doorstart voor risico van de (curator en dus) de werkgever komt. Voor zover het om de
betrokkenheidvan de curator gaat, is dit een herhaling van eerder besproken stellingen. De stelling dat de curator
wetenschaphad van de doorstart, heeft geen zelfstandige betekenis en kon dus onbesproken blijven. De
negende stellinghoudt in dat het feit dat de curator niet heeft bewerkstelligd dat de opzegtermijn zou worden verkort tot 11 juli 2016, voor rekening van de curator en dus de werkgever komt. Het hof hoefde hier niet afzonderlijk op te responderen. Dat dergelijk handelen niet van de curator kon worden verwacht, ligt immers besloten in het oordeel van het hof dat de werknemers per datum doorstart geen recht op loon meer hadden jegens de failliet; verdere actie was dus niet vereist. Als
tiende stellingverwijst het UWV naar haar stelling dat de werknemers lijdend voorwerp waren van de doorstart, nu zij geen enkel moment actief in beeld waren. Het hof heeft deze stelling beoordeeld en verworpen, zo volgt uit rov. 4.8, vijfde volzin. De
elfde stelling, in de procesinleiding als ‘concluderend’ aangemerkt, is dat alle handelen en nalaten heeft plaatsgevonden aan de zijde van de werkgever/curator. Het hof heeft deze stelling uitdrukkelijk verworpen, waar het in rov. 4.8, vierde en vijfde volzin, overweegt dat de werknemers onder gelijkluidende voorwaarden bij de doorstarter een arbeidsovereenkomst hebben geaccepteerd, waarmee ze akkoord zijn gegaan om hun arbeid niet langer voor [A] maar voor de doorstarter te verrichten.