ECLI:NL:CRVB:2009:BI5948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over dag van opzegging bij faillissement en overname betalingsverplichtingen WW
Appellant was sinds maart 2004 in dienst bij een werkgever die op 19 december 2006 failliet werd verklaard. De curator stelde het ontslag pas op 29 januari 2007 met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. Appellant vroeg het UWV om overname van betalingsverplichtingen, maar het UWV stelde de opzegtermijn vast tot en met 30 januari 2007, uitgaande van de faillissementsdatum als redelijke opzegdatum.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het instellen van hoger beroep tegen het faillissement geen reden was om het ontslag uit te stellen. In hoger beroep betwist appellant dit en wijst op toestemming van de rechter-commissaris en de reden om schadeclaims te voorkomen.
De Raad overweegt dat de curator er alles aan moet doen om het beroep op de WW te beperken door een zo vroeg mogelijke opzegging. Het instellen van hoger beroep tegen het faillissement is geen geldige reden om de opzegging uit te stellen. De Raad bevestigt dat het UWV terecht uitgaat van de faillissementsdatum als redelijke opzegdatum en dat het besluit van het UWV juist is.
Klachten over de behandeling van medewerkers en het uitblijven van betaling door het UWV doen niet af aan de juistheid van het besluit. De Raad wijst erop dat eventuele nabetalingen uit de boedel worden gecompenseerd met de WW-uitkering. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de faillissementsdatum als redelijke dag van opzegging geldt en wijst het hoger beroep van appellant af.