Conclusie
(hierna: [verzoeker] )
verzoeker tot cassatie
advocaat: mr. K. Teuben
(hierna: [verweerster] )
niet verschenen
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
opzet of bewuste roekeloosheidvan de werknemer. Van opzet is sprake bij het willens en wetens toebrengen van schade, van een vooropgezet plan om schade te veroorzaken, dus wanneer de werknemer het oogmerk had om de schade te veroorzaken. [19] Van bewuste roekeloosheid is sprake als de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan zijn gedraging
daadwerkelijk bewustwas van het roekeloze karakter daarvan, [20] aldus steeds het subonderdeel. Weliswaar heeft het hof in rov. 3.13 de juiste maatstaf vooropgesteld (waar het overweegt dat is vereist dat [verzoeker] zich
daadwerkelijk bewustwas van het roekeloze karakter van zijn gedraging), maar bij de uitwerking daarvan in de rov. 3.14-3.16 is het hof die maatstaf uit het oog verloren. Het hof heeft daar namelijk overwogen dat [verweerster] zich bewust ‘had moeten zijn’ van het feit dat het vertrouwen van [verweerster] in hem precair was (rov. 3.14) en dat [verzoeker] ‘heeft moeten begrijpen’ dat [verweerster] het verzenden van de e-mails zwaar zou opnemen en erop zou staan dat deze zouden worden verwijderd (rov. 3.16).
opzetin de zin van art. 7:661 BW Pro is door de Hoge Raad tot op heden nog niet van een nadere uitleg voorzien. Het begrip kan aldus worden omschreven, dat sprake is van opzet bij het willens en wetens toebrengen van schade, bij een vooropgezet plan om schade te veroorzaken, dus wanneer de werknemer het oogmerk had om de schade te veroorzaken. [25]
City Tax [26] heeft de Hoge Raad bepaald dat het begrip
bewuste roekeloosheidin art. 7:661 BW Pro op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het gelijkluidende begrip in art. 7:658 lid 2 BW Pro. In die zaak ging het om de vraag of sprake was van opzettelijk of bewust roekeloos handelen door een taxichauffeur die ’s nachts een weg was ingereden die was afgesloten door een wegafzetting (voorzien van het verkeersbord ‘afgesloten voor alle verkeer’, met de vermelding ‘uitgezonderd bestemmingsverkeer’), en vervolgens met zijn taxi in een uitgefreesd gedeelte van het wegdek terecht kwam, waardoor de taxi beschadigd raakte. Het hof oordeelde dat geen sprake was van bewust roekeloos handelen. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte een subjectieve in plaats van een objectieve maatstaf had aangelegd, waarbij werd gesteld “
negeert iemand een inrijverbod, dan handelt hij bewust roekeloos en is er voor hem rechtens geen ruimte voor een eigen, subjectieve, risicoafweging”. Deze klacht werd door de Hoge Raad als volgt verworpen (rov. 3.4.2):
bewustroekeloos gedrag in de zin van art. 7:661 lid 1 BW Pro, de maatstaf geldt die de Hoge Raad voor art. 7:658 lid 2 BW Pro heeft geformuleerd in het arrest
Pollemans/Hoondert, [27] namelijk dat pas van bewuste roekeloosheid sprake is indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ‘ongeval’ (algemener gezegd: het schadeveroorzakend handelen) voorafgaande gedraging van het roekeloze karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust is geweest.
roekeloosgedrag als bedoeld in art. 7:661 BW Pro is wel afgeleid uit het arrest
[…] /Akzo Nobel. Op basis van de overwegingen van de Hoge Raad in dit arrest [28] wordt wel aangenomen dat sprake is van een roekeloze gedraging als ‘de werknemer zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen gevaar had behoren te onthouden’. [29]
City Taxen
[…] /Akzo Nobelvolgt dat de toets of sprake is van bewuste roekeloosheid bestaat uit drie componenten, die hij als volgt weergeeft: [30]
roekeloos);
bewustroekeloos);
[…] / […]heeft de Hoge Raad evenwel de stelplicht voor de werkgever met betrekking tot de bewuste roekeloosheid verlicht. [33] Uit dat arrest volgt dat de werkgever wat betreft het element ‘bewust’ aan zijn stelplicht heeft voldaan, als uit de door hem gestelde feiten en omstandigheden naar objectieve maatstaven kan worden afgeleid dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het schadeveroorzakende handelen (‘het ongeval’) daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag (en de werknemer daar onvoldoende tegenover heeft gesteld). Het ligt op de weg van de werknemer om feiten en omstandigheden te stellen die kunnen ontzenuwen dat van een zodanig bewustzijn sprake was. [34]
City Taxdat het begrip bewuste roekeloosheid in art. 7:661 lid 1 BW Pro en art. 7:658 lid 2 BW Pro op gelijke wijze moet worden uitgelegd, in de literatuur niet alleen bijval heeft gekregen, maar ook op ‘stevige kritiek’ is gestuit. Daarbij is volgens de A-G langs verschillende lijnen gepleit voor aanpassing van de norm bij art. 7:661 BW Pro. [35] A-G Van Peursem onderscheidt hierbij drie lijnen van kritiek in de literatuur, die hij in zijn conclusie uitvoering bespreekt (onder 2.16-2.18). De eerste lijn van kritiek is dat een gelijkschakeling van het begrip bewuste roekeloosheid uit art. 7:661 en Pro art. 7:658 BW Pro vanuit wetshistorisch en systematisch perspectief niet voor de hand ligt. De tweede door de A-G onderscheiden lijn van kritiek houdt in dat de door de Hoge Raad gekozen subjectieve benadering tot gevolg heeft dat bewuste roekeloosheid uitgelegd als een psychische gesteldheid van de werknemer, door de werkgever zeer moeilijk te bewijzen is en dat het de vraag is of dat wenselijk is. De derde lijn van kritiek is dat de maatstaf uit
Pollemans/Hoondertminder geschikt lijkt voor gevallen waar sprake is van een gedraging of een samenstel van gedragingen over een langere periode waarbij de werknemer langer de tijd heeft om de gevolgen van zijn handelingen te overwegen.
een tendens [is] te zien naar het zoeken van de aansprakelijkheidsgrenzen voor bewuste roekeloosheid uit art. 7:661 BW Pro zonder strikt de hand te houden aan een rigide subjectieve bewuste roekeloosheidstoets in gevallen dat de beschermingsgedachte voor een werknemer ook niet direct als eerste gedachte opkomt. Te signaleren valt althans een objectiveringstendens, (…).”
City Taxaanleiding is om in het kader van art. 7:661 BW Pro om een soepeler criterium te hanteren, waarbij – zo voeg ik toe – ruimte is voor objectivering van de aanwezigheid van bewuste roekeloosheid bij de werknemer. [37] De Hoge Raad heeft de cassatieklachten tegen de wijze waarop het hof heeft getoetst of sprake is van bewuste roekeloosheid in de zin van art. 7:661 BW Pro echter met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro verworpen. [38]
bij de uitvoering van de overeenkomstschade toebrengt. Dit aspect, dat volgens de Hoge Raad wil zeggen: “
bij de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden” [39] , [40] , blijft kennelijk vaak onbelicht. [41] Zo ook in de procedure tussen [verweerster] en [verzoeker] . Het ligt mijns inziens niet direct voor de hand dat in deze zaak sprake is van schadeveroorzaking
bij de uitvoering van de overeenkomst. De e-mails zijn immers verzonden
nadat[verzoeker] was vrijgesteld van werkzaamheden, terwijl ook geen sprake lijkt te zijn van enig verband met de uitvoering van werkzaamheden. In tegendeel: [verzoeker] heeft gesteld dat hij dacht deze informatie nodig te hebben in het kader van een mogelijke ontslagprocedure. [42] Zo bezien had het wellicht meer in de rede gelegen de gevorderde schade te beoordelen op de subsidiaire en/of meer subsidiaire grondslagen (art. 7:611 BW Pro en art. 6:162 BW Pro, zie onder 2.2).
wistdat het doorzenden van tenminste 122 e-mails met bedrijfsgevoelige informatie naar privéadressen buiten de systemen van [verweerster] niet was toegestaan en in strijd was met het IT-reglement;
wist– dus zich ervan bewust was – dat het in strijd met het IT-reglement doorzenden van e-mails met bedrijfsgevoelige informatie, op een moment dat hij al vrijgesteld was van werk en met [verweerster] in gesprek was over beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een aanmerkelijke kans op schade voor [verweerster] opleverde, en of [verzoeker] zich direct voorafgaand aan het doorzenden van de bedrijfsgevoelige informatie naar privé-emailadressen daarvan daadwerkelijk bewust is geweest.
bewustheidbestond, direct voorafgaand aan zijn gedraging, dat die gedraging de aanmerkelijke kans op schade bij [verweerster] oplevert. Hierbij is nog aan te tekenen dat het oordeel dat bij een persoon bewustheid van een bepaalde omstandigheid (c.q. mogelijkheid) bestaat, zich moeilijk anders laat motiveren dan dat wordt nagegaan
of die bewustheid redelijkerwijs kan worden aangenomen. Dat is dus ook wat het hof heeft beoordeeld. Niemand kan immers in het hoofd kijken van een ander, laat staan twee jaar na dato, en de rechter kan dat ook niet. Of sprake is van een toereikende motivering op het punt van de bewustheid, zal dan in een concreet geval vooral afhangen van wat hierover is aangevoerd door degene die de bewustheid betwist. Dit komt aan de orde bij subonderdeel 1.3.
klacht 1). Voorts stelt het subonderdeel dat het hof niet (kenbaar en voldoende gemotiveerd) is ingegaan op de feiten en omstandigheden waarop [verzoeker] heeft gewezen ten aanzien van de context waarbinnen het doorsturen van de e-mails plaatsvond (
klacht 2). Het betreft de volgende feiten en omstandigheden (samengevat weergegeven), die er volgens het subonderdeel op wijzen dat [verzoeker] zich niet daadwerkelijk ervan bewust was dat zijn gedraging(en) een roekeloos karakter droeg(en):
onder (i)heeft het hof onder ogen gezien en verworpen, blijkens de overweging aan het slot van rov. 3.14. Het hof overweegt daar dat de stelling van [verzoeker] dat hij de informatie nodig zou hebben in het kader van een ontslagprocedure, geen overtuigende verklaring is, gelet op de aard op de informatie.
onder (ii)door het hof terzijde is geschoven. Nu het hof de verklaring van [verzoeker] voor het doorsturen van de vertrouwelijke informatie, namelijk dat hij die nodig had in het kader van een ontslagprocedure, niet overtuigend acht, volgt daaruit immers dat [verzoeker] (ook achteraf) geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor het doorsturen van de informatie. Dat is ook expliciet overwogen in rov. 3.14, vierde volzin. Daarmee is de mogelijkheid opengebleven dat [verzoeker] wél de bedoeling had om de e-mails door te sturen naar derden; enige andere plausibele verklaring is immers niet gegeven door [verzoeker] zodat het hof de stelling onder (ii) impliciet heeft verworpen. Ook hier geldt wat ik al eerder opmerkte: aangezien de rechter niet in het hoofd van een persoon kan kijken, moet de bedoeling van een bepaald handelen worden afgeleid uit wat daarover redelijkerwijs kan worden vastgesteld op basis van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij specifiek van belang is wat daarover door de desbetreffende partij is aangevoerd en aannemelijk is gemaakt.
ontbreken van schadeaan de zijde van [verweerster] . De stelling is dus niet ingenomen in de context van de cassatieklacht, die betrekking heeft op de vraag of sprake is van opzet en/of bewuste roekeloosheid. Daarmee was er geen aanleiding voor het hof om nader in te gaan op die stelling.
onder (iii)dat in de overwegingen van het hof besloten ligt dat die stelling, wat daarvan ook zij, niet kan afdoen aan het oordeel van het hof over het handelen van [verzoeker] . De beoordeling van het hof spitst zich immers toe op het doorsturen door [verzoeker] van tenminste 122 e-mails met bedrijfsgevoelige informatie
in een periode dat hij geen werkzaamheden meer verrichte voor [verweerster](rov. 3.14, vierde volzin, vgl. ook rov. 3.16, tweede volzin). Ik merk hierbij nog op dat door [verzoeker]
nietis gesteld dat hij meende dat het hem was toegestaan die informatie door te sturen, ondanks het bepaalde in het IT-reglement (zie ook onder 3.28). Zijn stellingen komen er voornamelijk op neer dat hij van mening was daartoe gerechtigd te zijn met het oog op een ontslagprocedure. Weliswaar heeft hij ook in zijn algemeenheid gesteld dat hij eerder ook e-mails heeft verzonden naar privé-emailadressen, maar niet is gesteld dat [verweerster] daarvan op de hoogte is geweest. Ook is in het midden gebleven welke informatie in die e-mails was opgenomen.
(…). Met name onderbouwt de kantonrechter niet waarom [verzoeker] op het moment van het doorsturen wist of moest weten dat hij bedrijfsgevoelige informatie doorstuurde. Daarbij dient te worden meegewogen dat [verweerster] in [de procedure over vernietiging van het ontslag op staande voet] enkel heeft gesteld dat slechts vijf van de in totaal 150 e-mails bedrijfsgevoelige informatie bevat. Nota bene: het is [verweerster] dat het aantal van 150 heeft genoemd. [verzoeker] heeft al gedurende vele jaren mails doorgestuurd naar zijn prive adressen (en dat is ook niet betwist door [verweerster] ), dus het zijn er in zijn ogen veel meer.” De bewuste stelling (althans het deel dat [verzoeker] al gedurende vele jaren e-mails heeft doorgestuurd naar zijn privéadressen) is dus slechts betrokken in het kader van het aantal doorgestuurde e-mails. Bij § 200 is vermeld dat de verwijten aan [verzoeker] zijn ‘opgeklopt’. Daarmee was er geen aanleiding voor het hof om nader in te gaan op die stelling.