Conclusie
Nummer19/05584 E
middelbetreft de vrijspraak van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde. Voorafgaand aan de bespreking van het middel geef ik eerst de tenlastelegging en ’s hofs overwegingen weer.
De tenlastelegging en de overwegingen van het hof
Vrijspraak feit 1
EVOA
Marpol
lozingvan die afvalstoffen. In dit geval is geen sprake van het lozen van produced water. Gelet op de begripsomschrijving van "schadelijke stof" in artikel 2, lid 2 Marpol kan het produced water in deze zaak zonder twijfel als een schadelijke stof in de zin van Marpol worden aangemerkt.
Unified Interpretations of Annex I, onderdeel 56, dat als volgt luidt:
De bespreking van het middel
produced wateronder het bereik van MARPOL valt. De bepalingen van dit verdrag zouden inhouden dat
produced waterniet onder het begrip ‘lozen’ in art. 2, derde lid, onder a van MARPOL valt.
Artikel 1
Artikel 2
Begripsomschrijvingen
.„Voorschriften”: de voorschriften vervat in de Bijlagen bij dit Verdrag.
.„Schadelijke stof”: elke stof die, indien zij in de zee terechtkomt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan de zeeflora en -fauna, de recreatiemogelijkheid die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op ander rechtmatig gebruik van de zee; de term omvat elke stof die op grond van dit Verdrag aan toezicht is onderworpen.
Legal analysis of the application of the Basel Convention to hazardous and other wastes generated on board ships’ van 18 februari 2013. [5] In deze
Legal analysiswordt in verband met het begrip ‘
normal operations’ oftewel ‘gewone exploitatie’ het standpunt betrokken ‘
that is is primarily the nature of the wastes involved’ dat de reikwijdte van het Verdrag van Bazel bepaalt, en dat het eerste deel van art. 1, vierde lid, van het verdrag ‘
should be taken to mean “MARPOL wastes”’. Het hof leidt uit een en ander af dat afvalstoffen die vallen binnen het bereik van MARPOL buiten het bereik van het Verdrag van Bazel en de EVOA vallen, tot het moment dat die afvalstoffen aan wal zijn gelost. Dat standpunt wordt in cassatie niet bestreden (en komt ook juist voor). [6] MARPOL zou alleen niet van toepassing zijn omdat niet van ‘lozen’ in de zin van art. 2, derde lid, onder a MARPOL sprake is.
produced wateronder MARPOL valt primair bepaald wordt ‘door de bij Marpol behorende bijlagen en niet door de wijze waarop de stof is ontstaan’. [8] Vervolgens noemt het hof twee voorschriften uit bijlage I bij MARPOL die in dit verband relevant zouden zijn. Die bijlage bevat ‘Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door olie’.
produced water. Dat brengt het hof tot het oordeel ‘dat een redelijke uitleg van de uitzondering van artikel 2, lid 3, sub b onder ii Marpol, gelet op de doelstelling van dit verdrag, meebrengt dat die uitzondering aldus moet worden begrepen dat zij ziet op de situatie waarin het direct vrijkomen in zee van schadelijke stoffen bij de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen in de zeebodem, onvermijdelijk is en niet kan worden voorkomen.’
produced waterwaar in deze zaak sprake van is wel gesproken kan worden van een schadelijke stof die vrijkomt als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden als genoemd in art. 2, derde lid, onder b, MARPOL. Ter onderbouwing wijst de steller van het middel op een passage in de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet van MARPOL. Deze passage houdt het volgende in: [9]
produced water’kan worden aangemerkt als een schadelijke stof die als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden is vrijgekomen. Uit art. 11 van Pro het Verdrag inzake de Internationale Maritieme Organisatie volgt dat de MEPC (in de Nederlandse vertaling: Commissie ter bescherming van het maritieme milieu) één van de onderdelen van deze organisatie is (zie nader hoofdstuk 9). [10] Als bijlage I bij een resolutie van 22 juli 2005 heeft de MEPC ‘
Recommended provisions of the revised Marpol Annex I for application to FPSOs and FSUs’ aanvaard. [11] Daarin staat bij art. 2, derde lid, onderdeel b, sub ii, in verband met de definitie van lozing (‘
discharge’) het volgende: ‘
In accordance with Reg. 39 and UI 50, produced water, offshore processing drainage and displacement water are not included in the meaning of discharge’. [12]
produced water, dat bij het oppompen van olie meekomt, kan worden aangemerkt als een schadelijke stof die als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden vrijkomt. In zoverre het hof ervan uitgaat dat de uitzondering van art. 2, derde lid, onderdeel b, sub ii, MARPOL aldus moet worden begrepen dat zij slechts ziet op het direct in zee vrijkomen van schadelijke stoffen, getuigt ’s hofs oordeel dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof dat MARPOL van toepassing is berust evenwel niet alleen op een restrictieve uitleg van de begrippen ‘vrijkomen’ en ‘rechtstreeks gevolg’. Het hof heeft (onder 4) vastgesteld dat sprake is van opgeslagen en nadien bewerkt
produced water. En het hof heeft overwogen dat bedoelde uitzondering zich temeer niet voordoet ‘nu in verband met de opslag op enig moment chemicaliën aan het oliehoudende water zijn toegevoegd’.
Unified Interpretations of Annex I,onderdeel 56. [13] Daarin is over ‘
the operation of fixed or floating platforms covered by this regulation when engaged in the exploration and exploitation of mineral resources’opgemerkt dat alleen
‘the discharge of machinery space drainage and contaminated ballast should be subject to Marpol’. De lozing (
discharge) van
production wateris volgens de tekst van dit randnummer toegelaten. De steller van het middel meent dat
production waterin deze context niet anders gelezen kan worden dan als
produced water.
guideline’ meebrengt dat van een – toegelaten – lozing in zee van
production watergelet op voorschrift 39 alleen sprake kan zijn als het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning niet hoger is dan 15 delen per miljoen. Die lezing sluit naar het mij voorkomt aan bij de eerdergenoemde resolutie van de MEPC. Daarin wordt de definitie van lozing overeenkomstig voorschrift 39 van de Bijlage bij MARPOL zo uitgelegd dat
produced waterdaar niet in begrepen is. Voorschrift 39 kent slechts de uitzondering die het hof noemt. Mede gezien de vaststelling van het hof (onder 1) dat het
produced waterin de onderhavige zaak naast water en olie ook ‘diverse soorten chemicaliën’ bevatte die [medeverdachte] had toegevoegd ‘om bewaring in de ballast tanks mogelijk te maken’ is het hof kennelijk van oordeel dat het
produced water, gelet op de samenstelling daarvan, als ‘
contaminated ballast’ kan worden gezien en dus – ook volgens de tekst van randnummer 56 van de
Unified Interpretations- onder het regime van MARPOL kan worden geschaard. Dat is niet onbegrijpelijk.
produced water, opgevat als water dat bij het oppompen van olie uit een bron meekomt, in beginsel een schadelijke stof is die vrijkomt als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden. Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat het
produced waterwaar het in de onderhavige zaak om gaat naast water en een te hoge concentratie olie diverse soorten chemicaliën bevatte (
methanol, corrosion inhibitor, scale inhibitor, emulsion breakeren
biocides) ten behoeve van de opslag van dat water, in eerste instantie op de FPSO [A] en later aan boord van het zeeschip [naam] . [15] Het hof heeft ook op die grond geoordeeld en kunnen oordelen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een schadelijke stof die vrijkomt als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden.
produced waterwaar de tenlastelegging over spreekt onder het MARPOL valt, volgt dat het lossen aan wal van het
produced waterniet onder het regime van de EVOA valt. Dat brengt mee dat de vrijspraak van feit 1, die naar ik begrijp berust op het oordeel dat de verdachte niet in strijd heeft gehandeld met art. 41 van Pro de EVOA nu deze verordening niet van toepassing is, [16] niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk is. [17] Het hof heeft het bestreden oordeel voorts toereikend gemotiveerd.