Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 2.19 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof in strijd met de devolutieve werking van het hoger beroep niet ambtshalve opnieuw de juistheid van de bewijslastverdeling heeft beoordeeld.
Partijen hebben geen grieven gericht tegen deze bewijsopdrachten, zodat deze het Hof tot uitgangspunt strekken. De vraag is dan of CHH erin is geslaagd het gevraagde bewijs te leveren. Het Hof is van oordeel dat dit niet het geval is.Daartoe is het volgende redengevend.”
Liabilities.
subonderdelen 2.1-2.3zien op het oordeel van het hof met betrekking tot de vordering van [betrokkene 4] in rov. 2.15-2.16 en 2.18-2.19. In de inleiding op deze subonderdelen wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat CHH slechts de door haar overgelegde cheques aan de vordering van [betrokkene 4] ten grondslag heeft gelegd. Deze klacht wordt in de subonderdelen 2.1 en 2.2 uitgewerkt. Subonderdeel 2.3 bevat slechts een klacht die voortbouwt op de voorgaande klachten.
het Hof begrijpt: van [betrokkene 4]) giraal is betaald.’. Ook de getuige [betrokkene 10], voormalig consultant van SMU, verklaart dat zij eind 2007 het bericht kreeg dat onder andere [betrokkene 4] bereid was om geld ter beschikking te stellen om de kosten van SMU te betalen. Zij verklaart niet te weten hoe [betrokkene 4] deze gelden ter beschikking van SMU zou hebben gesteld. De getuige [betrokkene 5] verklaart niets over de wijze waarop [betrokkene 4] gelden ter beschikking zou hebben gesteld aan SMU.
subonderdelen 2.4-2.7zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.17 met betrekking tot de vordering van [betrokkene 5] . Het hof heeft daar overwogen:
subonderdeel 2.6volgt de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof (tevens) uit het gegeven dat het gerecht in rov. 2.2.5 van zijn eindvonnis heeft overwogen dat de vraag of SMU LLC een dochter was van SMU niet relevant is voor de beantwoording van het geschil.
Het betreft aldus een verplichting van SMU om te erkennen dat CHH op 18 februari 2013 beschikte over 537.055 aandelen in SMU en, na (terug)levering van aandelen in SMU, als houder van 644.055 aandelen in SMU. Voor zover CHH betoogt dat destijds is bedoeld SMU te verplichten tot een algemene erkenning van het aandeelhouderschap van CHH die tot in lengte van dagen voortduurt, geeft de tekst van de overeenkomst geen aanleiding voor een dergelijke uitleg.Dit ligt ook niet voor de hand gelet op de omstandigheid dat de aandelen in SMU (ook blijkens de statuten) overdraagbaar zijn, zodat het aandeelhouderschap van CHH, net zoals dat van de andere aandeelhouders, niet “ligt vastgeklonken in de tijd”. Voorts geldt dat de verplichting van SMU uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst blijkens de tekst daarvan onvoorwaardelijk is aangegaan en niet van enig voorbehoud is voorzien. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat deze verplichting in rechte niet zou gelden, zoals SMU betoogt. Dat de vaststellingsovereenkomst naar aanleiding en in het kader van een kortgedingprocedure is gesloten geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat deze verplichting in rechte niet zou gelden, zoals SMU betoogt. SMU had zich aan de vaststellingsovereenkomst te houden temeer ook nu zij niet op enig moment heeft gesteld dat zij in redelijkheid niet aan deze overeenkomst kon worden gehouden. Derhalve bestaat geen aanleiding om SMU niet aan de vaststellingsovereenkomst te houden.
dan betreft dit hooguit een algemene ontkenning van het aandeelhouderschap van CHH in juni 2014, wat dus niet kan worden gezien als een ontkenning van datgene wat SMU ingevolge de vaststellingsovereenkomst verplicht zijn te erkennen, zoals hiervoor in rov. 2.22 omschreven.
op 18 februari 2013beschikte over 537.055 aandelen in SMU en, na (terug)levering van aandelen in SMU, als houder van 644.055 aandelen in SMU, en dit beding dus geen bredere of meer algemene betekenis heeft (zie de in 3.42 onderstreepte passages). Tegen deze uitleg bevat het middel geen klacht.
subonderdeel 3.2is het oordeel van het hof in rov. 2.24 dat de e-mails van [betrokkene 11] niet namens SMU zijn verstuurd, onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stelling van CHH dat [betrokkene 11] zelf heeft verklaard dat de e-mails namens SMU zijn verstuurd. Het subonderdeel voert aan dat CHH in dit verband heeft gewezen op haar producties 30, 31 en 34 in eerste aanleg, waaruit die verklaring blijkt.
uit de e-mailsvan [betrokkene 11] blijkt dat de berichten door of namens SMU zijn verstuurd. Pas dan kan immers worden gezegd dat SMU in de e-mails het boetebeding heeft overtreden. Het oordeel van het hof dat dit niet uit de e-mails blijkt, is alleszins begrijpelijk. [betrokkene 11] heeft de e-mails op eigen naam verstuurd en zegt niet namens of voor SMU te handelen. Op de in het subonderdeel genoemde stelling van CHH dat [betrokkene 11] zelf heeft verklaard dat hij voor SMU handelde (en productie 34 van CHH, waarin [betrokkene 11] onder meer stelt “dat SMU en IHH BV [hem] onder meer uitdrukkelijk hebben verzocht om namens hen aan de vennootschap [CHH] te corresponderen” en dat “in juni 2014 […] daartoe meerdere correspondentie aan [CHH] is verstuurd”) is het hof uitdrukkelijk ingegaan. In rov. 2.24 overweegt het immers: “dat het mogelijk de bedoeling van [betrokkene 11] is geweest om deze mails ook namens SMU te versturen moge zo zijn, maar verwacht had mogen worden dat zulks in de tekst van de e-mails voor de lezer daarvan tot uitdrukking was gebracht”. Ook deze overweging is niet onbegrijpelijk. Ook dit subonderdeel is dus ongegrond.
subonderdeel 3.4blijkt de onbegrijpelijkheid van dit oordeel voorts uit het feit dat het verweer van SMU ook in hoger beroep neerkomt op een betwisting van het aandeelhouderschap als zodanig en SMU ten aanzien van de e-mails van [betrokkene 11] slechts heeft aangevoerd dat nooit is verzocht om namens SMU te corresponderen met andere aandeelhouders van SMU. [43]