Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
toelichting op de klacht onder 1.1).
toelichting op de klacht onder 1.3).
toelichting op de klacht onder 1.4 en 1.5).
toelichting op de klacht onder 1.6).
Parket bij de Hoge Raad
Betrokkene verbleef in een GGZ-instelling op grond van een crisismaatregel en een machtiging tot voortzetting daarvan. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze machtiging werd geen aansluitende zorgmachtiging aangevraagd, waardoor de wettelijke titel voor verplichte zorg ontbrak. Betrokkene ontving echter toch verplichte zorg zonder geldige juridische grondslag en diende een klacht in op grond van art. 10:3 sub e Wvggz Pro, met een verzoek om schadevergoeding.
De klachtencommissie verklaarde de klacht niet-ontvankelijk omdat volgens haar art. 8:7 lid 2 Wvggz Pro niet van toepassing was zonder geldende machtiging of crisismaatregel. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het verzoek om schadevergoeding af. Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad stelt dat art. 8:7 lid 2 Wvggz Pro ook het geval omvat waarin geen geldige titel voor verplichte zorg bestaat, zoals wanneer de geldigheidsduur van een machtiging is verstreken. De zorgaanbieder is verantwoordelijk om na te gaan of een geldige titel aanwezig is en mag geen verplichte zorg verlenen zonder die titel. De klachtprocedure biedt een laagdrempelige en adequate rechtsbescherming, waaronder de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en bepaalt dat verplichte zorg zonder geldige titel onder art. 8:7 lid 2 Wvggz valt, waardoor betrokkene via de klachtprocedure een klacht kan indienen en schadevergoeding kan vragen.