ECLI:NL:PHR:2021:1196

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2021
Publicatiedatum
17 december 2021
Zaaknummer
21/02501
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 RWNArt. 15 lid 4 RWNArt. 17 RWNArt. 20 VWEUArt. 7 Handvest EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verlies Nederlandse nationaliteit en toepassing evenredigheidsbeginsel

Deze zaak betreft het verzoek van een vrouw om vaststelling van haar Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Na eerdere vernietiging door de Hoge Raad van een beschikking die haar Nederlanderschap bevestigde, werd de zaak terugverwezen naar de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat verzoekster sinds 30 april 2014 haar Nederlandse nationaliteit had verloren op grond van artikel 15 lid 1 onder Pro c RWN, vanwege langdurig verblijf in het buitenland en het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit.

Verzoekster betoogde dat het verlies van haar nationaliteit in strijd was met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, mede vanwege onjuiste voorlichting door de Staat en haar gezondheidsituatie. De rechtbank verwierp deze argumenten, stellende dat verzoekster vrijwillig naar Suriname was teruggekeerd, de remigratieregeling had benut en geen voldoende bewijs leverde voor beschermenswaardig gezinsleven of voorzienbare medische zorg in Nederland.

In cassatie stelde verzoekster onder meer dat het verkrijgen van Schengenvisa de verjaringstermijn had moeten stuiten en dat haar recht op gezondheidszorg een afdwingbaar recht is. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten onvoldoende onderbouwd waren en dat het toetsingsmoment voor de evenredigheidstoets het moment van het verlies van de nationaliteit is. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het verlies van de Nederlandse nationaliteit definitief werd bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen en het verlies van de Nederlandse nationaliteit wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02501
Zitting17 december 2021
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[verzoekster]
(hierna: verzoekster)
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
(hierna: de Staat)
Deze zaak heeft betrekking op de procedure na cassatie en terugwijzing in het kader van een procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN). Bij beschikking van 3 april 2020 [1] heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2019 [2] vernietigd, waarin de rechtbank had vastgesteld dat verzoekster sinds haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit. In de procedure na cassatie en terugwijzing diende de rechtbank te beoordelen of de verliesgrond van de Nederlandse nationaliteit als bedoeld in artikel 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN is ingetreden en verzoekster als gevolg daarvan haar Nederlanderschap heeft verloren. In dat geval diende de rechtbank na te gaan in hoeverre het verlies van de Nederlandse nationaliteit wat betreft de gevolgen ervan voor verzoekster en in voorkomend geval voor haar gezinsleden, uit het oogpunt van het Unierecht in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. In de beschikking na terugwijzing heeft de rechtbank geoordeeld dat door het verlies van het Nederlanderschap geen sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Daartegen richt zich het cassatiemiddel.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, die zijn vermeld in rov. 2.1 van de beschikking van de Hoge Raad van 3 april 2020:
(i) Verzoekster is op [geboortedatum] 1954 geboren in het district Suriname, dat tot 25 november 1975 deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden.
(ii) Verzoekster verkreeg ingevolge de Wet op de Nationaliteit en het Ingezetenschap bij haar geboorte de Nederlandse nationaliteit.
(iii) Verzoekster heeft van 26 april 1974 tot 11 juni 1999 onafgebroken in Nederland gewoond.
(iv) Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname [3] (hierna: TOS) in werking.
(v) Omdat verzoekster op 25 november 1975 meerderjarig was en op dat moment in Nederland verbleef, verkreeg zij niet ingevolge de TOS van rechtswege de Surinaamse nationaliteit, maar behield zij de Nederlandse nationaliteit.
(vi) Verzoekster is op 19 december 2001 teruggekeerd naar Suriname met gebruikmaking van de voorzieningen die de Remigratiewet [4] haar bood. Zij is door de Sociale Verzekeringsbank bij brief van 12 februari 2002 ervan op de hoogte gesteld dat de Remigratiewet haar verplichtte zo spoedig mogelijk na aankomst in Suriname een verzoek tot naturalisatie in te dienen, waarvan zij binnen drie maanden een ontvangstbevestiging moest overleggen. Bij gebreke daarvan zou de remigratie-uitkering worden geschorst.
(vii) Aan verzoekster is bij resolutie van de President van Suriname van 30 april 2004 de Surinaamse nationaliteit verleend. In deze resolutie is verzoekster erop gewezen dat deze kon worden ingetrokken indien zij zou nalaten om na haar naturalisatie al het mogelijke te doen om haar vorige nationaliteit te verliezen.
(viii) De Nederlandse ambassade te Paramaribo heeft verzoekster bericht dat zij de Nederlandse nationaliteit had verloren ingevolge art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder a, RWN: dat wil zeggen op grond van het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit. Het op 19 januari 2000 aan haar afgegeven Nederlandse paspoort is ongeldig gemaakt.
(ix) Op 5 november 2015 heeft verzoekster bij de Nederlandse ambassade te Paramaribo een aanvraag om een Nederlands paspoort ingediend. Deze aanvraag is bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken van 13 november 2015 afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster niet op de voet van de Awb bezwaar gemaakt.
1.2
Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag op de voet van art. 17 RWN Pro een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap. De rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2019 vastgesteld dat verzoekster sinds haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, van belang geacht dat het tot de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 [5] voor verzoekster niet duidelijk was dat zij ook over de Nederlandse nationaliteit beschikte, en dat daardoor niet gesteld kan worden dat de vervaltermijn van tien jaar, als bedoeld in art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN, al in 2004 is gaan lopen. Een redelijke wetstoepassing brengt volgens de rechtbank mee dat de tienjaarstermijn niet eerder kan zijn gaan lopen dan op 26 juni 2015, omdat vanaf die datum door de uitspraak van de Hoge Raad pas effectief sprake was van de Nederlandse nationaliteit.
1.3
De Staat heeft tegen deze beschikking beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij de reeds genoemde beschikking van 3 april 2020 geoordeeld dat er geen grond is om de tienjaarstermijn van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004. De Hoge Raad heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en het geding teruggewezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking onder meer overwogen:
‘3.7.1 Indien in de procedure na terugwijzing komt vast te staan dat de verliesgrond van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN is ingetreden en dat [verweerster] als gevolg daarvan haar Nederlanderschap heeft verloren, dient de rechtbank – met inachtneming van hetgeen het HvJEU heeft overwogen in het
Tjebbes-arrest – na te gaan of voor [verweerster] het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat voor haar het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor haar situatie en, in voorkomend geval, voor die van haar gezinsleden, uit het oogpunt van het Unierecht. Daarbij kan ook in aanmerking worden genomen dat van [verweerster] in de periode voorafgaand aan de (…) uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 niet kon worden gevergd een poging te doen de tienjaarstermijn van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN te stuiten op de wijze vermeld in art. 15 lid 4 RWN Pro, gelet op de in die periode (…) door de Nederlandse autoriteiten gehuldigde rechtsopvatting (…).
Nu een onderdaan van een lidstaat tegenover de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, de rechten kan inroepen die behoren bij zijn door art. 20 VWEU Pro verleende status van burger van de Unie, kan de uitkomst van deze evenredigheidstoetsing ertoe leiden dat de rechtbank dient te beslissen dat [verweerster] de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht herkrijgt. Daaraan doet niet af dat de huidige RWN geen grondslag biedt voor een dergelijke herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap.
Nu partijen in het geding voor cassatie nog geen rekening konden houden met het
Tjebbes-arrest, dient de rechtbank hen in de gelegenheid te stellen hun stellingen naar aanleiding van dat arrest aan te passen of aan te vullen.
3.7.2
Opmerking verdient dat er geen grond is – anders dan de Staat in cassatie heeft aangevoerd – om het toepassingsgebied van de hiervoor in 3.7.1 bedoelde evenredigheidstoetsing en de daaraan verbonden mogelijkheid van herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap, te beperken tot bestuursrechtelijke procedures, zodat voor een en ander ook plaats is in een procedure op de voet van art. 17 RWN Pro.’
1.4
De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 16 maart 2021 [6] het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, het volgende overwogen. Verzoekster heeft op 30 april 2014 van rechtswege het Nederlanderschap verloren. Het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich brengt, komt niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het moment van het verlies van het Nederlanderschap heeft als peilmoment te gelden voor de evenredigheidstoets. Verzoekster is weliswaar de mogelijkheid onthouden om het verlies van het Nederlanderschap te stuiten, omdat achteraf is gebleken dat de Staat zich tijdens de verliestermijn ten onrechte jegens verzoekster op het standpunt heeft gesteld dat zij de Nederlandse nationaliteit al in 2004 had verloren. Dit kan echter verzoekster in het kader van de evenredigheidstoets niet baten, omdat zij (i) er zelf vrijwillig voor gekozen heeft naar Suriname te remigreren met de daaraan verbonden financiële voordelen, (ii) door deelname aan de remigratieregeling te kennen heeft gegeven bereid te zijn haar Nederlandse nationaliteit op te geven en (iii) van de mogelijkheid om binnen een jaar op de remigratie terug te komen geen gebruik heeft gemaakt. Dat verzoekster een slechte gezondheid heeft en een beroep wil doen op de gezondheidszorg in Nederland dient bij de evenredigheidstoets buiten beschouwing te blijven. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het peilmoment voorzienbaar was dat medische zorg in Nederland of de Europese Unie noodzakelijk was. Het recht op gezondheidszorg is geen individueel afdwingbaar recht. Ook het argument dat verlies van het Nederlanderschap het verzoekster onmogelijk maakt om het familie- en gezinsleven met haar kinderen te onderhouden zoals zij dat als Unieburger wel kon, treft geen doel. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voor de vaststelling van beschermenswaardig gezinsleven (art. 7 Handvest Pro van de grondrechten van de EU in samenhang met art. 8 EVRM Pro) tussen ouders en hun niet-jongvolwassen meerderjarige kinderen volgens vaste jurisprudentie van het EHRM vereiste ‘additional elements of dependence’, ofwel ‘more than the normal emotional ties’, tussen haar en haar familieleden in Nederland op het verliesmoment aanwezig waren. Ook de stelling van verzoekster dat zij haar recht op consulaire bescherming niet meer kan genieten of andere bescherming van fundamentele rechten, leidt er volgens de rechtbank niet toe dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt.
1.5
Verzoekster heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. De Staat heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bevat, na een inleiding, drie onderdelen (onder 2, 3 en 4 van de procesinleiding).
2.2
Het eerste onderdeel(onder 2 van de procesinleiding) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat verzoekster door de Staat de mogelijkheid is onthouden om de verjaringstermijn te stuiten, nog niet meebrengt dat verzoekster door het verlies van het Nederlanderschap onevenredig wordt getroffen. Het onderdeel betoogt dat deze overwegingen onjuist zijn dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Volgens verzoekster is, gelet op de onjuiste voorlichting door de Staat, de tienjaarstermijn gestuit doordat verzoekster driemaal een Schengenvisum van vijf jaar heeft aangevraagd en verkregen. Het evenredigheidsbeginsel zou meebrengen dat ook het verkrijgen van Schengenvisa in zo’n geval als stuitingshandelingen moeten worden aangemerkt.
2.3
In cassatie is onbestreden het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen vaststaat dat de verliesgrond van artikel 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN is ingetreden op 30 april 2014. [7] De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat verzoekster tien jaar onafgebroken woonachtig is geweest in Suriname, over zowel de Nederlandse als de Surinaamse identiteit beschikte en dat gesteld nog gebleken is dat verzoekster gedurende die periode een document als bedoeld in art. 15 lid 4 RWN Pro is verstrekt. [8] De klacht stuit hierop reeds af. Overigens geldt dat verzoekster zich in de procedure na terugwijzing bij de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat op 30 april 2014 was voldaan aan art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN en dat zij daarmee het Nederlanderschap heeft verloren. [9] Dat het verkrijgen van (drie) Schengenvisa als stuitingshandeling zou moeten worden beschouwd, heeft verzoekster niet aangevoerd. [10] Gelet hierop is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk en getuigt het ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
2.4
Het tweede onderdeel(onder 3 van de procesinleiding) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het recht op gezondheidszorg geen individueel afdwingbaar recht is, zodat een beroep hierop bij de evenredigheidstoets buiten beschouwing moet blijven. Geklaagd wordt dat de rechtbank heeft miskend dat art. 35 Handvest Pro EU het recht op gezondheidszorg garandeert en een afdwingbaar recht is.
2.5
De rechtbank heeft zijn oordeel dat de actuele slechte gezondheidssituatie van verzoekster bij de evenredigheidstoets buiten beschouwing dient te blijven, gebaseerd op twee zelfstandig dragende gronden. Het middel is gericht tegen de eerste grond dat het recht op gezondheidszorg geen individueel afdwingbaar recht is. Het middel klaagt niet over de tweede zelfstandig dragende grond, namelijk dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het moment waarop zij de Nederlandse nationaliteit in 2014 verloor – het peilmoment voor de evenredigheidstoetsing is in cassatie onbestreden –, aanspraak maakte op medische zorg binnen Nederland of de EU, en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat toen redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit op korte termijn noodzakelijk zou zijn. Nu tegen deze tweede zelfstandig dragende grond geen klachten zijn gericht, ontbreekt belang bij de klacht tegen de eerste zelfstandige grond en behoeft deze klacht geen bespreking.
2.6
Voor zover de procesinleiding (onder 3.3) nog de klacht bevat dat onjuist en/of onbegrijpelijk is het oordeel van de rechtbank dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat – gelet op haar leeftijd van 60 jaar in 2014 – op het verliesmoment sprake was van voorzienbare medische zorg, faalt ook deze klacht. Verzoekster verwijst niet naar stellingen waar zij in feitelijke instantie heeft aangevoerd dat op het verliesmoment voorzienbaar was dat zij medische zorg nodig had. Niet valt in te zien waarom het voorzienbaar zou zijn dat zestigjarigen op korte termijn medische hulp nodig hebben. Zoals uit het
Tjebbes-arrest van het HvJEU volgt, gaat het bij de evenredigheidstoets niet om gevolgen die hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat zij zich zullen voordoen. [11]
2.7
Ook bevat het onderdeel nog de klacht dat de wijze waarop verzoekster wordt behandeld in strijd is met de menselijke waardigheid als bedoeld in art. 1 Handvest Pro EU. Deze klacht kan niet slagen, omdat niet uitgewerkt wordt waarom het oordeel van de rechtbank gelet op art. 1 Handvest Pro EU onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn.
2.8
Het derde onderdeel(onder 4 van de procesinleiding) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat op het verliesmoment van de nationaliteit ‘additional elements of dependence’ of ‘more than the normal emotional ties’ tussen haar en haar familieleden in Nederland niet aanwezig waren. Aangevoerd wordt dat dit oordeel van de rechtbank niet juist althans onbegrijpelijk zou zijn gelet op art. 8 EVRM Pro, art. 7 Handvest Pro EU en de jurisprudentie over ‘more than the emotional ties’.
2.9
De klacht werkt niet uit waarom het oordeel van de rechtbank onjuist en/of onbegrijpelijk is. De toelichting op de klacht bevat nog een feitelijk betoog dat in de onderhavige zaak sprake is van ‘evidence of further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties’. Voor zover hierin de klacht gelezen kan worden dat het oordeel van de rechtbank dat verzoekster die band onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, onbegrijpelijk is gelet op hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, ontbreekt verwijzing naar de relevante passages waar verzoekster dit in feitelijke instantie heeft aangevoerd. Bovendien wordt uitsluitend een beroep gedaan op omstandigheden die zich ná het verliesmoment van het Nederlanderschap hebben voorgedaan, terwijl onbestreden is het oordeel van de rechtbank dat het moment van het verlies van het Nederlanderschap te gelden heeft als toetsingsmoment van de evenredigheid (zie ook hiervoor onder 2.5). Weliswaar wordt in een bijzin aangevoerd dat die omstandigheden op het verliesmoment voorzienbaar waren, maar een toelichting waarom dit het geval zou zijn geweest (en een verwijzing naar de passage waar verzoekster dit in feitelijke instantie heeft aangevoerd) wordt niet gegeven. De slotsom is dat ook het derde onderdeel niet tot cassatie kan leiden.
2.1
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2020:593, NJ 2020/183, m.nt. S.F.M. Wortmann.
3.Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Paramaribo, 25 november 1975, Trb. 1975, 132.
4.Wet van 22 april 1999, Stb 1999, 232.
5.HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749, NJ 2015/439, m.nt. S.F.M. Wortmann.
7.Bestreden beschikking, p. 3 onder de kop ‘Verlies van artikel 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN’.
8.De tienjaarstermijn kan op grond van art. 15 lid 4 RWN Pro worden gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet.
9.Akte houdende uitlating na terugverwijzing door de Hoge Raad, p. 4.
10.De procesinleiding bevat ook geen verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken waar verzoekster dit standpunt zou hebben ingenomen.
11.Zie HvJEU 12 maart 2019, zaak C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (