Conclusie
1.Inleiding
In cassatie richt [eiseres] haar pijlen onder meer op het oordeel van het hof dat [eiseres] in de gegeven omstandigheden de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen als bedoeld in art. 7:755 BW Pro. De tegen dat oordeel gerichte rechts- en motiveringsklacht treft doel. Voor de toepassing van de tenzij-bepaling in art. 7:755 BW Pro (“tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen”) is m.i. vereist dat de opdrachtgever een reëel inzicht had in de omvang van de concreet te verwachten meerkosten. Uit het oordeel van het hof blijkt niet dat het hof heeft beoordeeld of [eiseres] dat inzicht had. Het oordeel van het hof geeft daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
2.Feiten
hof). [1]
Hierbij de tekeningen van de raatliggers.
middels een I-naad; uiteinden op maat volgens tekening afgekort en dicht
gezet, liggers voorzien van een parabolische toog zoals aangegeven op de
tekeningen.
Exclusief: profielmateriaal, HEA 500 en HEA550 op 15,1 meter handelslengte en
bewerkingen en materialen dan genoemd.
Prijs excl. BTW € 9.247,00
[vetgedrukt in origineel, A-G]
Is het de bedoeling dat wij de liggers compleet afmaken?
Volgens [betrokkene 2] is er afgesproken dat jullie ze compleet maken. Zie ook de mail in de bijlage. Graag contact met hem opnemen.
Onderstaand verhaal heeft hij ontvangen van mij dus hij moet ze compleet maken.
Het is toch geen 1,5 week werk voor 15 balken. Zoveel zit er niet aan.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
Waarschuwing
had echter naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf moeten begrijpen als bedoeld in artikel 7:755 BW Pro. Dat dit het geval was, blijkt ook uit de e-mail van 9 december 2016 van [betrokkene 2] aan [verweerster] (zie r.o 3.1.21).Daarin constateert deze namelijk zelf :
(...) Nu ik de definitieve tekeningen gezien heb snap ik wel dat jullie het voor het bedrag van € 9.000.- niet kunnen maken.(...)”.
[eiseres] betwist evenwel dat sprake is van een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 BW Pro.[eiseres] heeft niet betwist dat de werkzaamheden opgenomen in de factuur van 29 november 2016 zijn verricht. Zij stelt dat een absurd hoog uurtarief in rekening is gebracht en dat te veel tijd in rekening is gebracht. [verweerster] betoogt dat zij de aanvullende werkzaamheden op regiebasis heeft uitgevoerd tegen de door haar gewoonlijk gehanteerde tarieven. [eiseres] heeft dat niet betwist. [eiseres] stelt dat zij zelf, net als [A] B.V. en vele andere concullega's in de markt, voor de bewerkingen zoals in het onderhavige geval uitgevoerd een bedrag van € 38,- tot € 45,- per uur rekent. [eiseres] heeft het voorgaande niet onderbouwd en evenmin het betoog van [verweerster] dat [eiseres] en [A] B.V. geen producenten van liggers zijn betwist. Bewijslevering dat de door [verweerster] gehanteerde uurtarieven niet marktconform zijn is daarom niet aan de orde. Hiervoor is reeds overwogen dat [eiseres] niet mocht verwachten dat de offerte betrekking had op het gehele verrichte werk. [verweerster] heeft, mede gelet op het voorgaande, niet de verwachting gewekt dat zij vermoedelijk een andere prijs voor de aanvullende werkzaamheden in rekening zou brengen dan een prijs op basis van de tarieven die zij gewoonlijk hanteerde voor op regiebasis uit te voeren aanvullende werkzaamheden als de onderhavige. [eiseres] betwist dat 73 uur nodig is voor het boren van 874 gaten, zij stelt dat daar maar 5 uur mee gemoeid is. Voor het boren van een gat is 20 seconden nodig, aldus [eiseres] . [verweerster] heeft met haar betoog, dat gaten niet lukraak in een ligger worden aangebracht, maar moeten worden uitgemeten aan de hand van de detailtekening en op het juiste formaat moeten worden geboord, voldoende onderbouwd dat daarmee 5 minuten per stuk is gemoeid. [eiseres] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de verantwoording van de factuur van 29 november 2016 niet blijkt dat met een kiloprijs is gerekend. Het betoog van [eiseres] in eerste aanleg dat de in rekening gebrachte kiloprijs te hoog was, is daarom in hoger beroep niet meer aan de orde is.
Gezien het voorgaande en de omstandigheid dat is gesteld noch gebleken dat de factuur van 29 november 2016 overigens onjuistheden bevat of niet redelijk is, oordeelt het hof dat sprake is van een redelijke prijs, die [eiseres] kon verwachten.”
arrest). [verweerster] is niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. [eiseres] heeft schriftelijke toelichting gegeven.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Onder 4.8 hierna besteed ik nog afzonderlijk aandacht aan een andere vraag, namelijk of art. 7:752 BW Pro ook betrekking kan hebben op meerwerk waarvoor geen prijs is bepaald. Daartoe citeer ik hier ook alvast de wettekst van art. 7:752 lid 1 BW Pro:
[zonder voetnoot uit origineel, A-G]
tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Het evenwicht tussen de gerechtvaardigde belangen van de aannemer en die van de opdrachtgever zou al te zeer verstoord raken indien deze waarschuwingsplicht bij overeenkomst zou kunnen worden uitgesloten. Het resultaat daarvan zou immers zijn dat de (ondeskundige) opdrachtgever die niet uit zichzelf behoeft te begrijpen dat prijsverhoging het noodzakelijke gevolg is van een door hem gewenste wijziging in het werk, door de aannemer zonder enige voorafgaande waarschuwing overvallen zou kunnen worden met een verhoging van de prijs, terwijl hij wellicht van de wijziging had afgezien als hij wel tijdig door de aannemer over de noodzaak tot prijsverhoging zou zijn ingelicht.”
RvA), die geanonimiseerd worden gepubliceerd. [10] In de arbitrale uitspraken van de RvA over art. 7:755 BW Pro wordt soms een beroep gedaan op uitspraken van de overheidsrechter, [11] terwijl in zaken voor de burgerlijke rechter, zoals in de onderhavige zaak (zie onder 4.11 hierna), soms mede wordt verwezen naar arbitrale uitspraken. Ik besteed daarom hierna ook kort aandacht aan de wijze waarop de RvA art. 7:755 BW Pro uitlegt, maar ga eerst in op uitspraken van de burgerlijke rechter over art. 7:755 BW Pro.
De grieven 3, 4 en 5hebben betrekking op de hoofdregel van artikel 7:755 BW Pro. [appellante] heeft betwist dat [geïntimeerde] haar tijdig heeft gewaarschuwd voor de prijsconsequenties van de door haar gewenste veranderingen en dit leidt ertoe, aldus [appellante], dat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op vergoeding van het door haar uitgevoerde meerwerk.
[onderstreping in origineel, A-G]
Voor zover [appellanten] hebben verzocht om aanvullingen en of wijzigingen die tot bijkomende werkzaamheden hebben geleid, is sprake van meerwerk in de zin van artikel 7:755 BW Pro, namelijk van een door [appellanten] als opdrachtgever gewenste 'toevoeging' op de geoffreerde en overeengekomen werkzaamheden.
De omstandigheid dat [appellanten] vooraf met eventueel meerwerk hebben ingestemd - zoals [geïntimeerde] stelt en aanbiedt te bewijzen - ontslaat [geïntimeerde] echter niet van haar uit artikel 7:755 BW Pro voortvloeiende verplichting om, op straffe van verval van haar aanspraak op vergoeding, [appellanten] tijdig te waarschuwen voor de prijsconsequenties van de door hen gewenste aanvulling op het werk. De ratio van die waarschuwingsplicht is de opdrachtgever te behoeden voor vermijdbare kostenoverschrijdingen. Indien de opdrachtnemer immers tijdig wijst op de noodzaak van prijsverhoging als gevolg van meerwerk krijgt de opdrachtgever de gelegenheid te beslissen of hij het meerwerk ondanks de hogere prijs aan de opdrachtnemer wil opdragen. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] die waarschuwingsplicht is nagekomen. [geïntimeerde] heeft immers ten aanzien van geen enkele meerwerkpost gesteld dat zij [appellanten] vooraf op de prijsconsequenties heeft gewezen. Bovendien heeft zij de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerde] hen er nooit op heeft gewezen dat eventuele aanpassingen en/of wijzigingen zouden worden gezien als wijzigingen in het bestek en dientengevolge tot meerwerk zouden leiden, niet gemotiveerd weersproken.
Door [geïntimeerde] is echter niets concreets gesteld waaruit het hof kan afleiden dat [appellanten] een reëel inzicht hadden in de te verwachten meerkosten, die volgens opgave van [geïntimeerde] uiteindelijk € 18.984,40 incl. btw hebben bedragen. De stelling van [geïntimeerde] dat [appellanten] niet hebben gegriefd tegen rechtsoverweging 6.11 van het vonnis van 27 juli 2011 kan haar niet baten omdat dit ziet op de voorgeschreven tussenkomst van [ontwerp- en bouwbureau] en geen betrekking heeft op de toepassing van artikel 7:755 BW Pro.
Het aanbod van [geïntimeerde] om te bewijzen dat zij de wijzigingen waarvoor zij een meerwerkrekening heeft gezonden in opdracht van [appellanten] heeft uitgevoerd, wordt gepasseerd nu dat in het licht van [geïntimeerde]'s verplichting ex artikel 7:755 BW Pro ontoereikend is.”
eenprijsverhoging zou leiden, maar komt het eropaan of de opdrachtgever
een reëel inzicht had in de omvang van de concreet te verwachten meerkosten. [15] Deze uitleg van art. 7:755 BW Pro krijgt soms navolging in andere feitenrechtspraak, [16] maar niet altijd, [17] zoals ook blijkt uit de onderhavige zaak. Dat de maatstaf waaraan bij art. 7:755 BW Pro wordt getoetst in de feitenrechtspraak niet eenduidig wordt toegepast, is ook in de literatuur gesignaleerd. Muller heeft in dit kader de hoop uitgesproken dat de Hoge Raad de kans krijgt duidelijkheid te verschaffen over de uitleg van art. 7:755 BW Pro. [18] De onderhavige zaak biedt gelegenheid daartoe (zie ook onder 4.7 hierna).
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat hoofdaanneemster rekening had moeten houden met een prijsverhoging. Uit de tekst van de wet volgt niet dat onderaanneemster op voorhand de omvang van die verhoging kenbaar had moeten maken. Dat volgt ook niet uit de toelichting op de wet of enige andere regel.”
verschaft, dus als de opdrachtgever niet aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan, kan de opdrachtgever dat inzicht niettemin hebben gehad, bijvoorbeeld als sprake is van een ten opzichte van het oorspronkelijk geoffreerde werk evenredige prijsverhoging. [22] Zo kan bijvoorbeeld zelfs een leek, die bij een verbouwing van zijn huis in aanvulling op de oorspronkelijke offerte waarin installatie van een wc voor € 2.500,-- is voorzien, bij de aanvullende opdracht tot installatie van een tweede wc redelijkerwijs over het inzicht beschikken dat dat in beginsel € 2.500,-- meer zal kosten.
leekmocht verwachten. Daarbij speelt het feit dat de prijs die de aannemer in rekening brengt redelijk is overigens geen rol (…). Bekeken moet worden of de opdrachtgever met zijn aanwezige beperkte kennis van zaken had moeten verwachten dat de prijsstijging zo aanzienlijk zou zijn, óf dat hij door de aannemer op het verkeerde been is gezet en anders zou hebben beslist indien hij van de (wellicht redelijke) prijsstijging op de hoogte was gesteld (…).”
geenrol speelt bij de vraag of de opdrachtgever een prijsverhoging voor meerwerk had moeten begrijpen als bedoeld in art. 7:755 BW Pro. [44] Wanneer rechtens komt vast te staan dat de tenzij-bepaling van art. 7:755 BW Pro van toepassing is, kan
vervolgensnog wel worden getoetst of de prijs die in rekening is gebracht voor het meerwerk redelijk is. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij art. 7:752 lid 1 BW Pro: [45]
maarde opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Hij slaagt dan in het beroep op de tenzijregel maar er doemt nog een bewijsprobleem op voor de aannemer. De redelijke prijs.
[In de daaropvolgende noot 22, A-G:]
[cursivering in origineel, A-G]
Het onderdeel is gebaseerd op de hiervoor beschreven uitleg van de tenzij-bepaling van art. 7:755 BW Pro door het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin voor toepassing van die bepaling als eis wordt gesteld dat aannemelijk is dat de opdrachtgever een reëel inzicht had in de omvang van de prijsverhoging. Dat blijkt in de eerste plaats uit bestudering van de door het onderdeel aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens [eiseres] en daarin aangehaalde rechtspraak en literatuur, die ook onder 4.4, 4.6 en 4.7 hiervoor is besproken. [49] Dat blijkt daarnaast uit de schriftelijke toelichting op dit onderdeel: [50]
eenprijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Het hof hanteert daarmee een te lichte toets voor toepassing van de tenzij-bepaling in art. 7:755 BW Pro.
Mocht in rov. 3.13 van het arrest wel besloten liggen dat [eiseres] ten tijde van het opdragen van het meerwerk aan [verweerster] een reëel inzicht had in de concreet te verwachten meerkosten, dan is het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd (zie ook onder 4.15 hierna). Het hof geeft immers geen althans onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang. Het hof noemt in algemene zin “de gegeven omstandigheden” zonder te motiveren welke omstandigheden het hof bij zijn oordeel dat [eiseres] de noodzaak van de prijsverhoging voor het meerwerk uit zichzelf had moeten begrijpen in ogenschouw heeft genomen (vgl. onder 4.7 hiervoor). De enige omstandigheid die het hof concreet noemt, betreft de e-mail van [betrokkene 2] aan [verweerster] van 9 december 2016 (zie ook onder 2.21 hiervoor). Uit deze e-mail blijkt slechts dat [betrokkene 2] in het kader van een poging om alsnog tot overeenstemming te komen heeft verklaard dat hij achteraf (“Nu ik de definitieve tekeningen gezien heb”) heeft begrepen dat het meerwerk aanleiding geeft tot een prijsverhoging (“dat jullie het voor het bedrag van € 9.000,- niet kunnen maken”), maar daarmee is geenszins gegeven dat [eiseres] ten tijde van het geven van de opdracht voor het meerwerk had moeten begrijpen dat de omvang van het meerwerk in de orde van grootte van € 35.000,-- lag. [53] Deze motivering steekt m.i. (te) schril af bij de contextuele benadering in de arresten van het hof (Arnhem-)Leeuwarden aangehaald onder 4.4 hiervoor (vgl. ook noot 16 hiervoor). Steun voor de opvatting dat de opdrachtgever een reëel inzicht moet hebben gehad in de omvang van de te verwachten meerkosten kan ik hierin ook niet lezen. [54] Omstandigheden die relevant kunnen zijn bij de beoordeling of aan de tenzij-bepaling van art. 7:755 BW Pro wordt voldaan (zie ook onder 4.7 hiervoor) – en die het hof niet (kenbaar) bij zijn oordeel heeft betrokken (zie ook onder 4.15 hierna) – wijzen m.i. ook niet zonder meer in de richting van toepasselijkheid van de tenzij-bepaling:
Het onderdeel licht in het geheel niet toe waarom in het geval dat sprake is van meerwerk als bedoeld in art. 7:755 BW Pro geen plaats zou zijn voor beoordeling van de vraag of de in rekening gebrachte prijs voor het meerwerk redelijk is als bedoeld in art. 7:752 BW Pro. [57] Mogelijk doelt het onderdeel op het betoog van Dierikx aangehaald onder 4.6 hiervoor. Dat betoog, waarin zij immers stelt dat het feit dat de prijs die de aannemer in rekening brengt redelijk is geen rol speelt, heeft betrekking op de beoordeling of aan de voorwaarden voor toepassing van art. 7:755 BW Pro is voldaan. Daarbij speelt de vraag of de prijs voor het meerwerk redelijk is inderdaad geen rol (zie ook onder 4.7 hiervoor). De vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van art. 7:755 BW Pro wordt voldaan heeft het hof in rov. 3.13 en de daaraan voorafgaande overwegingen (waaronder de door het onderdeel genoemde rov. 3.11, tweede alinea) beantwoord.
In rov. 3.14 gaat het om iets anders, namelijk om de vraag of – als eenmaal vaststaat dat de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen (dus als eenmaal is geoordeeld dat de tenzij-bepaling als bedoeld in art. 7:755 BW Pro van toepassing is, zoals het hof in rov. 3.13 heeft gedaan, welk oordeel m.i. gelet op het slagen van onderdeel a niet in stand kan blijven) – de opdrachtgever dan zonder meer de factuur voor het meerwerk dient te voldoen, of dat in dat geval nog getoetst kan worden of het door de aannemer in rekening gebrachte bedrag voor het meerwerk redelijk is. Die vraag dient m.i., mede gelet op de onder 4.8 aangehaalde literatuur en rechtspraak, in laatstgenoemde zin te worden beantwoord. Dat het hof in rov. 3.11, kort gezegd, tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een nieuwe opdracht, maar van meerwerk [58] (waarvoor geen prijs is overeengekomen) staat aan de toepassing van art. 7:752 BW Pro niet in de weg (zie onder 4.8 hiervoor). Het oordeel van het hof in rov. 3.14 over de redelijkheid van de prijs voor het meerwerk komt overigens ook niet uit de lucht vallen, maar staat in de sleutel van de betwisting van [eiseres] dat sprake is van een redelijke prijs als bedoeld in art. 7:752 BW Pro (rov. 3.14, eerste zin). Het hof beoordeelt in rov. 3.14 grief 4 zijdens [eiseres] . [59] Deze grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.9-4.16 van het vonnis van 10 oktober 2018) dat het door [verweerster] in rekening gebrachte bedrag voor het meerwerk redelijk is als bedoeld in art. 7:752 lid 1 BW Pro. Weliswaar neemt de rechtbank bij dat oordeel tot uitgangspunt dat sprake is van een nieuwe opdracht, [60] terwijl het hof van oordeel is dat geen sprake is van een nieuwe opdracht. [61] Die verschillende uitgangspunten bij de beoordeling van de rechtbank en het hof nemen echter niet weg dat het hof, gelet op grief 4, ook bij de stand van zaken dat sprake was van meerwerk (waarvoor geen prijs is overeengekomen) en dus niet van een nieuwe opdracht, diende te beoordelen of bij de factuur van 29 november 2016 voor het meerwerk sprake is van een redelijke prijs als bedoeld in art. 7:752 lid 1 BW Pro, hetgeen volgens het hof, evenals volgens de rechtbank, [62] het geval was, zodat grief 4 faalt. [63] Hierop stuit het onderdeelaf. [64]
Dit onderdeel kan m.i., voor zover het is gericht tegen rov. 3.13 van het arrest, in samenhang worden gelezen met de motiveringsklacht van onderdeel a, waarover onder 4.11 hiervoor. In de vindplaatsen waarop het onderdeel zich beroept, lees ik het volgende: [66]
Tevens wordt verwezen naar het vonnis van de rechtbank Leeuwarden, 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBLEE:2017:3965 [RBLEE moet zijn RBNNE, zie ook noot 49 hiervoor, A-G]. Achteraf meerwerk in rekening brengen, is te laat. Als men op basis van nacalculatie/de later ontvangen tekeningen extra meerwerk in rekening wil brengen dan moet men contact opnemen. Zeker als het bedrag van het meerwerk nog eens bijna gelijk is aan of meer dan het bedrag van de offerte, dan is dat een extra reden om contact op te nemen.
Dat geldt zeker in een situatie waarin het meerwerk zo omvangrijk is als in dit geval. Het bedrag van het opgegeven meerwerk benadert de overeengekomen vaste prijs”, aldus de kantonrechter in voornoemde uitspraak. Terecht komt de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat die nalatigheid van het tekenbureau verhindert dat zij achteraf nog aanspraak kan maken op een vergoeding voor meerwerk.
extrafactuur van € 42.564,36 zou verwachten, laat staan accepteren.
handhaaft derhalve haar vorderingen!”
[cursivering, onderstreping en vetgedrukt in origineel, A-G]
kon hebbenbij de hoogte van de kosten (detailinformatie ontbrak tot november 2016) en [eiseres] zelf tegelijkertijd louter aandrong op een ding: spoed spoed spoed!”
[cursivering in origineel, A-G]
“
Wij hebben alleen de opdracht voor het produceren van de liggers als raatligger en geen verdere bewerkingen.”
48. [eiseres] neemt ten onrechte aan dat [verweerster] uit hoofde van artikel 7:755 Burgerlijk Pro Wetboek haar inzicht had moeten verschaffen in de te verwachten financiële consequenties van het meerwerk. Daarmee miskent [eiseres] de inhoud van de wet (die niet als voorwaarde stelt dat de aannemer de financiële consequenties in kaart brengt of indiceert), de algemene leer in de jurisprudentie (die voorschrijft dat een opdrachtgever zelf bij een uitbreiding van de werkzaamheden meerkosten behoort te verwachten), het ontbreken van informatie om een deugdelijke inschatting te maken (de bulk van de inhoudelijke informatie volgde pas na opdracht tot aanvullende werkzaamheden) en de feitelijke wetenschap van [eiseres] (die wist dat een derde veel hogere kosten rekende voor een nauwelijks completere uitvoering van de raatliggers).”
[cursivering in origineel, A-G]
eenprijsverhoging noodzakelijk was, maar niet dat [eiseres] , indachtig de ratio van de bepaling, mede gelet op de te verwachten
omvangvan die prijsverhoging, weloverwogen heeft kunnen beslissen of zij de aanvullende werkzaamheden al dan niet wilde opdragen aan [verweerster] . De motiveringsklacht slaagt dus voor zover deze is gericht tegen rov. 3.13 van het arrest.
Het oordeel of [eiseres] al dan niet een reëel inzicht had in de omvang van de concreet te verwachten meerkosten staat in de sleutel van de vraag of [eiseres] de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen als bedoeld in art. 7:755 BW Pro. In rov. 3.14 van het arrest gaat het, zoals uiteengezet onder 4.13 hiervoor, om een andere vraag, namelijk of, als de horde van art. 7:755 BW Pro eenmaal genomen is, nog getoetst kan worden of het door de aannemer in rekening gebrachte bedrag voor het meerwerk redelijk is. Zoals ook uiteengezet onder 4.13 hiervoor, kan het hof, zoals het in rov. 3.14 heeft gedaan, de redelijkheid van de prijs voor het meerwerk toetsen aan de hand van art. 7:752 lid 1 BW Pro (zie ook onder 4.8 hiervoor). Voor deze toets geldt een ander criterium dan voor de tenzij-bepaling van art. 7:755 BW Pro. Uit de wettekst van art. 7:752 lid 1 BW Pro (zie onder 4.1 hiervoor) blijkt dat bij de beoordeling of sprake is van een redelijke prijs rekening moet worden gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door de aannemer ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Dit zijn precies de omstandigheden die het hof in rov. 3.14 van het arrest bij zijn oordeel betrekt. De hiervoor geciteerde, door het onderdeel bedoelde stellingen van [eiseres] had het hof niet bij zijn oordeel in rov. 3.14 van het arrest hoeven te betrekken. Deze stellingen staan immers in de sleutel van art. 7:755 BW Pro (waarover het hof in rov. 3.13 van het arrest oordeelt) en niet in de sleutel van art. 7:752 BW Pro (waarover het hof in rov. 3.14 van het arrest oordeelt). Anders dan het onderdeel klaagt, is het oordeel van het hof aan het slot van rov. 3.14 van het arrest ook niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof oordeelt aldaar kort gezegd dat voor het meerwerk sprake is van een redelijke prijs die [eiseres] kon verwachten. Dat [eiseres] de meerwerkprijs kon verwachten, slaat terug op de, in cassatie onbestreden overweging in rov. 3.14 van het arrest, dat [verweerster] “niet de verwachting [heeft] gewekt dat zij vermoedelijk een andere prijs voor de aanvullende werkzaamheden in rekening zou brengen dan een prijs op basis van de tarieven die zij gewoonlijk hanteerde voor op regiebasis uit te voeren aanvullende werkzaamheden als de onderhavige.” Hierop stuit het onderdeel af, voor zover het is gericht tegen rov. 3.14 van het arrest.
Het onderdeel slaagt dus, voor zover het is gericht tegen rov. 3.13 van het arrest, en faalt voor zover het is gericht tegen rov. 3.14 van het arrest. [68]