Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Nadat ouders de documentatie hadden aangeleverd, kon de vervolgintake worden ingepland. (…)
Op 18 februari 2020 heeft de 2e intake plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek wordt onder andere duidelijk dat de toestemming die vader gegeven heeft om het verslag van [betrokkene 1] op te vragen, onuitvoerbaar blijkt, omdat vader dit dossier enkele jaren daarvoor zelf heeft laten vernietigen.
(…) Wij constateren hierbij dat er sprake is van een nog lopende zaak en dat er aanvullende informatie over de zedenzaken bij is gekomen, waarmee onze zorgen verder zijn toegenomen en waarbij ouders op geen enkele manier onze zorgen over deze zedenzaken kunnen verminderen, omdat er steeds andere of nieuwe feiten bij lijken te komen. Er is sprake van onvoldoende samenwerking op dit punt tussen ons en ouders, terwijl wij op dat moment al meerdere malen hebben uitgelegd dat samenwerking op dit punt, bijvoorbeeld in de vorm van het aanleveren van documentatie en toelichten van feiten voor ons een voorwaarde is om het traject verder in te kunnen gaan. Hiermee concluderen wij, dat er een contra-indicatie bestaat voor een hereniging binnen onze kliniek. Omdat een hereniging binnen de kliniek een aanmeldreden was vanuit de aanmelder. (…) (…)
Conclusie:
Hierbij hebben wij een gebrek aan samenwerking vanuit ouders ervaren, waardoor het traject eerst vertraging opliep, maar nog belangrijker: ouders zijn niet in staat gebleken om de zorgen over de veiligheid richting anderen te verkleinen. Ouders ontkennen het merendeel van de delicten en/of zijn wisselend in de informatie die zij hierover hebben gedeeld.
Een lopende zedenzaak is een contra-indicatie voor opname op een afdeling waar kwetsbare gezinnen met kleine kinderen zijn opgenomen en waarbij wij ook verantwoordelijk zijn voor de borging van veiligheid van hen.
Dat daarnaast nog een zedenzaak beschreven staat die niet verklaard kan worden of toegelicht maakt nog duidelijker dat een opname binnen onze klinieken niet tot de mogelijkheden behoort. (…)”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ2019/185) moet aanleggen bij een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv. Voor zover het hof het oog heeft op een andere afwijzingsgrond, is zijn oordeel bij gebreke van enige motivering onbegrijpelijk. Het slagen van de klachten leidt ertoe dat ook de oordelen van het hof over de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing niet in stand kunnen blijven, aldus het middel.
NJ2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann – de maatstaf die geldt bij de toepassing van art. 810a lid 2 Rv:
onwilvan de ouders om openheid te geven. Dat de informatie niet zodanig is geweest dat de zorgen bij de GGZ Drenthe over plaatsing in het familiegezinshuis hiermee zijn weggenomen, is op zichzelf te begrijpen, maar daaruit hoeft niet noodzakelijk te volgen dat dat te wijten is aan een gebrek aan medewerking van de ouders. Dat dit niet het geval is geweest, is door de ouders betoogd met de hiervoor onder (i) – (iv) genoemde stellingen. Het hof heeft niet gerespondeerd op deze stellingen.
onmogelijkis omdat het niet realistisch is te verwachten dat de ouders aan een dergelijk onderzoek hun volledige medewerking zullen geven, dit oordeel niet kan worden gedragen door het eindrapport van GGZ Drenthe. In zoverre slagen ook de motiveringsklachten.