Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“(…)
- [betrokkene 1] een van de oprichters en sindsdien een van de aandeelhouders en bestuurders van de klaagster is;
- [betrokkene 1] bij rechterlijke uitspraken is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet en hem de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van € 496.000,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
- aannemelijk is dat de (deels contante) investeringen van [betrokkene 1] in de klaagster voor een aanmerkelijk deel uit misdrijf afkomstig zijn en
- de wetenschap van [betrokkene 1] , onder meer met betrekking tot de inhoud van voormelde uitspraken, kan worden toegerekend aan de klaagster.
De Hoge Raad oordeelde dat uit deze omstandigheden niet zonder meer volgt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat [betrokkene 1] de investeringen in de klaagster heeft gedaan met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en dat de klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden.