Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede tot en met het zevende cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De betrokkene werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch legde een betalingsverplichting van €474.207 op.
In cassatie klaagde de betrokkene onder meer over een ontoereikende motivering van de mate van toerekening, schending van de redelijke termijn en fouten bij de berekening van het voordeel. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van de uitspraak uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de motivering en berekening niet tot vernietiging leiden, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn gegrond is. Dit leidt tot vermindering van de betalingsverplichting tot €469.207. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 6 oktober 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €474.207 naar €469.207 wegens overschrijding van de redelijke termijn.