Conclusie
[eiseres],
ING,
1.Feiten
lening 1
“[A]lle producten die wij u te bieden hebben kunnen worden afgestemd op uw wensen en eisen om zo te komen tot een optimaal rentemanagement”.
execution onlyen dus niet [eiseres] te hebben geadviseerd. Op de Vragenlijst MiFID-passendheid heeft [eiseres] aangegeven over kennis en ervaring met betrekking tot rentederivaten te beschikken. ING concludeerde haar bericht van 9 juli 2014 als volgt:
2.Procesverloop
de rechtbank). [eiseres] heeft primair een verklaring voor recht gevorderd dat ING toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen jegens [eiseres] en/of onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede dat ING zich bij haar dienstverlening rond de renteswap niet op eerlijke, billijke en professionele wijze heeft ingezet voor de belangen van [eiseres] , en ING te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. [eiseres] heeft subsidiair gevorderd de renteswap te vernietigen en ING te veroordelen tot terugbetaling van het verschil tussen de door [eiseres] uit hoofde van de renteswap aan ING betaalde bedragen en de door [eiseres] van ING ontvangen bedragen.
het hof). Het hof heeft bij arrest van 3 december 2019 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [5]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iais gericht tegen het oordeel dat ING [eiseres] niet heeft geadviseerd.
Onderdeel Ibstelt dat ING geen correcte passendheidstoets heeft uitgevoerd.
Onderdeel IIricht zich tegen het oordeel dat [eiseres] civielrechtelijk moet worden aangemerkt als een professionele partij.
Onderdeel IIIgaat met name in op de waarschuwingsplicht ten aanzien van de vaste kern van het rekeningcourantkrediet.
Onderdeel IVacht het oordeel van het hof omtrent dwaling en (het aanvangsmoment van de) verjaring onjuist.
Onderdeel Vstelt dat het hof heeft nagelaten om het toepasselijke Nederlandse recht richtlijnconform toe te passen.
Onderdeel VIbevat een veegklacht.
renteswapde bekendste is. Op grond van een renteswapovereenkomst worden rentevoorwaarden uitgewisseld. De ene partij betaalt een vaste rente aan de andere partij, die een variabele rente betaalt aan eerstgenoemde partij. (…)
payer swap, betaalt de klant een vaste rente aan de bank en betaalt de bank een variabele rente aan de klant. Ook onder de variabelrentende lening betaalt de klant een variabele rente, met een opslag (marge), aan de bank. De variabele rente onder de lening en onder de swap zijn op elkaar afgestemd, door bijvoorbeeld in de lening en de swap steeds het tarief driemaands Euribor te hanteren. Onder de lening en onder de swap gezamenlijk betaalt de klant dan uiteindelijk de vaste rente en de opslag.
margin call). Gelet op het risico van een margin call, loopt de cliënt een liquiditeitsrisico.
overhedgeontstaan indien de swap niet goed is afgestemd op de aflossingen. Ook wijziging door de bank van de opslag die deel uitmaakt van het vasterentetarief dat de klant onder swap betaalt, heeft in de praktijk tot geschillen geleid. (…)”
mismatch’), en dat bij tussentijdse beëindiging van de swap – bijvoorbeeld bij aflossing van de lening – de marktwaarde daarvan moest worden afgerekend. Deze afrekening van de marktwaarde kon betekenen dat de cliënt een aanzienlijk bedrag aan de bank moest betalen. Bovendien kon deze mogelijke betalingsverplichting al tijdens de looptijd van de renteswap negatieve gevolgen hebben voor de cliënt, bijvoorbeeld in de vorm van beperking van kredietruimte.”
geadviseerdom een rentederivaat af te sluiten omdat de stelling dat ING het initiatief heeft genomen om met [eiseres] te spreken over het afdekken van het renterisico, onvoldoende is toegelicht. Volgens [eiseres] heeft ING haar wél geadviseerd. ING had daarom een geschiktheidstoets moeten uitvoeren in plaats van een passendheidstoets.
nr. 9bevat iets van een klacht. Gelet op het “nuttig effect beginsel” moet de Europeesrechtelijke definitie van ‘beleggingsadvies’ leidend zijn, wat het hof in rov. 3.5 zou hebben miskend door beslissende betekenis toe te kennen aan de vraag wie het initiatief tot de renteswap nam. Het gaat er volgens [eiseres] om of ING een gepersonaliseerde aanbeveling voor de renteswap heeft gedaan.
nr. 10-13van de procesinleiding op dat zij zich in hoger beroep heeft beroepen op de Europeesrechtelijke definitie van ‘advies’ en daarbij heeft verwezen naar (i) de richtsnoeren “Understanding the definition of Advice under the MiFID”, (ii) de presentatie van ING op 22 mei 2008 en (iii) de brief van ING van 28 mei 2008 met het “voorstel rentehedge”. Dit voorstel is volgens [eiseres] een aanbeveling en dus een ‘advies’ in de zin van de Wft. Dat ook zou blijken uit het feit dat [eiseres] aanvankelijk € 6.000.000 wilde afdekken, [11] ING tot € 3.500.000 miljoen wilde gaan, maar partijen uiteindelijk een renteswap voor € 5.000.000 hebben afgesloten. Dit een en ander had het hof moeten kwalificeren als ‘advies’ (
nr. 15). Het zou hier gaan om een zuivere rechtsvraag (
nr. 14).
nr. 18van de procesinleiding dat het oordeel dat ING een correcte passendheidstoets heeft uitgevoerd niet in stand kan blijven omdat
in het geval van adviesop ING de verplichting rustte om na te gaan of de renteswap voor [eiseres]
geschiktwas (art. 4:23 Wft Pro). Nu wij zagen dat het hof terecht heeft vastgesteld dat van een advies geen sprake was, deelt deze klacht het lot van onderdeel Ia.
Nr. 19-21van de procesinleiding betogen dat het oordeel dat het gehanteerde passendheidsformulier voldeed aan de op dat moment geldende eisen, niet de conclusie kan dragen dat ING een correcte passendheidstoets heeft uitgevoerd. Het hof heeft ten onrechte niet gepreciseerd op welke “
op dat moment geldende eisen” het doelt. Daarmee heeft het hof nagelaten om feiten vast te stellen die de voorwaarden vormen voor de toepasselijkheid van de relevante uit de MiFID en Wft voortvloeiende rechtsregels.
Nr. 22acht de omstandigheid dat de door ING gebruikte vragenlijsten in overeenstemming waren met die van de overige banken geen recht in de zin van art. 79 RO Pro, zodat het hof niet op die basis kon concluderen dat ING de zorgplicht niet heeft geschonden. Dat het hier niet gaat om recht in de zin van 79 RO is juist. Daarentegen is het daaraan door [eiseres] verbonden rechtsgevolg (“
zodat”) onjuist, omdat de omstandigheid dat het hier geen recht in de zin van art. 79 RO Pro betreft niet kan afdoen aan het oordeel van het hof dat ING haar zorgplicht niet heeft geschonden.
nr. 25van de procesinleiding wordt geklaagd dat één eerder door een groepsmaatschappij afgesloten renteswap (vgl. rov. 3.6) niet kan leiden tot een veronderstelde deskundigheid ten aanzien van rentederivaten, noch tot de conclusie dat ING een correcte passendheidstoets heeft uitgevoerd en de zorgplicht niet heeft geschonden. MiFID stelt hoge(re) eisen aan de te veronderstellen deskundigheid van de cliënt, aldus de klacht.
Nr. 26-30van de procesinleiding gaan nader in op de rol van die eerdere renteswap.
Nr. 27stelt dat het hof niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van [eiseres] dat de renteswap ter afdekking van de renterisico’s van het ING-krediet en bij de leveranciers complexer en risicovoller is dan de door [eiseres] Onroerend Goed B.V. afgesloten renteswap was. [13] Daarmee staat in cassatie vast dat de door [eiseres] Onroerend Goed B.V. afgesloten transactie een minder risicovol product was, en ontvalt de grondslag aan de beslissing dat de kennis van Onroerend Goed B.V. aan [eiseres] kan worden toegerekend.
nr. 28dat het hof niet heeft gerespondeerd op de stelling van [eiseres] dat het invullen van vraag 2 van de Vragenlijst MiFID-passendheid onduidelijk is, en dat uit het invullen van die vragenlijst niet kan volgen dat bij [eiseres] de vereiste kennis aanwezig was, in
nr. 29dat de beslissing van het hof dat [eiseres] zou hebben aangegeven dat de kennis aanwezig was, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, en in
nr. 30dat, zelfs als moet worden aangenomen dat met de ondertekening van de vragenlijst is aangegeven dat de kennis bij [eiseres] aanwezig was, de bijzondere zorgplicht er nu juist voor is [eiseres] te behoeden voor eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht.
beschikt, maar dat [eiseres] , gezien eerdere transacties binnen het concern, kennis en ervaring heeft met het sluiten van renteswaps. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
Nr. 35van de procesinleiding klaagt dat het hof niet (voldoende) heeft gemotiveerd waarom aansluiting is gezocht bij de Europeesrechtelijke MiFID-systematiek van Bijlage II en dat het hof deze zodanig heeft toegepast dat daarmee een lager beschermingsniveau werd geëffectueerd. Deze toepassing is in strijd met het (Unierechtelijke) effectiviteitsbeginsel en de door de MiFID gerealiseerde maximumharmonisatie.
Nr. 36-37voeren aan dat vanwege de kwalificatie van [eiseres] als niet-professioneel aan hem het hoogste beschermingsniveau toekwam. [18] Volgens
nr. 38-40heeft het hof de maatstaf om een entiteit als professionele cliënt op het gebied van financiële instrumenten aan te merken in strijd met MiFID op geconsolideerd niveau toegepast.
professionele ondernemeris in het kader van de op de bank rustende civielrechtelijke zorgplicht moet daarom worden onderscheiden van de vraag of [eiseres] een
professionele beleggeris in de zin van de Wft. Het hof heeft zich over dat laatste niet uitgelaten, maar in rov. 3.9 overwogen dat [eiseres] niet een ‘
particulierebelegger’ is. Uit de in 1.9 genoemde transactiedocumentatie blijkt dat ING [eiseres] voor de op hun verhouding van toepassing zijnde bepalingen uit de MiFID-richtlijn en de Wft heeft aangemerkt als niet-professionele cliënt. [19] Deze laatste kwalificatie doet echter niet af aan de juistheid van de kwalificatie ‘professionele ondernemer’ voor toetsing aan de civielrechtelijke zorgplicht, aangezien dat begrip niet in de Wft wordt gedefinieerd en daarom ook niet aan de hand van de Wft kan worden ingevuld. [20] Het oordeel van het hof dat ING tegenover [eiseres] niet was gehouden tot een gelijke (bijzondere) zorgplicht als op haar rust ten opzichte van particuliere beleggers is daarom niet onjuist. [21]
19 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2017:1057)Een relevante omstandigheid is voorts of de cliënt een particulier of een ondernemer is, want van ondernemers wordt meer zelfredzaamheid verwacht. Maar zoals tussen particuliere cliënten verschillen kunnen bestaan, kunnen die ook (en met name) bestaan tussen allerlei niet-particuliere cliënten van de bank.
nr. 35op beroept, [26] in dit verband niet de betekenis toekomt die [eiseres] daaraan wil toekennen. [eiseres] heeft zich beroepen op schending van de civielrechtelijke zorgplicht, voor de toepassing waarvan zij door het hof is aangemerkt als professionele ondernemer. Bij het aangaan van de renteswap heeft ING haar voor de toepassing van MiFID aangemerkt als een niet-professionele cliënt, maar niet is gebleken dat haar daardoor een niveau van bescherming is onthouden die haar op grond van MiFID c.q. de Wft zou toekomen. Waar [eiseres] aanvoert dat dit wél zo was, gaat zij klaarblijkelijk uit van de aanname dat tussen haar en ING sprake was van een adviesrelatie (zie onderdeel Ia hiervoor).
nr. 38dat het hof ten onrechte is uitgegaan van het geconsolideerde niveau wijs ik er op dat in het Uniform Herstelkader Rentederivaten (UHK) van 19 december 2016 (waar [eiseres] gelet op haar balanstotaal niet onder viel) [27] de vraag of een cliënt is aan te merken als professionele belegger moet worden beantwoord aan de hand van de groepsomzet (onderstreping toegevoegd):
Als de klant deel uitmaakt van een Groep, dan geschiedt de toetsing op basis van geconsolideerde financiële gegevens van de Groepwaarvan de klant deel uitmaakte ten tijde van het afsluiten van het Rentederivaat.”
Nr. 41van de procesinleiding klaagt erover dat indien een cliënt wordt bijgestaan door een “
willekeurige externe adviseur”, dat niet betekent dat hij daarom als professioneel moet worden aangemerkt. In dat kader voert [eiseres] aan (
nr. 42-44)dat het hof niet heeft gerespondeerd op de in hoger beroep aangevoerde stelling dat haar adviseur [A] niet over een AFM-vergunning beschikte en daarmee op het gebied van rentederivaten niet deskundig moest worden geacht. Daarom zou in cassatie als uitgangspunt hebben te gelden dat [eiseres] niet werd bijgestaan door een ter zake deskundig adviseur en zou de grondslag aan het oordeel in rov. 3.8 komen te ontvallen, althans zou dit oordeel onvoldoende zijn gemotiveerd.
willekeurige externe adviseur”. Daar komt bij dat het hof [eiseres] juist niet als een professionele belegger heeft aangemerkt voor MiFID en de Wft (vgl 3.27).
nr. 45-51dat een en ander gevolgen heeft voor de door ING te betrachten zorgplicht jegens [eiseres] . Anders dan het hof in rov. 3.9 aanneemt, kon ING niet voetstoots ervan uitgaan dat, indien [eiseres] als onderneming wordt bijgestaan door een kwalitatief niet nader omschreven adviseur, dit derogeert aan haar eigen zorgplicht en afbreuk doet aan het hoge beschermingsniveau. ING had zich, nu het ging om een complex product, ervan moeten vergewissen dat zij zich met een deskundige gesprekspartner verstond voordat zij de overeenkomst aanging althans het beschermingsniveau verlaagde. Het hof heeft miskend dat ING een onderzoek moest instellen naar de beleggingsactiviteiten van [eiseres] , aldus de klacht.
Nr. 52van de procesinleiding klaagt dat het gegeven dat namens [eiseres] zou zijn aangedrongen op afdekking van een hoger bedrag haar niet deskundig maakt op het gebied van rentederivaten en dat dat, anders dan het hof in rov. 3.8 heeft geoordeeld, niet kan leiden tot het oordeel dat aan [eiseres] een lager beschermingsniveau toekomt dan een niet-professioneel. Het oordeel dat zij in civielrechtelijke zin een professionele partij is, zou onbegrijpelijk zijn (
nr. 53).
55-56van de procesinleiding wordt geklaagd dat het hof zou hebben miskend dat geen rechtsregel kan worden onderkend die voorschrijft dat er voor een deel van een transactie in een financieel instrument moet worden gewaarschuwd c.q. een zorgplicht bestaat, en voor een ander deel niet. Het is niet mogelijk dat voor een gedeelte wel een zorgplicht zou gelden en voor een ander gedeelte niet.
nr. 56stelt [eiseres] voorts dat het hof in rov. 3.11 wellicht heeft bedoeld te oordelen dat de vaste kern van het krediet gelijk moet worden gesteld met een lening. Ook dan geldt echter een zorgplicht. Daarbij heeft het hof miskend dat zelfs wanneer ING niet zonder meer van haar bevoegdheid tot opzegging gebruik mag maken, voor opzegging dan wel beperking van een rekening-courantkrediet geen verzuim van de kredietnemer nodig is.
Nr. 56betoogt tot slot dat het hof heeft miskend (althans niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling) dat de geldende opnamevoorwaarden een groter risico op overhedge meebrachten. [29]
Nr. 58klaagt tot slot dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat de vaststelling dat [eiseres] een deel van haar onder de renteswap betaalde en ontvangen rente aan [eiseres] Automobielbedrijven B.V. kon toerekenen (rov. 3.12) er toe kan leiden dat ING haar zorgplicht niet heeft geschonden (rov. 3.13).
nr. 60van de procesinleiding dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat ING geen informatie- en mededelingsplicht heeft geschonden die voortkomt uit de zorgplicht, zodat deze grond ontvalt aan de beslissing van het hof in het kader van het beroep op dwaling. Deze klacht bouwt voort op onderdeel Ia en onderdeel 3 en kan reeds daarom niet slagen. Het oordeel dat niet is gebleken dat ING op grond van een op haar rustende zorgplicht een informatie- of waarschuwingsplicht heeft, is niet onjuist of onbegrijpelijk.
nr. 61-65van de procesinleiding betoogt [eiseres] dat onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd is het oordeel van het hof dat met betrekking tot het beroep op dwaling als aanvangsmoment van de verjaring geldt de bekendheid van [eiseres] met de negatieve waarde van de renteswap (5 december 2011). Het hof had als aanvangsmoment de ontdekking van de dwaling moeten gebruiken (7 mei 2014). Pas toen raakte [eiseres] via zijn adviseurs [betrokkene 7] en [betrokkene 8] ermee bekend dat ING geen passend advies had gegeven en daarmee haar zorgplicht had geschonden. [30]