Conclusie
mismatch) en dat Rabobank [eisers] onvoldoende heeft voorgelicht over kenmerken en risico’s van de derivaten, waaronder de daaraan verbonden kosten en de bevoegdheid van Rabobank tot een
margin call. [eisers] hebben in rechte onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat zij de derivatenovereenkomsten hebben vernietigd (c.q. alsnog vernietiging van deze overeenkomsten door de rechter) op grond van dwaling en/of andere wilsgebreken en vergoeding van de door hen geleden schade. Ook menen zij dat Rabobank op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen gehouden is aan hen financiering te verstrekken en vorderen zij nakoming van deze verplichting. Zowel de rechtbank als het hof hebben de vorderingen tot nakoming en tot (vaststelling van de) vernietiging afgewezen. Wel is in twee feitelijke instanties geoordeeld dat Rabobank – ten aanzien van een deel van de aan haar gemaakte verwijten – de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden en zijn partijen naar de schadestaatprocedure verwezen. [eisers] komen in het principaal cassatieberoep op tegen de afwijzende oordelen van het hof en Rabobank in het incidenteel cassatieberoep tegen de toegewezen vorderingen inzake de door het hof aangenomen zorgplichtschending.
1.Feiten
supercollaren een renteruil. Uitgangspunt was blijkens de brief van 12 juni 2008 het renterisico af te dekken over een bedrag van € 2.400.000 aflossingsvrij voor een looptijd van 10 jaar.
Niet-Professioneel”. Bij het in het TIF opgenomen ‘Afgesproken Bedrag’ van € 700.000 heeft [eiseres 1] met de hand geschreven “
Formaliteit”.
swapeen nominaal bedrag betreft van € 2.500.000, dat een vaste rente moet worden betaald van 5,13% te betalen per drie maanden, beginnend op 1 oktober 2008. Verder is in de voorwaarden opgenomen dat Rabobank een variabele rente aan [eisers] betaalt tegen een 3-maands euribortarief (Reuters). Blijkens het op de volgende pagina opgenomen schema loopt het nominale bedrag gedurende de looptijd van de rente
swapaf van € 2.500.000 op 7 juli 2008 naar € 1.525.000 op 1 juli 2018. [eiseres 1] en [eiser 2] hebben deze bevestiging ieder op 4 augustus 2008 ondertekend teruggezonden aan Rabobank.
semi super collareen nominaal bedrag betreft van € 2.500.000, dat er een ‘Semi Super Collar Cap Niveau’ is van 5,54% en een ‘Semi Super Collar Floor Niveau’ van 4,05%, dat de rente moet worden betaald per drie maanden, beginnend op 1 oktober 2008. Blijkens het op de volgende pagina opgenomen schema loopt het nominale bedrag gedurende de looptijd van de
semi super collaraf van € 2.500.000 op 7 juli 2008 naar € 1.525.000 op 1 juli 2018. [eiseres 1] en [eiser 2] hebben deze bevestiging ieder op 4 augustus 2008 ondertekend terug gezonden aan Rabobank.
swapen de
semi super collarzijn van toepassing verklaard de Algemene Voorwaarden voor Financiële Derivaten van de Rabobank (hierna: ‘de Algemene Voorwaarden Derivaten’).
swap, A-G] of de rentecollar.
swapen
semi super collarworden besproken, is onder meer het volgende vermeld:
2.Procesverloop
swapen de
semi super collarzijn vernietigd, dan wel deze te vernietigen, op grond van bedrog, misbruik van omstandigheden dan wel dwaling met veroordeling tot ongedaanmaking van hetgeen op basis van deze overeenkomsten is gepresteerd (vordering 2); en
swapen de
collaronder invloed van wilsgebreken tot stand zijn gekomen en of [eisers] (destijds) bevoegd waren om op die grond de overeenkomsten (buitengerechtelijk) te vernietigen, is het hof tot het oordeel gekomen dat Rabobank zich met recht op verjaring van de (buitengerechtelijke) vernietigingsbevoegdheid kan beroepen. Het hof heeft daarover als volgt overwogen:
swapen de
semi super collarsprake was van een adviesrelatie (rov. 3.11.). Vervolgens heeft het hof als volgt overwogen over de inhoud van de zorgplicht:
mismatchtussen de door [eisers] afgesloten leningen en de gekochte derivaten. Nadat het hof de stellingen van partijen heeft weergegeven (rov. 3.14.1.-3.14.2.), heeft het hof overwogen dat het uit de stellingen van partijen begrijpt dat partijen bij het aangaan van de derivaten beide voor ogen hadden dat zij het renterisico beoogden af te dekken voor zowel bestaande als in de nabije toekomst af te sluiten leningen (rov. 3.14.3.) en heeft het als volgt geoordeeld:
mismatchbij het aankopen van de derivaten rekening moesten houden met de fluctuaties in haar financieringsbehoefte. Dat Rabobank hieraan heeft voldaan, is naar het oordeel van het hof gesteld noch gebleken. Aldus heeft Rabobank niet aan haar zorgplicht voldaan (rov. 3.14.6.).
marginverplichting, die – kort gezegd – inhoudt dat Rabobank maatregelen kon nemen indien de derivaten tijdens de looptijd een negatieve marktwaarde zouden krijgen van € 700.000 of lager. Tot schade heeft dit, naar het oordeel van het hof, echter niet geleid:
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
mismatches), de grondslag voor aansprakelijkheid ten aanzien van de vastgestelde zorgplichtschending en de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging wegens dwaling en/of andere wilsgebreken. De klachten over het oordeel inzake de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging wegens dwaling en/of andere wilsgebreken, die (als enige) voorwaardelijk zijn ingesteld, hebben dusdanige overlap met de klachten van onderdeel 2 van het principale cassatieberoep, dat deze reeds in de paragraaf bij de behandeling van onderdeel 2 aan de orde zullen worden gesteld.
swap, hebben afgenomen. Een rente
swapis, kort gezegd, een overeenkomst waarmee de afnemer (in deze zaak [eisers] ) het risico van een stijgende rente, dat hij loopt doordat hij een lening heeft afgesloten tegen een variabele rente (hierna: ‘de onderliggende lening’), kan afdekken. Een rente
swapis, in grote lijnen, een soort ruilcontract waarbij de uitgevende bank (in deze zaak Rabobank) toezegt aan de afnemer gedurende zekere tijd een variabele rente te betalen die gelijk is aan de variabele rente van de onderliggende lening, waarvoor de afnemer in ruil aan de bank een vaste rente betaalt. Indien de variabele rente uit de
swapen de variabele rente uit de onderliggende lening goed op elkaar aansluiten, betaalt de afnemer onder aan de streep alleen de vaste rente uit de
swap. Er zijn ook andere vormen van rentederivaten, zoals ‘caps’, ‘floors’ en ‘collars’ (waaronder de eveneens door [eisers] bij Rabobank afgenomen
semi super collarvalt). Kort gezegd houden deze derivaten in dat de afnemer en de bank afspreken dat de door de afnemer te betalen rente nooit boven (een
cap) of onder (een
floor) een vooraf vastgesteld niveau komt te liggen. Een
collaris een combinatie van een
capen een
floor, waarbij in feite een bandbreedte wordt afgesproken waartussen de door de afnemer te betalen variabele rente zich mag bewegen, met een maximum en een minimum. Rentederivaten kennen doorgaans allerlei bijzondere kenmerken, waardoor de financiële implicaties van het product niet altijd in één oogopslag te doorgronden zijn.
swapbijvoorbeeld doordat hij een vaste rente betaalt in plaats van een variabele. Of dat voordelig uitpakt voor de afnemer, hangt onder meer af van de ontwikkeling van de rentekoers. Aan rentederivaten zijn bepaalde risico’s verbonden. Zo krijgen de derivaten een meer speculatief karakter indien, al dan niet bewust, de nominale waarde en looptijd van de
swapniet goed aansluiten bij die van de onderliggende lening. Dit wordt ook wel een ‘mismatch’ genoemd. Daarnaast vertegenwoordigen de derivaten gedurende de looptijd ervan een bepaalde waarde. Deze waarde is, onder meer, afhankelijk van de relevante rentestanden (in deze zaak: de 3-maands euriborrente [6] ) en kan als gevolg daarvan negatief zijn. Omdat de bank bij een negatieve waarde een risico loopt, wordt in de betreffende overeenkomsten vaak opgenomen dat de bank in het geval dat deze negatieve waarde een bepaalde drempel overstijgt, de afnemer kan dwingen een bedrag te betalen of zekerheid te stellen (een
margin call). Dit brengt weer een liquiditeitsrisico voor de afnemer met zich. Problemen kunnen zich in het bijzonder voordoen als er iets (onverwachts) gebeurt met de onderliggende lening (bijvoorbeeld opzegging, (gedeeltelijke) aflossing e.d.), waardoor deze niet meer goed aansluit bij de afgenomen derivaten. In (het bijzonder in) de periode 2005-2009 zijn door banken veel rentederivaten verkocht. Vanwege met name de vanaf het eind van die periode dalende rente hebben deze in veel gevallen nadelig uitgepakt voor de afnemers. In de rechtspraak wordt regelmatig de vraag aan de orde gesteld in hoeverre de banken hun afnemers afdoende over de werking van de derivaten hebben voorgelicht en ter zake aan hun zorgplicht hebben voldaan. [7]
mismatch) en (iii) Rabobank [eisers] onvoldoende heeft voorgelicht over kenmerken en risico’s van de derivaten, waaronder de daaraan verbonden kosten en de bevoegdheid van Rabobank tot een
margin call.
onderdeel 1, dat uit drie subonderdelen bestaat, richten [eisers] zich tegen de uitleg die het hof geeft aan de term ‘normale bancaire normen’ in de vaststellingsovereenkomst. Ik roep in herinnering dat partijen in de vaststellingsovereenkomst overeen zijn gekomen dat Rabobank bij in de toekomst aan (onder meer) [eisers] te verstrekken leningen, kort gezegd, een rentekorting zou verstrekken, “uitgaande dat verstrekking binnen normale bancaire normen mogelijk is” (hiervoor randnummer 1.4). Het hof heeft deze bepaling aldus uitgelegd dat Rabobank erop heeft mogen vertrouwen dat [eisers] er met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst mee instemden dat Rabobank financieringsaanvragen van [eisers] onder deze overeenkomst zou toetsen aan de
door haargehanteerde normale bancaire normen.
Haviltex-maatstaf). [8]
haarnormen overeen te komen en kon daarmee in zoverre volstaan (in die zin dat zij uiteraard wel diende te stellen en onderbouwen wat haar normen inhielden). [9] Ook overigens is de uitleg die hof aan het begrip ‘algemene bancaire normen’ heeft gegeven in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk, zodat
subonderdeel 1.1faalt.
subonderdeel 1.2, dat zich richt tegen rov. 3.8.3., bouwt voort op het eerste subonderdeel en faalt in het voetspoor daarvan. De tweede klacht van het subonderdeel betoogt dat – ook in de door Rabobank voorgestane uitleg – niet begrijpelijk is waarom het feit dat meerdere banken bereid waren het project in Eindhoven te financieren en het project ook door een (groot)bank is gefinancierd niet meebrengt dat het project voldeed aan de normale bancaire normen. Het subonderdeel betoogt dat als diverse andere banken het project wilden financieren, op zijn minst aannemelijk zou zijn dat dit binnen de normale bancaire normen (ik begrijp: van Rabobank) mogelijk is, ook qua rentabiliteit.
subonderdeel 1.2faalt.
onderdeel 1tevergeefs is voorgesteld.
onderdeel 4van het incidentele cassatieberoep van Rabobank, dat is voorgedragen onder de voorwaarde dat principaal onderdeel 2 tot vernietiging zou leiden. Kort gezegd betoogt dit onderdeel 4 dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zonder een incidentele grief van Rabobank niet had kunnen toekomen aan (her)beoordeling van Rabobanks beroep op verjaring, het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, omdat de rechtbank de vordering van [eisers] waarop het verjaringsberoep van Rabobank ziet op andere gronden heeft afgewezen. Alhoewel het onderdeel voorwaardelijk is voorgedragen, is er aanleiding de in dit onderdeel aan de orde gestelde vragen hier reeds te behandelen.
datRabobank (afdoende) tegen het verjaringsoordeel heeft gegriefd, dan wel bij de klachten die inhouden dat het hof heeft miskend dat Rabobank tegen (delen) van het verjaringsoordeel niet heeft gegriefd.
onderdeel 2van het principale cassatieberoep.
subonderdeel 2.2,nu dit subonderdeel betoogt dat het hof in rov. 3.9.4. heeft miskend dat Rabobank geen (incidentele) grief heeft gericht tegen een aan de verwerping van het beroep op dwaling ten grondslag liggende overweging. Wat er ook zij van de vraag
ofRabobank ter zake heeft gegriefd, nu zij niet hoefde te grieven is deze vraag niet van belang.
subonderdeel 2.3richt zich tegen rov. 3.9.4. en betoogt dat het hof heeft miskend dat het beroep op verjaring een bevrijdend verweer is, waarvan stelplicht en bewijslast op Rabobank rusten. Het hof had volgens het onderdeel hooguit mogen beoordelen wanneer [eisers] volgens Rabobank op de hoogte waren geraakt van de door hen ter onderbouwing van het dwalingsberoep aangevoerde gronden en wat Rabobank ter onderbouwing van die stellingen had aangevoerd. Het hof heeft volgens de klacht deze rechtsregel geschonden door uit te gaan van wat naar zijn visie volgt uit de stellingen van [eisers]
Subonderdeel 2.4faalt derhalve.
onderdeel 2in het principale cassatieberoep faalt. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder
onderdeel 4 van het incidentele cassatieberoepis ingesteld, zodat aan dit onderdeel (formeel) (verder) niet meer behoeft te worden toegekomen.
onderdeel 3bestrijden alle de overweging van het hof in rov. 3.19.1. dat de schadevergoedingsplicht van Rabobank is beperkt tot de schade die het gevolg is van de in het bestreden arrest vastgestelde schendingen van de zorgplicht (hiervoor randnummer 2.16), mede in het licht van de vaststelling van het hof dat de grieven van Rabobank in het incidentele appel dienen te falen (rov. 3.17.1 en 3.19.1.).
welkeschade wel of niet door deze zorgplichtschending is veroorzaakt en evenmin op de vraag op welke wijze deze schade dient te worden begroot. [22]
Subonderdeel 3.1faalt derhalve.
subonderdeel 3.3en
subonderdeel 3.4gaan ten onrechte uit van de veronderstelling dat het hof met de bestreden passage in rov. 3.19.1. uitsluit dat [eisers] van het afsluiten van de derivaten zouden hebben afgezien als Rabobank haar zorgplicht netjes was nagekomen. De subonderdelen falen derhalve om de hiervoor genoemde reden.
datRabobank haar zorgplicht heeft geschonden (en niet
welke). De overwegingen van het hof dat de incidentele grieven van Rabobank falen, moeten dan ook zo worden begrepen dat deze niet tot een ander dictum leiden. Het hof komt immers ook tot bekrachtiging van het vonnis onder verbetering van gronden. De gewraakte passage in rov. 3.19.1., dat de schadevergoedingsplicht van Rabobank is beperkt tot vergoeding van de schade die het gevolg is van de in het bestreden arrest vastgestelde schendingen van de zorgplicht, draagt aan deze lezing bij. Het hof expliciteert met deze overweging dat het de formele
uitkomstvan het eindvonnis bekrachtigt, maar dat het de
grondendie tot die uitkomst hebben geleid zelf heeft vastgesteld.
subonderdeel 3.2tevergeefs is voorgesteld. Daarmee falen alle subonderdelen van
onderdeel 3.
marginverplichting en de in rov. 3.16. behandelde overige (gestelde) zorgplichtschendingen.
subonderdeel 4.1faalt.
Subonderdeel 4.3faalt.
marginverplichting (hiervoor randnummer 2.14), maar dat [eisers] hierdoor geen schade hebben geleden omdat Rabobank dit beding nooit heeft ingeroepen (waarbij het hof veronderstelt dat Rabobank het beding ook niet zal inroepen). In rov. 3.16. heeft het hof een aantal andere gestelde schendingen van de zorgplicht verworpen, omdat [eisers] onvoldoende hebben gesteld dat deze (beweerdelijke) zorgplichtschendingen ertoe hebben geleid dat zij niet weloverwogen een besluit over de derivaten hebben kunnen nemen en in welk opzicht de schendingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van schade. Volgens
subonderdeel 4.4heeft het hof daarmee miskend dat ook deze schendingen kunnen bijdragen aan de conclusie dat [eisers] (de schendingen weggedacht) de derivaten niet zouden hebben afgesloten.
marginverplichting sprake is van schending van de zorgplicht, maar ook oordeelt dat [eisers] op dit punt geen schade hebben geleden, partijen in de schadestaatprocedure aan dit oordeel omtrent de omvang van de schade zijn gebonden. [28] In zoverre hebben [eisers] belang bij de klacht, ondanks de overweging van het hof in rov. 3.19.1. dat in de schadestaatprocedure (slechts) de vergoedingsplicht ten aanzien van de in het bestreden arrest vastgestelde zorgplichtschendingen aan de orde kan komen.
marginverplichting is een op zichzelf staande verplichting die, nu deze niet is en (veronderstellenderwijs) zal worden ingeroepen, geen invloed heeft op de rest van de overeenkomst. Het latente nadeel dat voor [eisers] uit de bepaling zou kunnen voortvloeien, heeft zich niet geopenbaard. [30] Daarmee is het oordeel van het hof mijns inziens niet onjuist en valt het binnen de speelruimte die de wet biedt aan de rechter die over de omvang van de schade dient te oordelen. [31] Een nadere motivering behoefde het oordeel niet, zodat de klacht faalt.
subonderdeel 4.4faalt. Daarmee falen alle klachten van
onderdeel 4.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
mismatches(onderdeel 2) en de grondslag voor aansprakelijkheid ten aanzien van de vastgestelde zorgplichtschending (onderdeel 3).
Subonderdeel 1.1betoogt dat het hof, door in rov. 3.14.5. in het midden te laten of [eisers] handelden als ondernemers, heeft miskend dat beantwoording van deze vraag de inhoud en reikwijdte van de bancaire zorgplicht mede bepaalt. Aldus heeft het hof, volgens het subonderdeel, miskend dat de zorgplicht van een bank tegenover een ondernemer rechtens niet (in zijn algemeenheid) in gelijke mate als bij een consument ertoe strekt die partij te beschermen tegen eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht omdat van een ondernemer meer zelfredzaamheid mag worden verwacht. Het subonderdeel wijst erop dat de reikwijdte van de civielrechtelijke bancaire zorgplicht afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder de hoedanigheid van de klant als ondernemer.
mismatch, leidt tot een schending van de zorgplicht. Naar het oordeel van het hof had Rabobank ervoor moeten zorgen dat de derivaten aansloten bij de onderliggende leningen, en als er voor werd gekozen beide niet te laten aansluiten, [eisers] duidelijk had moeten wijzen op de financiële consequenties c.q. risico’s. Het hof betrekt bij deze afweging de complexiteit van de derivaten en de ervaring van [eisers] met deze producten. Uit de vaststelling dat [eisers] contractueel als niet-professionele cliënt hebben te gelden valt op te maken dat het hof bij de beoordeling aan deze kwalificatie in dit concrete geval meer waarde toekent dan aan de vraag of [eisers] als consument of ondernemer (van de orde van grootte van [eisers] ) hebben te gelden en lijkt te volgen dat onder de door het hof genoemde omstandigheden in beide gevallen sprake zou zijn van een zorgplichtschending. Met dat oordeel heeft het hof niet miskend dat de kwalificatie als ondernemer bij de invulling van de zorgplicht van belang kan zijn. Het oordeel houdt evenmin in dat de zorgplicht van een bank jegens een ondernemer (steeds) in gelijke mate tot bescherming strekt als jegens een consument.
Subonderdeel 1.1faalt derhalve.
swapdie wordt afgesloten ter afdekking van het renterisico van een variabelrentende lening een ingewikkeld product is, kan overigens mijns inziens in zijn algemeenheid – dus nog even los gezien van de deskundigheid van de cliënt – worden aangenomen. [40]
mismatchesvan dien aard is dat Rabobank, in het licht van de ervaringen van [eisers] met derivaten, haar zorgplicht heeft geschonden. Rabobank betoogt daarbij dat de
mismatcheseen overzichtelijke en/of beperkte aard hebben.
mismatchesgeconstateerd (hiervoor randnummer 2.12). Volgens de tegen rov. 3.14.4.-3.14.6. gerichte klacht van het subonderdeel (uitgewerkt in randnummer 1.2.1 van het verweerschrift) is het hof niet (voldoende gemotiveerd) ingegaan op de complexiteit van het risico in verband met een (potentiële)
mismatchen de mate waarin dat risico voor [eisers] voorzienbaar was. Bovendien had het hof volgens de klacht onderscheid moeten maken tussen de drie
mismatches, omdat deze zouden verschillen qua risico, complexiteit en voorzienbaarheid. Ik meen dat deze klacht faalt. Het hof heeft immers in rov. 3.14.5., eerste alinea, geoordeeld dat de zorgplicht van Rabobank (mede) omvatte dat zij er voor zorg diende te dragen dat de derivaten wat betreft de nominale waarde, hun looptijd en hun rentetarief (naar ik begrijp: volledig) aansloten bij de op dat moment bestaande leningen van [eisers] , althans dat [eisers] duidelijk op de risico’s van de
mismatcheszouden worden gewezen als die aansluiting ontbrak. Met dat oordeel behoefde het hof niet ieder van de
mismatcheslangs te lopen, omdat de enkele constatering dat sprake was van een
mismatchen daarover niet was gewaarschuwd afdoende was voor de vaststelling dat Rabobank haar zorgplicht had geschonden.
mismatches. De klacht miskent dat het hof in deze rechtsoverwegingen slechts heeft beoordeeld in hoeverre de door Rabobank gestelde kennis en ervaring van [eisers] (rov. 3.12.3.) dan wel het gestelde ‘niet-complexe’ karakter van de derivaten (rov. 3.12.4.) de in de rechtsoverwegingen daarvoor (rov. 3.12.1.-3.12.2.) vooropgestelde zorgplicht van Rabobank inperkt, waarbij het hof – mede aan de hand van het in rov. 3.12.4. genoemde interne memo van Rabobank – de kennis en ervaring van [eisers] afweegt tegen de eigenschappen en risico’s van de derivaten. In de bestreden rechtsoverwegingen staat derhalve de ingewikkeldheid van het product centraal, in combinatie met de kennis en ervaring van [eisers] , en niet de aard van de
mismatchesals zodanig, zodat het hof deze ook niet in zijn oordeel behoefde te betrekken.
Subonderdeel 1.2faalt op grond van het voorgaande.
subonderdeel 1.3betoogt Rabobank dat het hof ten onrechte heeft nagelaten concreet in te gaan op het gemotiveerde betoog van Rabobank dat [eisers] beschikten over relevant economisch en financieel inzicht en evenmin op de stellingen van Rabobank over de relevante ervaring die [eiseres 1] in het verleden had opgedaan met valuta
swapsen valutaopties. De in randnummer 1.3.1 van het verweerschrift uitgewerkte klacht komt erop neer dat Rabobank gemotiveerd zou hebben betoogd dat [eisers] gedurende een langere periode (deels speculatieve) valuta
swapszouden zijn aangegaan, hetgeen meer omvatte dan dat ‘ [eiseres 1] een aantal jaren eerder een dollarswap had gesloten’, zoals het hof in rov. 3.12.2. heeft overwogen.
swapsheeft gesloten. Tot cassatie hoeft dit echter mijns inziens niet te leiden, omdat ik rov. 3.12.3. zo begrijp dat het hof daarin oordeelt dat ervaring met een valuta
swap(als zodanig, dus niet noodzakelijkerwijs beperkt tot één valuta
swap) niet noodzakelijkerwijs kennis en ervaring met rentederivaten en de daaraan verbonden risico’s met zich brengt. Daarmee heeft het hof eveneens de stelling van Rabobank verworpen dat de werking van een rente
swapniet anders is dan van een valuta
swap. Het oordeel van het hof dat het eventuele bewustzijn aan de zijde van [eisers] dat derivaten risico’s met zich kunnen brengen nog niet maakt dat zij zich bewust waren van de specifieke bijzonderheden en risico’s van de rente
swapen de
semi super collaris niet onbegrijpelijk, mede in het licht van het feit dat de door het hof aangenomen zorgplichtschending niet ziet op het feit dat de derivaten een risicovol product waren, maar op de omstandigheid dat de derivaten niet goed aansloten op de onderliggende leningen. Het onderkennen hiervan vergt niet zozeer wetenschap van het risicovolle karakter maar kennis van de specifieke bijzonderheden van deze rentederivaten.
Subonderdeel 1.3faalt derhalve.
mismatch.
mismatch. Het hof heeft dus, met andere woorden, de stellingen van Rabobank ter zake gewogen en te licht bevonden, waarmee het hof dus niet heeft miskend dat Rabobank in dit kader stellingen heeft ingenomen.
mismatch, volgt dat het hof de gesprekken (althans de gespreksverslagen) heeft meegewogen bij de beoordeling van de stellingen van Rabobank.
subonderdeel 1.4faalt. Daarmee faalt
onderdeel 1integraal.
mismatches. De eerste drie subonderdelen richten zich tegen de oordelen inzake de drie door het hof in rov. 3.14.4. aangenomen
mismatches(hiervoor randnummer 2.12). Het vierde subonderdeel richt zich tegen het oordeel in rov. 3.14.6. dat Rabobank bekend was met de wens van [eisers] om vastgoedprojecten in Tilburg en Venray snel weer te verkopen.
mismatchwas doordat, kort gezegd, de (weliswaar aflopende) hoogte van de derivaten niet aansloot bij de (ook aflopende) hoogte van de uitstaande leningen. Voor zover het subonderdeel uiteenzet dat die aansluiting er wel was, kan hieraan voorbij worden gegaan nu deze cassatieprocedure zich niet leent voor een feitelijke onderbouwing van de standpunten en in het onderdeel niet wordt aangegeven dat, en vooral waar, deze stellingen in feitelijke instanties zijn ingenomen. Het subonderdeel betoogt echter ook, onder verwijzing naar vindplaatsen in feitelijke instanties dat Rabobank – anders dan door het hof aangenomen – wel degelijk heeft gesteld in hoeverre de aflopende gezamenlijke hoofdsom van de rentederivaten was afgestemd op de kredieten die [eisers] hadden op het moment van het aangaan van de derivaten. In de processtukken waar het subonderdeel naar verwijst is inderdaad de stelling te vinden dat de periodieke verlaging van de hoofdsommen van de derivaten aansloot bij het gezamenlijke aflossingsregime van de drie bestaande leningen bij FGH en Rabobank. [41] In hoeverre een en ander aansluit, wordt echter niet verder onderbouwd.
mismatch, is blijkens de motivering grotendeels gestoeld op de constatering dat in een door [eisers] overgelegd interne memo van Rabobank is opgemerkt dat er op dit punt een
mismatchwas, waardoor er op dat moment een overdekking was van € 143.750. Het subonderdeel wijst erop dat Rabobank er in feitelijke instanties op heeft gewezen dat in dat interne memo abusievelijk een van de leningen, lening [002] (hiervoor randnummer 1.3), over het hoofd is gezien en van de juistheid van de in dit (interne) document getrokken conclusie dat sprake was van een
mismatchdus niet zonder meer uit kan worden gegaan. [42] Een korte blik op het interne memo [43] leert dat in het memo inderdaad slechts twee leningen worden genoemd en meegenomen in de berekening waaruit de overdekking zou volgen, terwijl het hof heeft vastgesteld dat er in juli 2008 drie leningen waren (rov. 3.1. onder b)). Echter, uit de feitenvaststelling van het hof volgt eveneens dat de – in het memo ‘missende’ – lening [002] een overbruggingskrediet met een looptijd van twee jaar betrof, ingaande op 13 februari 2008. Dat brengt met zich dat deze lening ten tijde van het op 24 november 2010 gedateerde memo reeds zou moeten zijn afgelost. [44] Nu Rabobank niet heeft gesteld in hoeverre het verloop van de derivaten was afgestemd op de aflossing van de leningen (hoe bijvoorbeeld rekening is gehouden met de korte looptijd van het overbruggingskrediet) is niet onbegrijpelijk dat het hof uit het interne memo, in combinatie met de in rov. 3.1. onder b) vastgestelde looptijd van de leningen, heeft afgeleid dat sprake was van een overdekking en daarmee van een
mismatch. Dit brengt met zich dat
subonderdeel 2.1faalt.
mismatchdie is ontstaan doordat een van de leningen is omgezet in een 1-maands euribor-tarief terwijl de derivaten waren gebaseerd op het 3-maands euribor-tarief, een zorgplichtschending met zich brengt. Het subonderdeel voert daartoe aan dat Rabobank heeft gesteld dat het omzetten in een 1-maands euribor-tarief op verzoek van, althans in overleg met [eisers] , is gedaan en deze
mismatchbovendien [eisers] een voordeel opleverde omdat het 1-maands tarief vrijwel altijd lager zou zijn, en lager is gebleven, dan het 3-maands tarief. Aldus zou geen sprake zijn geweest van een risico waarvoor [eisers] zouden moeten worden behoed c.q. gewaarschuwd. Daarbij zou Rabobank hebben gesteld dat zij aan [eisers] een niet gebruikte mogelijkheid heeft geboden de rente op de lening weer terug te zetten naar het 3-maands tarief.
mismatchlijkt dus mede te bestaan uit het feit dat een op het 3-maands tarief gebaseerd derivaat wordt afgesloten, terwijl kort daarop blijkt dat het rentetarief van de lening kan worden verlaagd en dus een derivaat op basis van dit lagere tarief had kunnen volstaan, althans bij het derivaat geen rekening is gehouden met de mogelijkheid van renteverlaging. Dit punt daargelaten geldt dat ook als er met Rabobank van uit moet worden gegaan dat, zoals zij stelt, het 1-maands tarief
vrijwelaltijd lager is dan het 3-maands tarief en de omzetting naar het 1-maands tarief dus juist gunstig was voor [eisers] , dit niet uitsluit dat er kennelijk het risico is dat het 1-maands tarief niet lager is dan het 3-maands tarief. De door het hof aangenomen zorgplichtschending is gestoeld op het oordeel dat Rabobank voor dit risico had moeten waarschuwen (rov. 3.14.5.). Dat het risico waarvoor had moeten worden gewaarschuwd zich niet heeft geopenbaard, doet aan dat oordeel op zichzelf niet af. [45] Het (gestelde) gebrek aan nadeel aan de zijde van [eisers] kan uiteraard wel in de schadestaatprocedure naar voren worden gebracht en daar een rol spelen.
mismatcheen zorgplichtschending met zich brengt evenmin af. Immers, als ervan moet worden uitgegaan dat [eisers] de derivaten op basis van onvoldoende voorlichting van Rabobank zijn aangegaan, kon van hen niet worden verwacht dat zij – tenzij zij inmiddels wel voldoende waren voorgelicht, maar daarvoor geeft het onderdeel geen aanwijzing – gebruik zouden maken van de mogelijkheid om de risico’s waarvoor zij niet zijn gewaarschuwd in te perken. Het voorgaande brengt met zich dat
subonderdeel 2.2faalt.
mismatch.
mismatchten aanzien van de FGH lening. De klacht faalt nu [eisers] zich in eerste aanleg op deze
mismatchhebben beroepen en de rechtbank heeft geoordeeld dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden door [eisers] onvoldoende voor te lichten (rov. 4.10.-4.12. tussenvonnis en rov. 2.20. eindvonnis). Aldus mocht het hof, op grond van de devolutieve werking van het appel, in appel acht slaan op de stellingen die [eisers] aan hun beroep op de schending van de zorgplicht ten grondslag hebben gelegd. [46]
mismatchzodat de klacht faalt voor zover deze als uitgangspunt neemt dat in dat geval geen sprake meer zou zijn van een tekortkoming (of onrechtmatige daad). Dat [eisers] op dit punt geen schade hebben geleden, is weliswaar door Rabobank gesteld, maar door [eisers] betwist. [47] In het licht van deze betwisting behoefde het hof, nu het de procedure naar de schadestaat heeft verwezen, nog geen oordeel te geven over de stelling dat [eisers] op dit punt geen schade hebben geleden. Dit brengt met zich dat de klacht, en daarmee
subonderdeel 2.3,faalt.
Subonderdeel 2.4faalt derhalve. Daarmee faalt
onderdeel 2.
mismatchmaar Rabobank voor de daaraan verbonden risico’s niet heeft gewaarschuwd.
mismatch) met [eisers] is overeengekomen. Het hof heeft, eveneens op grond van de zorgplicht, geoordeeld dat dit verweer alleen kan slagen als Rabobank [eisers] voldoende had gewaarschuwd voor de gevolgen van de
mismatch. Dat heeft Rabobank, naar het oordeel van het hof, niet gedaan. Daarmee komt Rabobank dus niet het verweer toe dat zij de
mismatchmet [eisers] is overeengekomen. De schending van de zorgplicht, zoals die door het hof is aangenomen, bestaat er dus reeds uit dat er een
mismatchis, omdat het hiertegen gevoerde verweer (dat het met [eisers] zou zijn overeengekomen) niet opgaat.
Onderdeel 3faalt.
onderdelen 1 tot en met 3in het incidentele cassatieberoep falen en aan het voorwaardelijk ingestelde
onderdeel 4niet wordt toegekomen (hiervoor randnummer 3.28), treft het incidentele cassatieberoep geen doel.