Conclusie
1.Feiten
[eiser]) is de zoon van verweerder in cassatie (hierna:
[verweerder]).
de woning) in [plaats] .
2.Procesverloop
het hof). Op 30 april 2019 heeft een comparatie na aanbrengen plaatsgevonden, die niet tot een minnelijke regeling heeft geleid. [verweerder] heeft vijf grieven aangevoerd en, vernietiging van het vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van [eiser] gevorderd en zijn reconventionele eis in zoverre verminderd dat hij nog slechts veroordeling vordert tot afgifte van de aan hem gerichte post die, gedurende een bepaalde periode, in de woning is ontvangen. [eiser] heeft verweer gevoerd.
De vordering van [verweerder] tot afgifte van post
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
gehelewoning betrof. Met de overweging in rov. 5.2 stelt het hof slechts vast dat [verweerder] niet heeft gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter dat tussen partijen sprake is geweest van een huurovereenkomst met betrekking tot de woning, en aldus het onder (i) genoemde verweer geen gestand heeft gedaan. Het hof stelt dus niet vast dat [verweerder] niet heeft gegriefd tegen het oordeel dat de huurovereenkomst de
gehelewoning betrof. Van tegenstrijdigheid is dus geen sprake.