ECLI:NL:PHR:2021:274
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-indienen middelen van cassatie
De verdachte, geboren in 1968, werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een verstekvonnis van de rechtbank Gelderland. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, maar er is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. Hierdoor kan de Hoge Raad de verdachte niet in zijn cassatieberoep ontvangen op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt ertoe dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal verklaren. Er is sprake van samenhang met een andere zaak (19/02283), waarin eveneens een conclusie wordt genomen. De procedure toont het belang van het tijdig indienen van de middelen van cassatie om ontvankelijk te zijn in het cassatieberoep.
De zaak betreft een formele toetsing van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en bevat geen inhoudelijke beoordeling van de strafzaak zelf. De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van de procesregels in cassatieprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.