Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat door het Openbaar Ministerie (OM) is ingenomen, te weten dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 570.378,- en dat de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting op nihil wordt gesteld, nu de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet toereikend zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
De voorzitter deelt mede thans over te gaan tot bespreking van de persoonlijke omstandigheden.De raadsvrouw deelt mede - zakelijk weergegeven:
mede - zakelijk weergegeven:
De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten begrepen. De waarde van voorwerpen die door de rechter tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, kan worden geschat op de marktwaarde op het tijdstip van de beslissing of door verwijzing naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst, indien verhaal moet worden genomen. De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de verdachte of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, bij de vaststelling van het te betalen bedrag daarmee rekening houden. Bij het ontbreken van zodanig verzoek kan de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie deze bevoegdheid toepassen.”
pragmatisch oogpunt” aangewezen was. Het hof heeft in afwijking van die vordering een betalingsverplichting opgelegd die gelijk is aan het geldbedrag dat als wederrechtelijk verkregen voordeel is aangemerkt. In het bestreden arrest wordt zeer summier gemotiveerd waarom het hof van die vordering is afgeweken.
het OM zich [kan] vinden in het vonnis”. [4] Het vonnis behelst op zijn beurt een betalingsverplichting ter hoogte van € 557.815,-. [5] Het is mij niet duidelijk hoe het weinige dat de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke (financiële) omstandigheden van de betrokkene kan leiden tot een zo diametrale omslag in de vordering, maar dat verder terzijde.
tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.