ECLI:NL:HR:2021:322

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2021
Publicatiedatum
26 februari 2021
Zaaknummer
19/00578
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel ondanks termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2019, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was toegewezen aan het Openbaar Ministerie tegen de betrokkene.

De betrokkene stelde in cassatie meerdere klachten aan de orde, waaronder dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het afweek van de vordering van het Openbaar Ministerie om de betalingsverplichting op nihil te stellen. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten.

Daarnaast klaagde de betrokkene over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, mede omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Desondanks leidde deze termijnoverschrijding niet tot een ander rechtsgevolg, mede omdat in de samenhangende strafzaak een compensatie zal worden toegepast.

De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Het arrest werd uitgesproken op 2 maart 2021 door de vice-president en twee raadsheren.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/00578 P
Datum2 maart 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2019, nummer 21-000036-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft E. de Witte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 19/00576, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie waartoe de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de strafzaak.
3.3
Daarom is er geen aanleiding om in deze zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 maart 2021.