Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Basic Ordering Agreements(hierna: BOA’s) afgesloten. De BOA’s hielden onder meer in dat Supreme brandstoffen leverde aan SHAPE ten behoeve van de ISAF-missie in Afghanistan.
Release of Funds Working Group(hierna: RoFWG). De RoFWG is samengesteld uit personen verbonden aan JFCB en SHAPE. De RoFWG controleerde en keurde de vorderingen, waarna uit het Escrow-budget kon worden betaald.
fair trial, omdat een redelijke alternatieve rechtsgang ontbreekt.
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Iran-United States Claims Tribunalhet volgende overwogen:
onderdeel 1aheeft het hof in rov. 6.6.3 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat in art. 11 Protocol Pro van Parijs niet iets expliciet staat geschreven over immuniteit van jurisdictie. Het onderdeel betoogt dat SHAPE en JFCB geen immuniteit van jurisdictie genieten, omdat in art. 11 lid 1 Protocol Pro van Parijs is bepaald dat zij ook als gedaagde in rechte kunnen worden betrokken. Het onderdeel betoogt dat dit ook volgt uit de voorbereidende werkzaamheden van het Protocol van Parijs.
Onderdeel 1bbouwt hierop voort met het betoog dat, nu het Protocol van Parijs ertoe strekt de immuniteit van jurisdictie (en van executie) uitputtend te regelen, aan SHAPE en JFCB ook geen immuniteit van jurisdictie kan toekomen op basis van het internationaal gewoonterecht.
a) de l’Article VII en à l’Article XIII de la Convention.
a) of Article VII and Article XIII of the Agreement.
a) van artikel VII en in artikel XIII van het Verdrag.
travaux préparatoires’). Dit is een aanvullend hulpmiddel, waaraan slechts wordt toegekomen om de uitleg volgens art. 31 WVV Pro te bevestigen of als de uitleg leidt tot een onduidelijke of onredelijke uitkomst. [17]
g) du présent article, l’Etat d’origine ne peut, en ce qui concerne la juridiction civile des tribunaux de l’Etat de séjour, se prévaloir de l’immunité de jurisdiction des tribunaux de l’Etat de séjour en faveur des membres d’une force ou d’un élément civil’.
g) of this Article’.
g, van dit artikel’.
travaux préparatoires) van het Protocol van Parijs. Daaruit zou blijken dat de onderhandelende partijen zijn overeengekomen dat aan een Algemeen Hoofdkwartier geen immuniteit van jurisdictie toekomt. De relevante passage luidt als volgt:
travaux préparatoiresis immuniteit van jurisdictie verder in het geheel niet meer aan de orde gekomen. Uit de
travaux préparatoiresvolgt niet zonder meer – anders dan Supreme betoogt – dat partijen, inclusief de Verenigde Staten, overeenstemming hebben bereikt over het expliciet
niettoekennen van immuniteit van jurisdictie. Er staat weliswaar dat de vertegenwoordigers het eens waren dat ‘SHAPE should not enjoy the latter immunity’, waarbij het dus gaat om ‘the obligation to appear before the court’, maar daaruit volgt slechts, zoals in art. 11 lid 1 Protocol Pro van Parijs is opgenomen, dat SHAPE in rechte als eiser of gedaagde
kanoptreden. Zoals de rechtbank in rov. 4.8 van haar vonnis van 8 februari 2017 heeft overwogen – en waartegen Supreme niet heeft gegriefd – kan uit de
travaux préparatoiresniet zonder meer worden afgeleid dat art. 11 lid 1 Protocol Pro van Parijs aan SHAPE de verplichting oplegt om in rechte te verschijnen. Hierover ontbrak tijdens de verdragsonderhandelingen immers consensus, omdat de Amerikaanse onderhandelaar zijn positie heeft gereserveerd wegens het ontbreken van instructies van zijn regering op dit punt. Bij deze stand van zaken bieden de
travaux préparatoiresgeen duidelijke aanwijzing ten gunste van het door Supreme ingenomen standpunt. Ook uit de door Supreme aangehaalde literatuur volgt niet meer dan dat een Algemeen Hoofdkwartier, zoals SHAPE, in rechte als eiser of gedaagde kan optreden en dat art. 11 Protocol Pro van Parijs alleen duidelijkheid geeft over immuniteit van executie en niet over immuniteit van jurisdictie. [24]
Onderdeel 2abetoogt dat het hof heeft miskend dat er thans geen regel van internationaal gewoonterecht (meer) bestaat dat internationale organisaties immuniteit van jurisdictie genieten. Een gewoonterechtelijke regel kan slechts worden toegepast indien sprake is van een omvangrijke en vrijwel uniforme algemene (staten)praktijk en een rechtsopvatting.
Onderdeel 2bbouwt hierop voort met het betoog dat immuniteit van jurisdictie met een beroep op het internationaal gewoonterecht slechts kan worden toegekend bij gebreke van een (zetel)verdrag waarin voorrechten en immuniteiten aan de internationale organisatie zijn verleend.
Onderdeel 2cbetoogt dat in het geval SHAPE immuniteit van jurisdictie mocht toekomen, dit slechts geldt in de staat op welks grondgebied SHAPE is gevestigd. Nu SHAPE niet is gevestigd op het grondgebied van Nederland, kan haar om die reden geen beroep op immuniteit van jurisdictie toekomen op basis van het internationaal gewoonterecht.
ten minstein de staat op welks grondgebied die organisatie is gevestigd, gerechtigd is tot het voorrecht van immuniteit van jurisdictie. Deze immuniteit is, zoals vermeld, noodzakelijk voor het onafhankelijk functioneren van de internationale organisatie. De rechter van de bij de organisatie aangesloten staten behoort zich in beginsel niet uit te spreken over handelingen van die organisatie.
.
Waite and Kennedyen
Beer and Reganis uitgemaakt dat een remedie tegen een andere entiteit dan de internationale organisatie als ‘redelijk alternatief’ voor de toepassing van art. 6 EVRM Pro kan gelden. [33] Supreme zou zich kunnen wenden tot de nationale rechters van de verschillende aan ISAF deelnemende landen die tevens afnemers waren onder de BOA’s. Dit is volgens SHAPE en JFCB ook geen vergezocht alternatief middel, nu het de deelnemende landen zijn geweest die de brandstof onder de BOA’s hebben afgenomen, door Supreme gefactureerd hebben gekregen en die facturen ook betaalden. In hoger beroep heeft Supreme deze mogelijkheid volgens het hof onvoldoende gemotiveerd betwist. Deze overweging is niet onbegrijpelijk, omdat Supreme tegen deze stelling slechts heeft opgeworpen dat SHAPE en JFCB nu eenmaal in het kader van de BOA’s de contractuele wederpartij van Supreme waren. Dit sluit echter nog niet een aanspraak jegens de deelnemende landen op een andere rechtsgrond uit. Hierbij was het voor het hof niet nodig in te gaan op mogelijke rechtsgronden om deze deelnemende staten aan te spreken. In de bestreden rechtsoverweging heeft het hof uitsluitend gereageerd op de stelling dat Supreme ook de deelnemende staten had kunnen aanspreken, welke stelling volgens het hof onvoldoende gemotiveerd is betwist. De klacht faalt daarom.