Conclusie
Nummer19/05866 P
Het cassatieberoep
Het middel
middelbehelst de klacht dat het hof de verzoeken zes personen ( [betrokkene 13] , [betrokkene 12] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) als getuigen te horen met toepassing van een onjuiste maatstaf heeft afgewezen, waardoor die afwijzende beslissingen onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn.
(…)
De voorzitter deelt mede dat ten aanzien van de verzochte getuigen in de straf- en ontnemingszaken van [medeverdachte ] en [betrokkene ] het noodzakelijkheidscriterium geldt, nu de in de appelschriftuur d.d. 29 juni 2017 opgenomen, niet onderbouwde opsomming van getuigen niet aangemerkt kan worden als een opgave van getuigen als bedoeld in artikel 410, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. [1] De voorzitter deelt de volgende beslissingen van het hof mede:
(…)
NJ2014/441 het volgende overwogen:
NJ2008/20 was namens de verdachte tijdig een appelschriftuur ingediend. Deze hield onder meer het verzoek in om “als getuigen te doen horen alle personen, die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend dan wel ontlastend over cliënt hebben verklaard en/of wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt. Hieronder schaart cliënt in ieder geval de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het dossier.” In een latere brief aan de advocaat-generaal bij het hof, had de raadsman het verzoek gedaan twee verbalisanten op te roepen en deze verzoeken nader onderbouwd. De advocaat-generaal riep een van de twee verbalisanten op. Ter terechtzitting handhaafde de raadsman zijn verzoek ook de andere verbalisant te horen. Het hof achtte de inhoud van de overgelegde appelschriftuur zo summier en in dermate algemene bewoordingen gesteld, dat deze schriftuur redelijkerwijs niet kon worden aangemerkt als een schriftuur in de zin van art. 410 Sv Pro. Daarmee had het hof naar het oordeel van de Hoge Raad blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad overwoog voorts dat art. 410, derde lid, Sv ziet op een verzoek als hier was gedaan, zodat op het verzoek de verbalisant als getuige te horen om die reden het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing was. Naar het oordeel van de Hoge Raad was dus niet alleen sprake van een appelschriftuur, maar – ten aanzien van de betrokken verbalisant – ook van een opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv.