Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Ik ben heel blij met de mentor en bewindvoering. [betrokkene 2] mag niet bemoeien. Ik ben moe, ik kom niet naar de rechtbank.’ [4]
1. Is bij verzoeken tot ontslag van een bewindvoerder of een mentor (en benoeming van een andere) artikel 798 lid 2 Rv Pro van toepassing?
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
ultimum remedium. [8] Dat eerst moet worden nagegaan of volstaan kan worden met een minder verstrekkende voorziening, volgt uit het in art. 1:378 lid 1 slot Pro BW neergelegde criterium dat ‘
een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd’. Curatele beoogt bescherming van een meerderjarige die, al dan niet tijdelijk, zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel gewoonte van drank- of drugsmisbruik (art. 1:378 BW Pro). De curator behartigt zowel de vermogensrechtelijke als de niet-vermogensrechtelijke belangen van de onder curatele gestelde.
In dit wetsvoorstel is een andere benadering dan de huidige gekozen. Gehandhaafd is het uitgangspunt dat de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure ook voor de familierechtelijke verzoekschriftprocedures ([toenmalige, A-G] artikelen 429a-429t Rv.) het algemene kader vormt. Deze bepalingen gelden dus voor zover er in de thans voorgestelde regeling niet van wordt afgeweken. Nieuw is dat de uiteenlopende familieprocedures tot één regeling zijn teruggebracht, welke - inclusief het scheidingsprocesrecht - iets meer dan dertig artikelen omvat.
beperkingaan het belanghebbende-begrip, doordat is bepaald dat het gaat om ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. Het woord ‘rechtstreeks’ impliceert dat een indirect belang niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt. [22]
uitbreidingvan het belanghebbendenbegrip: in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap zijn bepaalde – specifiek aangeduide – personen belanghebbende, ook al vallen zij niet onder het lid 1-begrip. Dit is af te leiden uit het woord ‘bovendien’ in lid 2. De in art. 798 lid 2 Rv Pro genoemde personen zijn
zonder meerbelanghebbenden in dergelijke zaken, waardoor in feite sprake is van een verruiming; voor hen hoeft immers niet afzonderlijk te worden vastgesteld of de zaak rechtstreeks betrekking op hun rechten of verplichtingen. [25]
In de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure zal het begrip belanghebbende, als het een zaak van personen– en familierecht betreft, op de wijze als in artikel 798 lid 1 is Pro bepaald, moeten worden geïnterpreteerd.
.Zonder een aanvullende bepaling ten opzichte van het eerste lid, zouden mogelijk sommige van deze personen niet onder het belanghebbende-begrip vallen, zo was kennelijk de gedachte.
instellingen
opheffingvan het bewind. Art. 798 lid 2 Rv Pro spreekt echter over ‘zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap’; dat is dus een ruimere omschrijving. Ook volgde uit de oude Rv-bepalingen niet dat alle daar genoemde personen als belanghebbenden hadden te gelden; bepaalde personen werden veeleer als informant beschouwd. Ook in dit opzicht is art. 798 lid 2 Rv Pro dus ruimer geformuleerd dan waarschijnlijk was bedoeld.
3.4 (…) Bij de behandeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Bij onderbewindstelling geldt dat het beheer over de onder bewind staande goederen toekomt aan de bewindvoerder (art. 1:438 lid 1 BW Pro), die echter voor bepaalde handelingen de toestemming van de rechthebbende nodig heeft (art. 1:441 lid Pro 2) en dat laatstgenoemde slechts met medewerking van de bewindvoerder beschikkingshandelingen kan verrichten (art. 1:438 lid Pro 2). Voor het geval tussen hen verschil van mening bestaat over de wenselijkheid of noodzaak van bepaalde beschikkingshandelingen, kan de benodigde toestemming worden vervangen door een op verzoek van de bewindvoerder
van ingrijpende aard, maakt dat volgens de Hoge Raad niet anders. [30] Overwogen werd het volgende:
3.5 De klacht onder (b) stuit af op hetgeen is beslist in de hiervoor in 3.2 vermelde beschikking van de Hoge Raad van 11 januari 2002. (…) Hieruit volgt, aldus die beschikking, dat een dergelijke machtigingsprocedure niet kan worden aangemerkt als een ‘zaak van onderbewindstelling’ als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv Pro, nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure. Dat het in het onderhavige geval gaat om een machtiging tot het verrichten van een rechtshandeling van ingrijpende aard, zoals het middel betoogt, doet niet af aan hetgeen in de uitspraak van 2002 is overwogen omtrent de aard en strekking van de machtigingsprocedure, en kan niet meebrengen dat de onderhavige zaak alsnog moet worden aangemerkt als een ‘zaak van onderbewindstelling’ als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv Pro. Een andersluidend oordeel zou bovendien meebrengen dat de omstandigheid dat sprake is van een machtigingsprocedure niet steeds beslissend is, hetgeen tot onwenselijke rechtsonzekerheid zou leiden, nu het hier gaat om een regeling die, in verbinding met art. 806 lid 1 Rv Pro, bepalend is voor het antwoord op de vraag aan wie een rechtsmiddel toekomt.”
‘klip en klaar uit te spreken’dat art. 798 lid 2 Rv Pro slechts de instelling en opheffing van het bewind betreft, inclusief wellicht de uitbreiding van het bewind tot meer goederen of het ontslag van goederen, als bedoeld in art. 1:433 lid 2 BW Pro, in plaats van het beperkte karakter van de regeling van de machtigingsprocedure te benadrukken. [31]
In een procedure die enkel de persoon van de curator/bewindvoerder/mentor betreft is art. 798 lid 2 Rv Pro niet van toepassing.”
5.4 (…) Gelet op de wetsgeschiedenis is op dit punt, is het hof van oordeel dat de uitbreiding van het begrip belanghebbende van artikel 798 lid 2 Rv Pro slechts van toepassing is op de instelling of opheffing van bewind en mentorschap (…). Nu in deze hoger beroepsprocedure alleen de persoon van de bewindvoerder en mentor in geschil is en het (instellen van het) bewind en mentorschap zelf niet ter discussie staat, kan de onderhavige procedure niet worden gerekend tot de ‘zaken van onderbewindstelling of mentorschap’ als bedoeld in artikel 798 lid 2 Rv Pro. (…)”
Het belang van actieve betrokkenheid van personen uit de nabije omgeving, bijvoorbeeld door het verzoeken om de instelling van een beschermingsmaatregel, alsook enige vorm van controle op de uitvoering daarvan, is groot. (…) Het wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van de kring van nabije personen die bevoegdheden toekomen en in een uitbreiding van de bevoegdheden van deze nabije personen.”
Het belang van de actieve betrokkenheid van personen uit de nabije omgeving, bijvoorbeeld door het verzoeken om de instelling van een beschermingsmaatregel, alsook enige vorm van controle op de uitvoering daarvan, is groot. Hoe meer een persoon kan terugvallen op zijn sociale omgeving, hoe minder kwetsbaar en bevattelijk voor misbruik hij is. Het wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van de kring van nabije personen die bevoegdheden toekomen en in een uitbreiding van de bevoegdheden van deze nabije personen.”
Mijns inziens kunnen problemen met vertegenwoordigers uit de familiekring het beste worden aangepakt door de invloed van de mensen uit de nabije omgeving op het functioneren van de vertegenwoordiger te vergroten, doordat zij zo nodig kunnen verzoeken om ontslag van de vertegenwoordiger en om het einde van de beschermingsmaatregel (zie hieronder onder 3.b).”
Het wetsvoorstel vergroot de invloed van personen uit de nabije omgeving op de beschermingsmaatregel, in de eerste plaats doordat de kring van verzoekers tot instelling van een maatregel wordt uitgebreid. Naast de eigen partner en nabije familieleden van de betrokkene kan ook [de] partner van de ouder die gezamenlijk met de ouder het gezag over de persoon uitoefent, om instelling van een beschermingsmaatregel verzoeken. Daarnaast wordt voorgesteld dat ook de curator, bewindvoerder en mentor hiertoe bevoegd worden. Tenslotte wordt voorgesteld dat, naast het openbaar ministerie, eveneens bevoegd wordt de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt. (…)
Het wetsvoorstel beperkt dit risico [A-G: het risico dat personen uit de nabije omgeving van rechthebbende in hun hoedanigheid van curator, bewindvoerder of mentor misbruik maken van rechthebbende] op andere wijze: door de invloed van de mensen uit de nabije omgeving op het functioneren van de vertegenwoordiger te vergroten, doordat zij zo nodig kunnen verzoeken om ontslag van de vertegenwoordiger en om het einde van de beschermingsmaatregel en door uitbreiding van het instrumentarium van de kantonrechter.”
3. Uitgangspunt: Ondersteunen van betrokkenheid van personen in de nabije omgeving
Er is een aantal situaties denkbaar. (…)In de derde plaats kan er sprake zijn van onenigheid tussen verschillende naaste familieleden. De instelling dient dan deze familieleden eerst te vragen of zij een beschermingsmaatregel willen verzoeken. Indien zij daartoe niet willen overgaan en de instelling het in het belang van de betrokkene acht dat er een beschermingsmaatregel wordt ingesteld, kan zij tot indiening van het verzoek overgaan met de toelichting waarom de naaste familieleden daartoe niet zijn overgegaan. De rechter stelt de in het artikel 798 lid 2 Rv Pro genoemde familieleden (kinderen, ouders, broers en zusters van de betrokkene) in de gelegenheid om zich als belanghebbende over het verzoek uit te laten.”
Uitbreiding kring van verzoekers tot instelling en opheffing van de beschermingsmaatregel en ontslag van de vertegenwoordiger
ontslagvan de wettelijke vertegenwoordiger kan vragen (zie onder 3.32 alsmede de onder 3.37-3.39 en 3.42 aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis). Een verzoek om ontslag van een wettelijk vertegenwoordiger zal gegrond zijn op feiten en omstandigheden die zien op het functioneren van de wettelijk vertegenwoordiger of over zijn of haar (vertrouwens)relatie met de rechthebbende. Aan zo’n verzoek zullen dan ook argumenten ten grondslag worden gelegd die zien op
de persoonvan de betrokken vertegenwoordiger, al dan niet in relatie tot de rechthebbende. Uit de in 3.37-3.42 weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis komt naar voren dat het een bewuste keuze is geweest om de bedoelde ruime kring van personen de gelegenheid te bieden zich te kunnen uitlaten over de persoon van de (beoogde) wettelijke vertegenwoordiger, zowel bij een verzoek om benoeming als bij een verzoek om ontslag. Dat draagt bij aan de betrokkenheid van personen uit de nabije omgeving bij het functioneren van de vertegenwoordiger, waarmee deze personen een zekere controle kunnen uitoefenen op het functioneren van de vertegenwoordiger, zo is de gedachte.
1. Is bij verzoeken tot ontslag van een bewindvoerder of een mentor (en benoeming van een andere) artikel 798 lid 2 Rv Pro van toepassing?”
2. Maakt het daarbij verschil of de bewindvoerder/mentor van wie het ontslag wordt verzocht behoort tot de in artikel 1:435 lid 4 BW Pro en artikel 1:452 lid 4 BW Pro bedoelde personen uit de eigen kring van de rechthebbende/betrokkene, dan wel een ander (veelal een professionele bewindvoerder/mentor)?
5. In hoeverre geldt voor verzoeken tot ontslag van een curator op grond van artikel 1:385 lid 1 onder Pro d BW hetzelfde?”