ECLI:NL:PHR:2021:331
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken advocaatondertekening
Deze zaak betreft het cassatieberoep van een vader tegen de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige kinderen. De rechtbank Rotterdam had de ondertoezichtstelling uitgesproken voor een jaar, waarna het gerechtshof Den Haag deze periode beperkte en de ondertoezichtstelling beëindigde met een overgangsperiode.
Verzoeker stelde tijdig cassatieberoep in, maar zonder dat het verzoekschrift was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verzoeker gaf aan niet over financiële middelen te beschikken om een cassatieadvocaat te betalen en dat de Raad voor de Rechtsbijstand een toevoeging had afgewezen.
De Hoge Raad stelt vast dat het ontbreken van de advocaatondertekening een formeel verzuim is dat hersteld kan worden door binnen twee weken opnieuw in te dienen met ondertekening door een advocaat. Dit is niet gebeurd, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste advocaatondertekening.