Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
24 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam. Het verzoekschrift, ingediend op 10 december 2019, was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, hetgeen een vereiste is op grond van art. 426a lid 1 Rv.
De Hoge Raad wijst erop dat dit verzuim hersteld kan worden door het verzoekschrift binnen twee weken na ontvangst opnieuw in te dienen, nu wel ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoeker heeft echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker niet-ontvankelijk. De beschikking is gegeven op 24 april 2020 en in het openbaar uitgesproken door raadsheer C.E. du Perron.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad.