Conclusie
Site bezoeken" wordt de bezoeker vanuit Google Shopping doorgeleid naar een daarvoor speciaal ingerichte plek in de webwinkel prindo.nl van Media Concept. Bij de prijs en levertijd stond (tot 8 maart 2019) de tekst: “
Maximale hoeveelheid: 1. Actieproducten zijn slechts beperkt beschikbaar, daarom is de afnamehoeveelheid per bestelling en klant beperkt.”
Gunstige prijzen
Maximale hoeveelheid: 1. Actie producten zijn slechts beperkt beschikbaar, daarom is de afnamehoeveelheid per bestelling en klant beperkt" vervangen door de tekst "
Maximaal 1 product per bestelling per klant".
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 3 tot en met 10klachten.
Onderdeel1 bevat geen klacht,
onderdeel 2bevat een samenvatting van de klachten. Het middel klaagt niet specifiek over het juridisch kader en de uitgangspunten zoals uiteengezet in rov. 5.5 (eerste volzin), 5.6, 5.7 en 5.8 (eerste, tweede en derde volzin). Ik bespreek de onderdelen 3-10 in de hierna te noemen volgorde en zal daarbij, waar nodig, verwijzen naar onderdeel 2.
Onderdeel 3(samengevat in
subonderdeel 2.1) betreft het oordeel in rov. 5.9 dat geen sprake is van vergelijkende reclame.
Onderdeel 4betreft het oordeel in rov. 5.8 dat de prijsbewuste klant zich normaliter zal verdiepen in de voorwaarden van een prijsaanbod.
Onderdeel 6(samengevat in
subonderdeel 2.3) bestrijdt het oordeel in rov. 5.4 en 5.11 dat prijsdifferentiatie doordat Media Concept verschillende prijzen hanteert op Google Shopping en de bestemmingspagina enerzijds en op haar eigen pagina prindo.nl anderzijds, op zichzelf geoorloofd is.
Subonderdeel 8.2.4klaagt hierover in verband met rov. 5.15.
Onderdeel 5betoogt dat het hof in rov. 5.11 had moeten oordelen dat de advertentie van Media Concept op Google Shopping misleidend is zonder acht te slaan op de in rov. 5.12 bedoelde bestemmingspagina waarnaar de bezoeker van Google Shopping bij doorklikken wordt geleid.
Onderdeel 7betreft enerzijds het oordeel in rov. 5.12 dat geen sprake is van misleiding op de bestemmingspagina in verband met de daarop vermelde beperking van het prijsaanbod op Google Shopping tot één exemplaar en anderzijds het oordeel in rov. 5.13 dat geen sprake is van misleiding op de bestemmingspagina omdat daarop niet staat vermeld dat de prijs op deze pagina alleen geldt indien wordt doorgeklikt vanuit Google Shopping.
Onderdeel 8klaagt over het oordeel in rov. 5.14-5.16 dat de vermelding van ‘gunstige prijzen’ op de site van prindo.nl niet misleidend is en in verband hiermee klaagt
onderdeel 9over de feitenvaststelling in rov. 3.1-.3.7
onderdeel 10onderzoekt het hof in rov. 5.3-5.13 ten onrechte slechts of de (potentiële) koper die de sites (Google Shopping, de bestemmingspagina of prindo.nl) bezoekt wordt misleid.
Onderdeel 11klaagt over de aan de rov. 5.11-5.17 door het hof ten grondslag gelegde verdeling van de stelplicht en bewijslast.
Onderdeel 12bevat louter op de voorgaande klachten voortbouwende klachten.
personen die handelen in de uitoefening van een bedrijf”. [2] In de bescherming van consumenten voorziet de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken van afdeling 6.3.3a BW (art. 6:193a-6:193j).
elke vorm van reclame waarbij een concurrent dan wel door een concurrent aangeboden goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd”. [7] Aan het begrip reclame in deze bepaling komt geen andere betekenis toe dan een openbaar gemaakte mededeling als bedoeld in art. 6:194 lid 1 BW Pro. [8] Indien de vergelijking niet kan worden herleid tot (de naam, het merk of de producten van) een bepaalde concurrent dan is geen sprake van vergelijkende reclame. [9] Het tweede lid stelt een aantal cumulatieve voorwaarden waaronder vergelijke reclame geoorloofd is. De vergelijkende reclame dient onder meer niet misleidend als bedoeld in art. 6:194 BW Pro of een misleidende handelspraktijk als bedoeld in art. 6:193c-6:193g BW te zijn. [10] Als de vergelijking verwijst naar een speciale aanbieding dan stelt het derde lid als extra voorwaarde dat duidelijk en ondubbelzinnig de periode waarvoor deze aanbieding geldt dan wel ‘zo lang de voorraad strekt’ moet zijn vermeld.
subonderdeel 2.1) is gericht tegen rov. 5.9, waarin het hof tot uitgangspunt neemt dat het beroep van Digital Revolution op art. 6:194a BW alleen al moet worden afgewezen omdat de vergelijking niet door Media Concept maar door Google Shopping wordt uitgevoerd. Het onderdeel is opgebouwd uit de
subonderdelen 3.1-3.6.
subonderdeel 3.2is onduidelijk wat het hof in 5.9 bedoelt met “het uitvoeren” van “de vergelijking” en waarom dit alleen door Google Shopping zou zijn gedaan. Hieraan voegt
subonderdeel 3.2.1toe dat rechtens niet relevant is wie de vergelijking feitelijk maakt, maar wie de regie voert over de inhoud en inkleding van de vergelijking en de vergelijking openbaar laat maken.
Subonderdeel 3.3vervolgt met het betoog dat de omstandigheid dat Google Shopping het medium is waarop de door Media Concept doorgegeven prijs naast die van concurrenten verschijnt, niet uitsluit dat de inhoud en inkleding van de vergelijking mede wordt bepaald door Media Concept of dat zij degene is die de vergelijking openbaar laat maken.
subonderdelen 3.4, 3.4.1, 3.4.2 en 3.4.3klagen, samengevat, dat het oordeel in rov. 5.9 dat de vergelijking “wordt uitgevoerd” door Google Shopping en niet door Media Concept tegenstrijdig is met door het hof vastgestelde feiten (in rov. 3.2) dat partijen gebruik maken van Google Shopping en dat op deze website “verkopers (…) advertenties kunnen plaatsen voor hun producten, die vervolgens op prijsniveau met elkaar worden vergeleken”, (in rov. 3.3) dat Digital Revolution op Google Shopping een prijsvergelijking heeft gemaakt, en (in rov. 3.6) dat sprake is van “door Media Concept op Google Shopping geadverteerde prijzen”.
subonderdelen 3.6, 3.6.1 en 3.6.2is, samengevat, het hof blijkens de formulering “alleen al” in rov. 5.9 van oordeel dat het beroep op art. 6:194a BW ook op andere gronden moet worden afgewezen, maar heeft het hof dit oordeel niet nader gemotiveerd zodat het onvoldoende gemotiveerd is.
subonderdelen 4.1-4.4klachten tegen rov. 5.8:
subonderdeel 4.2dat klaagt over de overweging dat Media Concept met de onderzoeken en publicaties in productie 7a-d genoegzaam heeft aangetoond dat deze prijsbewuste klant, de consument en de ondernemer, zich normaliter zal verdiepen in de voorwaarden van een prijsaanbod.
subonderdelen 4.3 en 4.4klagen over de overwegingen dat het zich verdiepen in de prijs en voorwaarden voor een prijsaanbieding in het bijzonder geldt indien de klant een ondernemer is en dat van een ondernemer in beginsel meer kennis en oplettendheid mag worden verwacht dan van de gewone gemiddelde consument. Ik betrek op deze subonderdelen de opmerking in
subonderdeel 4.1, dat belang bestaat bij de algemene klacht van subonderdeel 4.1 (die in de subonderdelen 4.3 en 4.4. wordt uitgewerkt en toegelicht) aangezien het hof kennelijk de aan ondernemers toegedichte “meer kennis en oplettendheid” impliciet ten grondslag legt aan wat het hof vervolgens in met name rov. 5.13 overweegt.
subonderdeel 4.1veronderstelt, valt uit de oordelen in rov. 5.11 e.v. niet op te maken dat het hof, ook bij de beoordeling van wat voor de gemiddelde klant-consument geldt, impliciet zou hebben getoetst aan wat geldt voor de klant-ondernemer met “meer kennis en oplettendheid”. In zoverre missen de klachten feitelijke grondslag.
subonderdelen 4.3 en 4.4. Indien aangenomen moet worden dat het hof ten onrechte aan de klant-ondernemer, die beschikt over “meer kennis en oplettendheid”, hogere eisen zou hebben gesteld dan aan de klant-consument, dan zou moeten worden aangenomen dat voor de klant-ondernemer hetzelfde geldt als voor de klant-consument (dat aan de klant-ondernemer lagere eisen zouden moeten worden gesteld dan aan de klant-consument wordt door het middel, terecht, niet betoogd). Het oordeel van het hof zou dan niet anders zijn uitgevallen.
Onderdeel 6(samengevat in
subonderdeel 2.3) klaagt in de
subonderdelen 6.1 tot en met 6.5over rov. 5.4 en 5.11,
subonderdeel 8.4.2klaagt over rov. 5.15.
Subonderdeel 6.1verwijst naar de subonderdelen 6.2-6.4 en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
subonderdeel 6.4veronderstelt dat het hof iets anders heeft bedoeld, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 6.2is, samengevat, onvoldoende en onbegrijpelijk gemotiveerd het oordeel dat partijen het erover eens zijn dat de vorm van prijsdifferentiatie die Media Concept hanteert door op Google Shopping een andere (lagere) prijs te hanteren dan in haar webwinkel prindo.nl. De standpunten van Digital Revolution in deze procedure maken duidelijk dat zij van oordeel is dat deze vorm van prijsdifferentiatie op Google Shopping niet is toegestaan, zoals blijkt uit de in de
subonderdelen 6.2.1-6.2.6bedoelde passages uit het dossier.
Subonderdeel 6.3voegt hieraan, kort gezegd, toe dat op zich is toegestaan dat een aanbieder van goederen of diensten voor verschillende verkoopkanalen eventueel andere prijzen hanteert, maar dat het vervolgens wel zaak is dat in de reclame die dan eventueel voor die verschillende prijzen c.q. die aanbiedingen gemaakt wordt geen sprake is van misleiding.
6.2.3, 6.2.4 en 6.3wijzen nog op grief 1, waarmee Digital Revolution betoogde dat de voorzieningenrechter ten onrechte er blijk van gaf Google Shopping te zien als een verkoopkanaal voor het aanbieden van producten in plaats van als een advertentiesite. In rov. 3.2 heeft het hof Google Shopping aangemerkt als een prijsvergelijkingssite waarop verkopers, tegen betaling, advertenties kunnen plaatsen voor hun producten, die vervolgens op prijsniveau met elkaar worden vergeleken. Voor zover de subonderdelen
6.2.3, 6.2.4 en 6.3mede ertoe strekken te betogen dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan grief 1 heeft gegeven, dienen zij te falen.
subonderdeel 6.2.5volgt uit rov. 3.2 van het bestreden arrest dat de op Google Shopping geadverteerde prijs dezelfde dient te zijn als de prijs waarvoor die producten op de website prindo.nl verkocht worden. Dit standpunt steunt blijkens de daarop gegeven toelichting op het betoog van Digital Revolution over ‘dynamic pricing’, dat wil zeggen dat Media Concept de prijzen op haar site voortdurend wijzigt afhankelijk van factoren als vraag en aanbod, locatie, kopersgedrag en klantprofiel. In haar pleitnota in hoger beroep nr. 1.6 heeft Digital Revolution aangevoerd “
dat het adverteren met prijzen voor Prindo sowieso een hachelijk avontuur is, omdat de prijzen immers al anders kunnen liggen op het moment dat iemand van de advertentie kennis neemt. Een prijsadvertentie van Prindo heeft dus ook nog eens een beperkte houdbaarheidsdatum”. Hieruit zou volgens de klacht volgen dat aan de op Google Shopping geadverteerde prijzen een tijdsbeperking geldt, die niet op Google Shopping kan worden weergegeven. [29]
subonderdeel 2.2) klaagt in de
subonderdelen 5.1 tot en met 5.10over rov. 5.11.
Subonderdeel 5.1verwijst naar de subonderdelen 5.2-5.10 en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
Subonderdeel 5.2bevat geen klacht.
subonderdelen 5.3, 5.4, 5.5, 5.5.1 en 5.5.2richten rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 5.11 dat geen sprake is van misleiding. Deze klachten zijn gebaseerd op het volgende, samengevat weergegeven, betoog. Door het hof is niet weersproken en in cassatie geldt daarom als hypothetische feitelijke grondslag de in rov. 5.11 weergegeven stellingen van Digital Revolution (i) “
dat de door Media Concept gehanteerde voorwaarden voor de op Google Shopping gehanteerde prijs essentiële informatie vormen” (zie rov. 5.11), welke voorwaarden naar de stelling van Digital Revolution inhouden dat dit een speciale prijs is, die maximaal voor één exemplaar per bestelling geldt en die alleen geldt bij gebruikmaking van de doorklikroute via Google Shopping (zie
subonderdeel 5.3), en (ii) dat het weglaten van deze essentiële voorwaarden voor de op Google Shopping gehanteerde prijs “
de consument op het verkeerde been kan zetten bij de aankoopbeslissing” (zie
subonderdeel 5.4). Daarmee staat in cassatie vast dat sprake is van onrechtmatig handelen van Media Concept op grond van een misleidende omissie als bedoeld in art. 6:193d lid 2 en art. 6:194 lid 2 BW Pro (
subonderdeel 5.5).
subonderdeel 5.6.1zijn de Google Shopping-vergelijkingen misleidend ex art. 6:194a lid 2 onder a BW doordat daarin de misleidende prijsadvertentie van Media Concept is betrokken. Dit misleidende karakter wordt volgens
subonderdeel 5.6.2versterkt doordat de prijsadvertentie van Media Concept op Google Shopping wordt vergeleken met niet-misleidende prijsadvertenties van concurrenten. De misleiding betreft volgens
subonderdeel 5.6.3niet alleen de prijs waarvoor een product wordt aangeboden, maar ook welke leverancier gunstiger prijzen aanbiedt. Het bereik van de advertenties op Google Shopping is volgens
subonderdeel 5.6.4niet beperkt tot de gebruikers van deze website maar omvat ook de personen die zich door hen laten beïnvloeden. Volgens
subonderdeel 5.6.5is de conclusie uit het voorgaande dat vast staat dat sprake is van misleidende vergelijkende reclame en dat daarom de oordelen van het hof in de rov. 5.11-5.18 van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en niet deugdelijk zijn gemotiveerd.
subonderdeel 5.7veronderstelt dat bij wege van hypothetische feitelijke grondslag moet worden aangenomen dat sprake is van misleiding, dan wel dat het hof in rov. 5.11-5.13 heeft geoordeeld dat essentiële informatie is weggelaten, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en dient het daarom te falen.
subonderdeel 5.7onjuist en niet deugdelijk gemotiveerd is.
subonderdelen 5.8 tot en met 5.8.5. Volgens
subonderdeel 5.8staat vast dat aan de op Google Shopping geadverteerde prijs drie beperkingen kleven: de prijs wijkt af van de op prindo.nl gehanteerde prijs, de prijs geldt alleen voor één exemplaar per bestelling en de prijs geldt alleen indien de klant via Google Shopping doorklikt naar prindo.nl. Deze voorwaarden zijn aan te merken als voorbehouden bij het op Google Shopping geadverteerde aanbod en het weglaten daarvan kwalificeert als het weglaten van essentiële informatie, resulterend in misleiding door omissie. Gezien deze beperkingen en de vaststelling in rov. 5.11 “
dat het op Google Shopping niet mogelijk is aan te geven dat aan de geadverteerde prijs beperkingen kleven, zoals de afnamebeperking”, is Google Shopping een ongeschikt medium voor het adverteren van prijzen waaraan dergelijke beperkingen zijn verbonden (
subonderdelen 5.8.1 en 5.8.2) en is sprake van een misleidende omissie en van misleidende vergelijkende reclame bij een vergelijking met prijzen waaraan geen beperkingen kleven (
subonderdelen 5.8.3 en 5.8.5).
subonderdeel 5.8.4zijn op Google Shopping geen maatregelen genomen om de consument langs andere wegen te informeren en is een impliciet oordeel van het hof in rov. 5.12 en 5.13 dat de informatie op de bestemmingspagina het ontbreken van essentiële informatie op Google Shopping zou opheffen, onjuist en onvoldoende gemotiveerd omdat de advertentie op Google Shopping op zichzelf moet worden beoordeeld en daar niet wordt verwezen naar informatie op de bestemmingspagina.
subonderdelen 5.7-5.8.5berusten op een onjuiste lezing van het arrest voor zover zij veronderstellen dat de beoordelingen in rov. 511 en 5.12 niet in samenhang met elkaar dienen te worden gelezen.
subonderdeel 5.8.4wil, kan een algemene verplichting om de aan een prijs verbonden voorwaarden in de advertentie zelf op te nemen niet uit HvJ 8 februari 2017 (Carrefour) worden afgeleid, in elk geval niet indien vaststaat dat dit door de beperkingen van het medium niet mogelijk is en sprake is van alternatieve maatregelen om de klant volledig te informeren. Dat bij de beoordeling of sprake is van een misleidende omissie de advertentie op Google Shopping per definitie op zichzelf zou moeten worden beoordeeld, strookt niet met het bepaalde in art. 6:193d lid 4 en 6:194 lid 4 BW.
subonderdelen 5.7-5.8.5argumenten aanvoeren die een feitelijke waardering vereisen, geldt dat deze argumenten niet in hoger beroep door Media Concept zijn aangevoerd, althans is in de processtukken in cassatie niet vermeld dat en waar zij deze argumenten heeft aangevoerd. Zij kunnen niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. De
subonderdelen 5.7-5.8.5slagen om deze redenen niet.
subonderdeel 5.9miskent het hof in rov. 5.11 e.v. dat ingevolge art. 6:194a lid 3 BW een vergelijkende reclame die verwijst naar een speciale aanbieding dient te vermelden dat het gaat om een speciale aanbiedingsprijs, de periode gedurende welke de prijs of andere specifieke voorwaarden gelden dan wel dat de aanbieding loopt zo lang de voorraad strekt.
Subonderdeel 5.10klaagt, samengevat, dat het hof in rov. 5.11 geheel voorbij gaat aan het vereiste ingevolge art. 6:194a lid 2 onder c BW dat een vergelijking representatief moet zijn en dat het niet aangaat een bijzondere aanbieding te (doen) vergelijken met het algemene prijspeil van de concurrent.
subonderdeel 5.10 merk ik nog op dat Digital Revolution in hoger beroep niet heeft aangevoerd dat niet voldaan is aan de bedoelde representativiteits-eis, althans in het subonderdeel wordt niet vermeld dat en waar zij dat heeft gedaan. Dit betoog vergt een waardering van feitelijke aard en kan daarom niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd.
Onderdeel 7klaagt hierover in de
subonderdelen 7.1 tot en met 7.4.
Subonderdeel 7.1verwijst naar de subonderdelen 7.2-7.4 en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
subonderdeel 7.2.1veronderstellen dat het oordeel is beperkt tot de vraag of er op de bestemmingspagina al dan niet sprake is van misleiding en dat het oordeel dus niet afdoet aan misleiding op Google Shopping waarvan volgens het middel sprake is. Zou het hof wel het oog hebben op mogelijke misleiding op Google Shopping of andere pagina’s op de Prindo-website dan getuigt dat (impliciete) oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en is het onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, aangezien de afwezigheid van misleiding op één locatie niet met zich brengt dat geen sprake is of kan zijn van misleiding op één of meer andere locaties.
subonderdeel 7.2.1uitgaat van een andere lezing van het bestreden arrest, berust het op een onjuiste feitelijke grondslag.
subonderdeel 7.2.1betoogt dat de beoordeling van de misleiding aan de hand van Google Shopping en de bestemmingspagina in onderling verband rechtens onjuist dan wel of onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, dienen zij te falen. Ik verwijs hiervoor naar de bespreking van subonderdelen 5.7 en 5.8.
subonderdeel 7.2.2, samengevat, miskent het hof dat degene die zich na aankomst op de bestemmingspagina ‘bekocht voelt' al feitelijk is misleid en dat aan deze misleiding niet afdoet dat de klant nog kan besluiten niet tot koop over te gaan.
subonderdelen 7.2.3 en 7.2.4, samengevat, ligt in rov. 5.12 besloten (i) dat alleen geen sprake is van misleiding bij de specifieke groep die via Google Shopping doorklikt naar de bestemmingspagina (de “doorklikkers”) en (ii) dat er sprake is (en blijft) van misleiding van alle andere gebruikers van Google Shopping die niet via de bestemmingspagina via de doorklikroute vanaf Google Shopping bezoeken (de ‘niet-klikkers’) en van degenen die door de niet-klikkers beïnvloed worden, zodat het hof in rov. 5.17 in zoverre ten onrechte en onbegrijpelijk de vorderingen afwijst.
subonderdelen 7.3.1 tot en met 7.3.4over rov. 5.13.
Subonderdeel 7.3.1verwijst naar subonderdeel 7.2.1 en faalt om dezelfde redenen als dat subonderdeel.
subonderdeel 7.3.2dat het hof in rov. 5.13 miskent dat het voor Media Concept mogelijk is om op de door Media Concept gecontroleerde bestemmingspagina’s op de Prindo-website alle informatie te verstrekken die verstrekt dient te worden om te zorgen dat geen sprake is van misleiding. Hierop voortbouwend betoogt het subonderdeel, kort gezegd, dat vaststaat dat sprake is van misleiding.
subonderdeel 7.3.2verder veronderstelt dat het hof kennelijk van oordeel is dat als vertrekpunt heeft te gelden dat het niet vermelden van het doorklikroute-vereiste op de bestemmingspagina in beginsel een misleidende omissie is, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en dient het daarom te falen.
subonderdeel 7.3.2, verwijzend naar de
subonderdelen 7.3 en 7.4.
subonderdeel 7.3.4 onder aaanvoert, is voldoende duidelijk dat het hof met een “tweede exemplaar” het oog heeft op een klant die via Google Shopping naar de bestemmingspagina is verwezen en daar een eerste exemplaar heeft gekocht, en voor een tweede exemplaar de website van prindo.nl heeft bezocht. Daaraan doet niet af dat er ook kopers kunnen zijn die voor de bestelling van het tweede exemplaar opnieuw de route via Google Shopping naar de bestemmingspagina volgen. Anders dan
subonderdeel 7.3.4 onder b en caanvoert, behoefde het hof niet nader in te gaan op feitelijke varianten (zoals bestelling van een derde exemplaar, bestelling van een ander kleur, het tijdsverloop tussen de eerste en tweede bestelling, of de tweede bestelling door een andere functionaris van een bedrijf is gedaan), nu deze varianten naar het kennelijke oordeel van het hof niet wezenlijk afwijken van de door het hof in het algemeen beschreven bestelling van een tweede exemplaar. Deze oordelen zijn feitelijk van aard en daarom aan het hof voorbehouden. Zij getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefden geen nadere motivering, mede gezien de in kort geding aan de motivering te stellen eisen.
subonderdeel 7.3.4 onder ebevat een conclusie. Zij falen om de eerder gegeven redenen.
subonderdelen 7.3.4 onder f en 7.4stellen in het voetspoor van subonderdeel 5.6.4 aan de orde dat het bereik van Google Shopping zich ook uitstrekt tot diegenen die voor hun oordeelsvorming niet zelf Google Shopping gebruiken maar afgaan op adviezen van - al dan niet doorklikkende - Google Shopping gebruikers respectievelijk de misleiding van personen die Google Shopping bezoeken maar niet doorklikken naar de bestemmingspagina.
onderdeel 8in de subonderdelen 8.1 en 8.3 tot en met 8.6.
Subonderdeel 8.1verwijst naar de subonderdelen 8.2-8.6 en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
Subonderdeel 8.2bevat geen klacht.
Subonderdeel 8.4.2 onder a-dis reeds besproken.
subonderdelen 8.3.1 tot en met 8.3.4, samengevat, dat het hof niet ingaat op het verwijt van Digital Revolution dat op (alle productpagina’s van) de Prindo-website sprake is van misleiding omdat daar wordt vermeld dat sprake is van “lage prijzen” terwijl verzwegen wordt dat sprake is van twee verschillende prijzen. Ook
subonderdeel 8.4.2 onder (e)wijst hierop.
Onderdeel 9voegt hieraan toe dat de vermelding “lage prijzen” ten onrechte niet in de feitenvaststelling is opgenomen.
Die misleiding wordt vervolgens versterkt doordat daar door het gebruik van de toevoeging “lage prijs” in het kader “uw voordeel” ook de indruk gewekt wordt dat dit een gunstige prijs, een voordeel, - en voor Prindo NL de gunstigste prijs - zou zijn.Door niet duidelijk te communiceren (i) dat de op Google Shopping prijs gecommuniceerde prijs een prijs is die alleen beschikbaar is voor gebruikers die via Google Shopping de aankoop realiseren en (ii)
dat de bij een direct bezoek aan de website gecommuniceerde prijzen ongunstiger zijn dan de via andere kanalen, zoals Google Shopping, beschikbare prijzen, is tevens - in aanvulling op de bovenbedoelde gronden — sprake van een misleidende omissie (…).” [onderstreping toegevoegd; A-G]
(sub)onderdelen 8.3, 8.4.2 en 9falen daarom.
subonderdelen 8.4 en 8.4.1is, samengevat, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd de overweging in rov. 5.15 dat zonder nadere toelichting, die door Digital Revolution niet is gegeven, niet valt in te zien op welke grond Media Concept zou zijn gehouden op haar homepage te melden dat haar producten via Google Shopping goedkoper zijn. De overweging dat geen nadere toelichting is gegeven inzake de grondslag van haar vorderingen betreffende deze “gunstige prijzen”-claim van Media Concept op de homepage van de Prindo-website, miskent dat Digital Revolution in de inleidende dagvaarding heeft aangevoerd onder 3.7 dat op de Prindo-website sprake is van - kort gezegd - misleiding door omissie.
subonderdeel 8.4.2.
subonderdelen 8.5.1-8.5.3.
Subonderdeel 8.5.1 klaagt dat de weergave van de stelling van Digital Revolution in rov. 5.14 te beperkt is.
subonderdeel 8.5.2is, samengevat, onduidelijk wat het hof in rov. 5.16 bedoeld met een “superioriteitsclaim”, gegeven dat de stelling van Digital Revolution erop neerkomt dat degene die de Prindo-website rechtstreeks bezoekt, mede door het gebruik van de aanprijzingen “lage prijzen” en “gunstige prijzen” in de veronderstelling verkeert dat de op die website aangeboden producten niet voor lagere prijzen te koop zijn dan de aan hem/haar geadverteerde prijzen. Dat heeft niets te maken met superioriteit in de zin van “in relatie tot de prijsstand van de rest van de markt of alle plaatsen waarop Media-Concept haar assortiment aanbiedt" (zoals Media Concept in haar pleitnotities in eerste aanleg nr. 32 stelde), maar alles met het feit dat op één plaats/locatie − zoals een fysieke winkel of een website – aangeboden producten dezelfde prijs hebben en dat die prijs niet hoger of lager is afhankelijk van de vraag via welke ingang men die (web)winkel c.q. locatie bezoekt.
subonderdeel 8.5.2dat sprake is van misleiding berust op een waardering van feitelijke omstandigheden. Dit betoog kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. Het subonderdeel verwijst daarbij niet naar vindplaatsen in de procestukken waaruit blijkt dat dit betoog reeds in feitelijke instanties is gevoerd. Het hof kan daarom niet verweten worden dat het niet op dit betoog is ingegaan.
Subonderdeel 8.6bouwt voort op de subonderdelen 5.6.3 en 5.6.4 en faalt in het verlengde daarvan.
onderdeel 10, samengevat, onderzoekt het hof in rov. 5.3-5.13 ten onrechte slechts of de (potentiële) koper die de sites (Google Shopping, de bestemmingspagina of prindo.nl) bezoekt wordt misleid. Het relevante publiek in de zin van art. 6:194 BW Pro omvat iedereen die direct of indirect kennis neemt van de mededeling en wiens economisch gedrag daardoor beïnvloed kan worden bij een aankoopbeslissing of bij een keuze van een leverancier, waartoe ongefundeerde reputatieschade van een concurrerende leverancier of een onterechte toename van de reputatie of goodwill van de adverteerder voldoende kan zijn (
subonderdeel 10.2). Het hof miskent aldus dat de Google Shopping-advertenties ook en met name misleidend zijn voor diegenen (i) die niet de doorklikroute gebruiken om bij Prindo het betreffende product te gaan kopen of bijvoorbeeld (ii) Google Shopping gebruiken om zich in brede zin te oriënteren om een leverancier te selecteren en vervolgens om hen moverende redenen op enig later moment rechtstreeks de website van Prindo bezoeken in de veronderstelling dat zij daar de producten tegen de op Google Shopping geadverteerde prijzen kunnen kopen en daarmee net zo voordelig uit zouden zijn als wanneer zij wel destijds direct tot aankoop zouden zijn overgegaan en dan de doorklikroute zouden hebben gevolgd (
subonderdeel 10.5). Dit geldt ook voor oneerlijke handelspraktijken als bedoeld in art. 6:193c en 6:193d BW (
subonderdeel 10.3) en voor vergelijkende reclame als bedoeld in art. 6:194a BW (
subonderdeel 10.4).
onderdeel 10komen erop neer dat personen die Google Shopping zelf niet bezoeken of die Google Shopping wel bezoeken maar niet doorklikken naar de bestemmingspagina, kunnen worden misleid indien zij (via anderen) kennis nemen van uitsluitend de op Google Shopping aangeboden prijs. [38] Ook voor deze personen geldt echter dat als zij zich eenmaal verdiepen in het aanbod op de wijze als bedoeld in rov. 5.11-5.13, zij niet worden misleid. De klachten zien er mijns inziens aan voorbij, dat het al dan niet misleidende karakter van de advertentie op Google Shopping moet worden beoordeeld met inachtneming van de regel van 6:194 lid 4 en 6:193 d lid 4 BW. Indien de in onderdeel 10 bedoelde personen zich verdiepen in het aanbod, gedragen zij zich als een normaal geïnformeerde en redelijk oplettende en bedachtzame gemiddelde consument van de producten of diensten waarover het gaat in de betrokken advertentie. De stelling dat het louter kennis nemen (via anderen) van de informatie op Google Shopping kan leiden tot reputatieschade van een concurrent, doet naar mijn mening niet af aan het oordeel van het hof dat de advertentie op Google Shopping in de omstandigheden van dit geval niet misleidend kan worden genoemd.
subonderdelen 11.1 en 11.2, samengevat, van uit dat het hof in rov. 5.11 tot en met 5.17 oordeelt dat stelplicht en bewijslast ter zake van de drie verwijten die Digital Revolution aan Media Concept maakt en die het hof in deze overwegingen heeft beoordeeld, op Digital Revolution rusten. Dit impliceert volgens
subonderdeel 11.3een verwerping van het betoog van Digital Revolution dat op Media Concept, ook in kort geding, de in art. 6:193j lid 1 en 6:195 lid 1 BW bedoelde stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van, kort gezegd, de juistheid en volledigheid van de informatie. Volgens
subonderdeel 11.4is het oordeel van het hof dat Digital Revolution niet aan haar stelplicht heeft voldaan onjuist dan wel onbegrijpelijk, althans oordeelt het hof dat geen sprake is van misleiding op basis van eigen bevindingen van het hof zonder daarbij steun te vinden in of aan te sluiten bij datgene wat door Media Concept is aangevoerd.
onderdeel 12falen in het voetspoor van de onderdelen 3 tot en met 11. Dit leidt tot de slotsom dat het cassatieberoep dient te worden verworpen. Ik heb in het middel geen klachten aangetroffen die rechtsvragen aan de orde stellen die beantwoording behoeven met het oog op de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.