Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Haviltexzie ik geen enkele grond. Zie ook de eerste volzin van rechtsoverweging 5.3.
subonderdeel 1.2heeft het hof, indien het de Haviltexmaatstaf wel heeft toegepast, dat onjuist gedaan, althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Deze algemeen geformuleerde klachten werkt de steller van het middel vervolgens als volgt uit (samengevat):
Subonderdeel 2.4dingt op de aanname dat [de verkopers] de bedenktijd hebben benut voor het maken van een definitieve keuze uit meerdere gegadigden maar beperkt af. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk omdat uit de verklaring van [derde-gegadigde] blijkt dat deze eerst nadat de koopovereenkomst met [de kopers] was ondertekend (rechtstreeks) met [de verkopers] telefonisch contact heeft opgenomen en een bod heeft gedaan. Dat gaat langs wat het hof heeft overwogen heen. Dat tussen [de verkopers] en [derde-gegadigde] niet voorafgaand aan ondertekening van de koopovereenkomst met [de kopers] niet rechtstreeks contact is geweest en dat [derde-gegadigde] toen nog geen bod had gedaan, doet er op geen enkele manier aan af dat [de verkopers] de door hen bedongen bedenktijd hebben ingeroepen voor het maken van een definitieve keuze uit meerdere gegadigden.
Subonderdeel 2.1bouwt vergeefs voort op onderdeel 1.
nietop de juiste opvatting van het recht berustte, dán zou het oordeel van het hof spoedig onbegrijpelijk zijn. Aan de literatuur en rechtspraak met betrekking tot art. 7:2 lid 2 BW Pro valt dat echter onmogelijk te ontlenen. [7] De steller van het middel lijkt dit ook zelf te onderkennen, want hij ontkent de mogelijkheid dat een beroep op de wettelijke bedenktijd van art. 7:2 lid 2 BW Pro misbruik van bevoegdheid oplevert niet; in plaats daarvan benadrukt hij dat dit voorbehouden is voor ‘zeer bijzondere situaties’.
subonderdeel 2.5is het oordeel van het hof dat [de kopers] er geen rekening mee behoefden te houden dat [de verkopers] de bedenktijd zouden (willen) gebruiken om alsnog met een andere gegadigde in zee te gaan, onbegrijpelijk omdat er een bedenktijd was afgesproken, zodat [de kopers] wisten dat de kans aanwezig was dat [de verkopers] nog van de verkoop aan hen zouden afzien en met een andere gegadigde in zee zouden kunnen gaan. Aldus doet de steller van het middel het vergeefs voorkomen alsof de uitleg die [de verkopers] aan de door hen bedongen bedenktijd geven, een gegeven is. Dat is hij niet. Het hof heeft zonder schending van enige rechtsregel en niet onbegrijpelijk aan het bedenktijdbeding een andere uitleg gegeven en in verband daarmee geoordeeld dat het beroep op de bedenktijd misbruik oplevert.
Uit die brieven van de advocaat van [de kopers] , samen gelezen, is redelijkerwijs duidelijk dat [de kopers] van de twee voor hen volgens de koopovereenkomst (in artikel 11, leden 2 en 3) bestaande mogelijkheden voor de laatste, en dus voor ontbinding met boetebetaling, kozen. Dat stond hun volgens de koopovereenkomst ook vrij en vormt, anders dan [de verkopers] aanvoeren, geen misbruik van bevoegdheid. De koopovereenkomst biedt duidelijk de twee genoemde keuzemogelijkheden en dus niet alleen de mogelijkheid om, in geval van niet-nakoming ervan, deze alsnog af te dwingen.
hebben nog naar voren gebracht dat [de kopers] de overeenkomst niet formeel hebben ontbonden wegens verzuim. Dat wordt echter weersproken door de hierboven besproken brieven van 4 en 15 november 2017 en tevens door het feit dat [de kopers] vervolgens bij dagvaarding – onder punt 39 – de overeenkomst hebben ontbonden.
[de verkopers] zijn de boete dan ook aan [de kopers] verschuldigd.’
consument-koperverregaand te beschermen. Het zal duidelijk zijn dat de door het hof aangehaalde passage uit de parlementaire stukken veronderstelt dat misbruik van die bedenktijd met het in art. 3:13 lid 1 BW Pro vermelde rechtsgevolg, wel degelijk denkbaar is. Wat daarvan ook zij, niet valt in te zien waarom een door de
verkoperbedongen bedenktijd op voorhand – nuances duidt de klacht niet aan; zij presenteert ons integendeel een categorisch uitgangspunt – zodanig onaantastbaar zou moeten zijn, dat art. 3:13 lid 1 BW Pro geen toepassing kan vinden. Ik wijs erop dat ook de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid ertoe kan leiden dat een als gevolg van de overeenkomst tussen partijen geldende regel
niet van toepassing is(art. 6:248 lid 2 BW Pro). [14]