Conclusie
De appartementseigenaren hadden aannemingsovereenkomsten gesloten met een aannemer voor de bouw van een in woningen te transformeren kantoorpand. Conform art. 7:768 lid 1 BW Pro is door ieder van de appartementseigenaren 5% van de laatste termijn van de aanneemsom in depot bij de notaris gestort. Op verzoek van de aannemer zijn de 5%-depots vervangen door een bankgarantie. De notaris heeft daarop de depots uitgekeerd aan de aannemer. In de op 18 december 2015 gestelde bankgarantie is bepaald dat deze slechts kan worden ingeroepen nadat een partijen bindende beslissing is gewezen in een procedure tussen de aannemer en de desbetreffende appartementseigenaar. Tevens is bepaald dat de bankgarantie vervalt per 1 juni 2016.
Wanneer de aannemer enige tijd later failliet gaat, zijn de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw nog niet afgebouwd. De bank weigert uitbetaling te doen onder de bankgarantie.
Op grond van de op de aannemingsovereenkomsten van toepassing zijnde garantieregeling heeft Woningborg op haar kosten het appartementsgebouw laten afbouwen.
In de onderhavige procedure spreekt Woningborg de notaris aan tot schadevergoeding wegens onzorgvuldig handelen. Het hof wijst die vordering toe, omdat de notaris op grond van art. 7:768 lid 3 BW Pro niet de depots had mogen vrijgeven zonder dat vervangende,
gelijkwaardigezekerheid was gesteld. De bankgarantie voldeed daar niet aan. In cassatie wordt dat oordeel met verschillende klachten bestreden. De klachten hebben onder meer betrekking op de strekking van het 5%-depot bij appartementengebouwen (ziet dit alleen op de privégedeelten of óók op de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw?), de uitleg van het begrip ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW Pro en de taak en verantwoordelijkheid van de notaris in het kader van de vrijgave van het depot tegen vervangende zekerheid op de voet van art. 7:768 lid 3 BW Pro.
1.Feiten
De afbouwwaarborg
Definities
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
Het bijzondere opschortingsrecht van art. 7:768 BW Pro (de 5% regeling)
gelijkwaardigis aan het depot. Daarvan is sprake als de bankgarantie in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden inroepbaar is als het depot. [24]
vanuit de opdrachtgever bezien [..] er zodoende weinig verschil [bestaat] tussen een bankgarantie of een depotbedrag. Beide leveren genoeg zekerheid tot eventuele uitbetaling”. [27] Vanaf 2010 is dit probleem echter wel gesignaleerd in de literatuur [28] en jurisprudentie. [29] Met de aanstaande wijziging van art. 7:768 BW Pro heeft de wetgever willen verduidelijken dat de vervangende zekerheid dezelfde zekerheid dient te bieden als het depot. Volgens de memorie van toelichting is daarvan sprake als de zekerheid in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden inroepbaar is als het depot. Niet gelijkwaardig is een bankgarantie die pas kan worden ingeroepen wanneer de opdrachtgever (door middel van een bindende beslissing) kan aantonen dat de aannemer in gebreke is gebleven. Het is een verslechtering van de positie van de opdrachtgever als hij eerst moet procederen voordat hij de bankgarantie kan inroepen. [30] Evenmin gelijkwaardig is een bankgarantie met een beperkte looptijd of een bankgarantie die automatisch vervalt. De opdrachtgever heeft in dat geval immers geen mogelijkheden meer om bij (nog niet herstelde) gebreken het depot te verlengen op grond van art. 6:262 BW Pro. [31]
verduidelijkendat de vervangende zekerheid voor het depot een zelfde zekerheid dient te bieden als het depot. Kennelijk was de wetgever van opvatting dat dit ook voorheen al geldend recht was, maar dat dit – gelet op de praktijk waarin bankgaranties worden gesteld die onvoldoende zekerheid bieden – nog niet voldoende duidelijk in de wet tot uitdrukking kwam. Deze uitleg van ‘vervangende zekerheid’ strookt ook met het consumentenbeschermende karakter van art. 7:768 BW Pro. De uitleg sluit ook aan bij de eis van art. 6:51 lid 2 BW Pro dat de vordering door de aangeboden zekerheid ‘behoorlijk gedekt’ moet zijn.
gehelegebouw aan de appartementsgerechtigden
gezamenlijk(vertegenwoordigd door de vereniging van eigenaars ingevolge art. 5:126 lid 2 BW Pro). Het ligt derhalve voor de hand om pas van ‘oplevering’ in de zin van art. 7:768 BW Pro te spreken als het gehele gebouw is opgeleverd (dus niet reeds bij de ‘oplevering’ van de privégedeelten). [38]
4.Bespreking van de klachten
of de verbintenis op grond waarvan Woningborg onder 7:962 BW van de notaris vergoeding vordert van hetgeen is uitbetaald aan de appartementseigenaren, dezelfde verbintenis is op grond waarvan, vóór subrogatie,individueleappartementseigenaren schadevergoeding van de notaris hadden kunnen vorderen omdat zij elk afzonderlijk zich, ter verzekering van een correcte oplevering, niet hebben kunnen verhalen op het depotbedrag in de in art 7:768 BW Pro bedoelde situatie (herstel van gebreken; zie hierna).”
subonderdelen 1b en 1c. [45] Daarin wordt, samengevat, betoogd dat de door de appartementseigenaren in depot gestorte bedragen op grond van 7:768 lid 1 BW alsmede de toepasselijke algemene voorwaarden bij de aannemingsovereenkomsten (artikelen 12 en 13) slechts zien op herstel van de bij of na oplevering
in de woningvan de appartementseigenaar geconstateerde
gebreken, en zich – anders dan het hof in rov. 3.3 en 3.22 tot uitgangspunt nam – niet uitstrekte tot ‘waarborg van voltooiing van het gebouw’ (althans
de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw).
subonderdeel 1cdat het hof bij de beoordeling van grief 3 van Woningborg ten onrechte niet (kenbaar) heeft betrokken de in feitelijke instanties aangevoerde stelling van de notaris, dat de appartementseigenaren volgens de aannemingsovereenkomsten en de toepasselijke algemene voorwaarden naast hun privégedeelte (appartement) geen rechten hadden ten aanzien van de oplevering c.q. afbouw van gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw. Volgens de notaris is alleen de vereniging van eigenaars bevoegd om op te treden bij alle zaken die de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw zouden betreffen en terzake vorderingen in te stellen. Dat is de reden waarom volgens de tussen Woningborg en de appartementseigenaren geldende Garantieregeling elke appartementseigenaar een eigen certificaat ontving voor zijn privégedeelte en de vereniging van eigenaars een certificaat kreeg na de oplevering voor de gemeenschappelijke gedeelten. Subonderdeel 1c stelt dat in het licht van dit verweer rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.3. ervan is uitgegaan dat het depot van de appartementseigenaren zich uitstrekt tot waarborg van ‘de voltooiing van gebouw’ (gemeenschappelijke gedeelten), terwijl vaststaat dat het depot van elke appartementseigenaar 5% van de aanneemsom was en alleen betrekking had op de realisatie van ieders afzonderlijke privégedeelte.
gepretendeerdeschadevergoedingsvorderingen van de appartementseigenaren jegens de notaris omdat zij de (gepretendeerde) schade van de appartementseigenaren heeft vergoed. Het hof overweegt immers in rov. 3.3 dat ‘
Woningborg in zoverre is getreden in de (gepretendeerde) rechten van de appartementseigenaren jegens de notaris en de bank’. De beoordeling van de gepretendeerde vorderingen jegens de notaris vindt plaats in rov. 3.5-3.12 en rov. 3.16-3.22. Het oordeel van het hof over grief 3 moet derhalve los worden gezien van de inhoudelijke beoordeling van de (op Woningborg overgegane) vorderingen van de appartementseigenaren jegens de notaris.
gelijkwaardige zekerheidbiedt als het depot, dan wel – wanneer de bankgarantie geen gelijkwaardige zekerheid biedt – indien de opdrachtgever (uitdrukkelijk) met de vrijgave van het depot heeft ingestemd. Dit betekent dat de notaris op het moment van de vrijgave van het depot zich ervan dient te verzekeren dat de door de aannemer aangeboden zekerheid gelijkwaardige zekerheid biedt als het depot. Die verzekering heeft de notaris niet wanneer hij op het moment van het vrijgeven van het depot geen garanties heeft met betrekking tot de verlenging van de bankgarantie, maar slechts mocht aannemen dat verlenging van de bankgarantie de bedoeling was van de aannemer.
Artikel 12
de oplevering van het privé-gedeelteten behoeve van de verkrijger een bankgarantie van 5% van de aanneemsom als bedoeld in artikel 13 van Pro deze Algemene Voorwaarden aan de verkrijger stelt, die bij de oplevering ingaat. De notaris beoordeelt of deze bankgarantie aan de wet en de in artikel 13 van Pro deze Algemene Voorwaarden gestelde eisen voldoet en treedt als bewaarder van het origineel van de bankgarantie op. (…)
na het tijdstip van oplevering van het privé-gedeelte, tenzij de verkrijger van de in artikel 6:262 BW Pro toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken.(…)
oplevering van het privé-gedeelte, onvoorwaardelijk te zijn en voort te duren totdat:
oplevering van het privé-gedeelte, tenzij de verkrijger voordien schriftelijk meedeelt dat hij van de in artikel 6:262 BW Pro toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken. In dat geval deelt de verkrijger aan de notaris tevens mee tot welk bedrag de bankgarantie moet worden gehandhaafd;
privé-gedeeltegeconstateerde gebreken, alsmede gebreken die zich binnen 3 maanden na de oplevering van het
privé-gedeeltevoordoen.”
van de totale aanneemsomin depot was gestort. Dat oordeel is juist. Ervan uitgaande – dit is in cassatie niet bestreden – dat door de appartementseigenaren 5% van de totale aanneemsom in depot is gestort (overigens ging het oorspronkelijk om 10%, zie onder 1.6) én vaststaat dat in die aanneemsom ook was begrepen (de bouw van) het aandeel van de desbetreffende koper/opdrachtgever in de gemeenschappelijke gedeelten van het appartementengebouw, is er immers geen andere conclusie mogelijk dan dat (het de bedoeling was dat) het depot zowel zag op de privégedeelten als op de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw. Die conclusie is ook in lijn met wat hiervoor is opgemerkt over de 5%-regeling bij de bouw van appartementsgebouwen (zie onder 3.14-3.17). Het bepaalde in de Algemene Voorwaarden en de Algemene Toelichting kan dat niet anders maken, nu er daar blijkbaar vanuit wordt gegaan dat alleen een depot is gestort voor de privégedeeltes, waarbij er dan kennelijk een splitsing is gemaakt in de aanneemsom in een gedeelte dat betrekking heeft op (de bouw van) het privégedeelte van een individuele appartementseigenaar en een gedeelte dat betrekking heeft op (de bouw van) het aandeel van de individuele appartementseigenaar in de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw. [47] In de onderhavige zaak is dat echter niet aan de orde.
als zodanignietig is. Niet de bankgarantie was in strijd met art. 7:768 lid 3 BW Pro, maar het vrijgeven van het depot zonder vervangende zekerheid.