Conclusie
no cure no pay-basis werkzaamheden voor [verweerster] verricht (ten behoeve van cliënten van [verweerster] ). [verweerster] heeft de zaken op enig moment aan een ander advocatenkantoor overgedragen (aan mr. De Koning), maar nagelaten de
no cure no pay-afspraak met [eiseres] bij mr. De Koning onder de aandacht te brengen. Nadat in elk geval één aanvankelijk door [verweerster] bijgestaan slachtoffer van een legionellabesmetting een schadevergoeding had ontvangen en [verweerster] naliet [eiseres] voor haar werkzaamheden te betalen, heeft [eiseres] [verweerster] in 2011 in rechte betrokken.
1.Feiten
whirlpoolgeëxposeerd, die een bron van legionellabesmetting was.
2.Procesverloop
whirlpoolbij [de bloemententoonstelling] had gedemonstreerd (randnummer 1.3 hiervoor). Omdat aan ten minste één van de voormalige cliënten van [verweerster] , [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’), een schadevergoeding is toegekend, heeft [eiseres] schadevergoeding van [verweerster] gevorderd wegens niet-nakoming van de opdrachtovereenkomst. [3]
no cure no pay-afspraak. [betrokkene 1] moest dus proberen een vergoeding te incasseren en [verweerster] stond hiervoor in. Indien mr. De Koning en/of [betrokkene 1] van het bestaan van deze verplichting op de hoogte zouden zijn geweest, is het aannemelijk dat [betrokkene 1] de vordering zou hebben ingesteld. Mr. De Koning heeft in productie 1 bij de antwoordakte geschreven dat [betrokkene 1] in dat geval zou hebben besloten om ‘moeilijke discussies’ te voorkomen en het instellen van de vordering (daarom) achterwege te laten, maar hij gaat er daarbij ten onrechte vanuit dat [betrokkene 1] niet jegens [eiseres] [lees: [eiseres] , A-G] verplicht was om te proberen de vergoeding te incasseren. Het hof gaat daarom aan de toelichting van mr. De Koning voorbij en passeert het verweer van [verweerster] .”
(..) Nu de wanprestatie, zoals door het Hof aangenomen, erop ziet dat u mij niet in kennis heeft gesteld van de vordering van [eiseres] B.V. ter zake de werkzaamheden van [betrokkene 2][de bestuurder van [eiseres] , A-G]
, dient te worden bezien welke de situatie zou zijn geweest, indien u mij hiervan wel op de hoogte zou hebben gesteld
de vordering van [eiseres] zou hebben meegenomen in de procedure, want waarom zou hij? Aan moeilijke discussies was immers al geen gebrek. Een moeilijke en dus kostbare discussie over de hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag kon hij dus missen als kiespijn. Daarbij is het rapport van [eiseres] in zijn procedure nooit van enige relevantie geweest. [15]
whirlpoolop [de bloemententoonstelling] had gedemonstreerd, A-G]
toch niet ging betalen. Dus al hadden Hof en rechtbank de vordering volledig toegewezen, dan nog had [eiseres] niets ontvangen.
. (..) Nu de dekking zelfs al te gering was om de slachtoffers te kunnen betalen, acht ik de kans dat de vordering van [eiseres] zou zijn vergoed door STL nihil.
3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
verweer e.van [verweerster] verworpen. Dit verweer is daarbij door het hof aangeduid als “
het beroep op gebrek aan verhaalsmogelijkheden” [17] en hield in dat [eiseres] óók geen vergoeding zou hebben ontvangen indien [verweerster] of mr. De Koning aanspraak zou hebben gemaakt op vergoeding van de door [eiseres] gemaakte kosten, omdat er onvoldoende verhaalsmogelijkheden waren. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft dit verweer verworpen, net als de overige zes verweren van [verweerster] (randnummer 2.9 hiervoor). Hierdoor heeft het hof in het tweede deel van rov. 2.9 van het eindarrest van 10 januari 2017 resumerend geconcludeerd dat het “
desbetreffende bedrag van € 19.022,86 (…) naar het oordeel van het hof aan [eiseres] [zou] zijn uitbetaald indien [verweerster] haar verplichtingen jegens [eiseres] was nagekomen.”
verweer a.van [verweerster] (het ‘causaliteitsverweer’) op onjuiste grond heeft verworpen (randnummer 2.11 hiervoor). Uw Raad heeft daarom het tussenarrest van 20 oktober 2015 van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en tevens het eindarrest van 10 januari 2017, omdat het eindarrest op het tussenarrest voortbouwt (randnummer 2.12 hiervoor).
waaronder de verplichting om uitbetaling aan [eiseres] te bewerkstelligen. (…).”
de verplichting om uitbetaling aan [eiseres] te bewerkstelligen”. Aan [eiseres] kan worden toegegeven dat dit een enigszins ongelukkige formulering is, die lijkt af te wijken van de door het hof Arnhem-Leeuwarden vastgestelde wanprestatie, waarvan moet worden uitgegaan. De formulering die het verwijzingshof heeft gebruikt, wekt de indruk dat op [verweerster] de (resultaats)verplichting rustte om vergoeding voor de kosten van [eiseres] te verkrijgen. De wanprestatie van [verweerster] bestaat er echter ‘slechts’ uit dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om de kosten van [eiseres] vergoed te krijgen (een inspanningsverplichting dus), door na te laten de kostenopgave van [eiseres] met voldoende toelichting aan mr. De Koning over te dragen.
slip of the penis geweest.
mening” van mr. De Koning is die aan de conclusie van het hof Arnhem-Leeuwarden afdoet. Ten eerste is de conclusie van het hof Arnhem-Leeuwarden geraakt door de vernietiging van Uw Raad (randnummers 2.11 en 3.5 e.v. hiervoor). Ten tweede heeft niet de “
mening” van mr. De Koning de doorslag gegeven, maar heeft het verwijzingshof – aan de hand van de brief van mr. De Koning – een afweging van de goede en kwade kansen gemaakt dat [eiseres] een vergoeding zou zijn toegekend in het geval [verweerster] de kostenopgave met voldoende toelichting aan mr. De Koning zou hebben overgedragen (rov. 3.11). Gelet op de inhoud van de brief van mr. De Koning [21] – die op mij overtuigend overkomt – is het niet onbegrijpelijk dat het verwijzingshof geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de door mr. De Koning in de brief toegelichte conclusie, te weten dat het onwaarschijnlijk is dat [betrokkene 1] de kostenopgave van [eiseres] in zijn procedure zou hebben betrokken, in de (hypothetische) situatie dat mr. De Koning van die kostenopgave op de hoogte was geweest (en via hem, [betrokkene 1] ).
de kostenopgave van [eiseres]met voldoende toelichting aan mr. De Koning over te dragen en niet, zoals [eiseres] betoogt, dat [verweerster] heeft nagelaten zijn
persoonlijke verplichtingen jegens [eiseres]aan mr. De Koning over te dragen.
4.Bespreking van het middel in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
de verplichting om uitbetaling aan [eiseres] te bewerkstelligen”. Volgens [verweerster] is het verwijzingshof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, voor zover deze overweging aldus moet worden opgevat dat het verwijzingshof de wanprestatie van [verweerster] breder ziet dan (alleen) een verzuim om de kostenopgave van [eiseres] aan mr. De Koning over te dragen (op zodanige wijze dat deze ervan op de hoogte was dat hij zou moeten proberen deze kosten bij toewijzing van een vordering of een minnelijke regeling vergoed te krijgen). [verweerster] meent zelf dat het slot van rov. 3.8 niet op deze wijze moet worden gelezen, [23] maar voor zover dat wel het geval is, heeft het verwijzingshof volgens [verweerster] rov. 4.5 van het tussenarrest van 28 januari 2014 van het hof Arnhem-Leeuwarden miskend. Daarin heeft het verwijzingshof immers uitsluitend als wanprestatie aangemerkt dat [verweerster] de kostenopgave van [eiseres] niet (op juiste wijze) aan mr. De Koning heeft overgedragen.
slip of the pen. Onder meer in het slot van rov. 3.11 – waar het verwijzingshof verweer a. van [verweerster] heeft herbeoordeeld – heeft het verwijzingshof de wanprestatie immers op juiste wijze omschreven, namelijk met de woorden “
in het geval dat [verweerster] de kostenopgave met voldoende toelichting zou hebben overgedragen aan mr. De Koning”. [24] In samenhang daarmee gelezen, kan het slot van rov. 3.8 dus niet aldus worden geïnterpreteerd dat het verwijzingshof de wanprestatie van [verweerster] anders/breder heeft opgevat dan het hof Arnhem-Leeuwarden in het tussenarrest van 28 januari 2014 heeft vastgesteld.