Conclusie
1.Feitenen procesverloop
- verzoeker tot cassatie: de vader;
- verweerster in cassatie: [huidige bewindvoerder] B.V. [3] : huidige bewindvoerder of curator;
- betrokkene: [rechthebbende] : [rechthebbende] of rechthebbende;
- belanghebbende: [de moeder] , verzoekster in eerste aanleg: de moeder.
De moeder heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat [rechthebbende] als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt, althans zijn eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt en dat met de bestaande beschermingsmaatregel de belangen van rechthebbende niet afdoende worden behartigd. [5]
Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.
De curator en de moeder zijn in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren. Er is geen verweer ontvangen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
De geestelijke of lichamelijke toestand kan onder omstandigheden grond opleveren voor het opleggen van een beschermingsmaatregel, zoals curatele, beschermingsbewind en mentorschap. Beschermingsmaatregelen moeten voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Proportionaliteit geeft een glijdende schaal weer; de reikwijdte van de maatregel moet stroken met het daarmee nagestreefde doel. Gaat een maatregel te ver, dan moet hij worden beperkt. Subsidiariteit betekent dat als een maatregel te ver gaat, hij moet worden afgewezen of beëindigd, en zo mogelijk worden vervangen door een lichter alternatief. [9]
. [11]
Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. De klachten tegen rov. 3.7.2 falen dus.
Het middel richt zich vervolgens tegen het door mij gecursiveerde gedeelte van de geciteerde rov. 3.7.3 en klaagt dat de beslissing van het hof om niet tot benoeming van de ouders (de vader) tot curator over te gaan, onvoldoende is gemotiveerd. Het middel betoogt daarbij – zakelijk weergegeven – dat het hof zich bij het gecursiveerde oordeel ogenschijnlijk heeft gebaseerd op de brieven van Thebe van 21 februari 2020 en 13 februari 2020, zoals bij het verweerschrift van 12 maart 2020 gevoegd, maar dat de beslissing van het hof niet uit die brieven kan worden afgeleid.
Bovendien berust de klacht op een onjuiste lezing van de beschikking.
Dit feitelijke oordeel is – gelet op het vorenstaande – gebaseerd op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en dus niet uitsluitend op de brieven van Thebe. De klacht faalt daardoor.