Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Conclusie
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Artikel 13. Reclame en Garantie
voor zover die omstandigheden geen betrekking hebben op het zich in dit geval voordoende concrete nadeel aan de zijde van [eiser]”. In de tweede alinea van subonderdeel 2.2 doet [eiser] , kort gezegd, een beroep op de volgende omstandigheden:
als het feitencomplex wordt bekeken” en de opmerking “
bovendien staat een beroep van [verweerster] op deze bepaling in redelijkheid niet vrij”. [25] Vervolgens heeft hij het volgende aangevoerd:
het feitencomplex” en, in aanvulling daarop, naar het volgens hem aan [verweerster] te maken verwijt en haar aansprakelijkheid. De verwijzing naar “
het feitencomplex” is te algemeen; het hof kon daaruit niet opmaken
welkeomstandigheden [eiser] aan zijn beroep op onredelijk bezwarendheid ten grondslag bedoelde te leggen. [27] Wat betreft de stelling dat [verweerster] ten tijde van het sluiten van de aannemingsovereenkomst zou hebben verzuimd om [eiser] te waarschuwen voor “
de problematiek ten gevolge van de wijzigingen naar het [verweerster] plan”, [28] geldt dat [eiser] eveneens onvoldoende concreet heeft uitgewerkt waarom dit tot onredelijk bezwarendheid van artikel 13.5 moet leiden. [29] Zoals het hof heeft overwogen en in cassatie niet wordt bestreden, zijn [eiser] en [verweerster] professionele partijen die een aannemingsovereenkomst binnen het kader van hun bedrijfsvoering hebben gesloten en op die overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing hebben verklaard waarvan niet is gesteld of gebleken dat deze ongebruikelijke bedingen bevatten of waar anderszins iets mee aan de hand zou zijn. Gelet hierop mocht het hof van [eiser] verwachten dat hij zijn stellingen nader zou onderbouwen.
het feitencomplex” (randnummer 3.11 hiervoor), helpt hem dit niet. Zoals gezegd, is de verwijzing naar “
het feitencomplex” dusdanig breed en algemeen dat het hof daaruit niet heeft hoeven begrijpen dat [eiser] een beroep deed op de omstandigheid dat [verweerster] tevens de ontwerper van de varkensstal was. Ook wat betreft de omstandigheden genoemd in de tweede alinea van subonderdeel 2.2, waarop [eiser] in dit verband een beroep doet, geldt dat [eiser] die niet (voldoende specifiek) ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroep op de onredelijkheid bezwarendheid van artikel 13.5.
feitencomplex”, waarmee hij onmiskenbaar ook heeft gedoeld op de hierna in subonderdeel 2.2 vermelde omstandigheden (die in randnummer 3.7 hiervoor reeds zijn weergegeven).
Dat betekent dat, achteraf gezien, het veelomvattende debat over de kwestie van de ammoniakemissie en de daarmee samenhangende schadeposten niet gevoerd had behoeven te worden” slechts tot uitdrukking gebracht dat het spijtig is dat, nu [verweerster] een beroep blijkt toe te komen op de exoneratie in artikel 13.5 van de algemene voorwaarden, vastgesteld moet worden dat [verweerster] en [eiser] zo lang hebben geprocedeerd over een uiteindelijk, gelet op artikel 13.5, niet relevante kwestie. Van een dragende overweging is geen sprake. Ook zonder deze zin blijft immers het oordeel van het hof staan dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro rechtvaardigen.
nietdat het oordeel van het hof in de
eerstealinea onjuist of onbegrijpelijk is. In de eerste alinea heeft het hof geoordeeld dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat [verweerster] ’ beroep op artikel 13.5 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hieruit kan niet worden afgeleid, anders dan [eiser] doet, dat het hof heeft miskend dat bij de vraag of het beroep op een exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (on)aanvaardbaar is, van belang kan zijn welke tekortkoming de gebruiker van dat exoneratiebeding kan worden verweten en hoe ernstig deze is. Met andere woorden: het hof heeft door in de tweede alinea van rov. 3.10 ten overvloede te oordelen dat overigens geen sprake is van een tekortkoming van [verweerster] , niet geoordeeld dat het in het kader van [eiser] ’ beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro niet relevant is welke tekortkoming van [verweerster] aan de orde zou zijn.
moetenkijken naar de mate van schuld van [verweerster] , waarbij de woorden “
in ieder geval” door [eiser] tussen haakjes zijn geplaatst, geen steun vindt in het recht. [eiser] verwijst [32] hierbij naar het
Saladin/HBU-arrest, [33] waarin Uw Raad het volgende heeft overwogen:
moetworden meegewogen door de rechter. Het is slechts één van de omstandigheden die relevant
kunnenzijn, zij het in de regel wel een belangrijke, in die zin dat een lichte mate van schuld in het kader van de beoordeling van het beroep op de exoneratie in het voordeel van de exonerant meeweegt en een hoge mate van schuld juist in zijn nadeel.
het feitencomplex” faalt. Door een beroep te doen op “
het feitencomplex” heeft [eiser] niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht. Van het hof kon niet worden verwacht dat het hier zelf nader invulling aan zou geven. Het was juist aan [eiser] , degene die heeft aangevoerd dat [verweerster] in redelijkheid een beroep op artikel 13.1 en 13.5 niet vrijstaat, [34] om aan het hof voor te leggen welke omstandigheden tot dat oordeel nopen. [35]
vaste regel of norm die een aannemer uit eigen beweging bij het bouwen van een varkensstal zou moeten hanteren”, zulks naast het bestaan van “
enige wettelijke regel”. Het hof heeft zich dus niet blindgestaard op geschreven, wettelijke of contractuele regels.
een aannemer uit eigen bewegingbij het bouwen van een varkensstal zou moeten hanteren. Bouwinstructies worden niet gegeven. Uit het rapport
Signaalindicatoren bij handhaving van “Open Normen” voor dierenwelzijnvan de Wageningen Universiteit kan dat ook niet worden afgeleid. Ook uit de opmerking van deskundige [betrokkene 1] op p. 8 van zijn rapport van 22 oktober 2012 dat “
tijdens het bezoek[bleek]
dat het gehalte ammoniak net boven de norm van 15 ppm was” kan niet een norm worden afgeleid die een aannemer als [verweerster] uit eigen beweging moet hanteren.
bij de uitvoering van de opdrachten/of bij aanpassing van de verstrekte opdracht[onderstreping van mij, A-G]”. Het hof heeft deze stelling van [eiser] dus onder ogen gezien en verworpen.
Boerderijdat bij blootstelling aan ammoniak gedurende langere tijd de concentratie niet hoger mag zijn dan 20 ppm en bij kortdurende blootstelling niet hoger dan 50 ppm.
dat er voor mens en dier een norm geldt van 10 ppm”. Hij heeft wel opgemerkt dat een minimale ventilatie van 10% nodig is om de ammoniakemissie en de CO2-uitstoot niet te hoog te laten zijn, maar dat is niet hetzelfde.