ECLI:NL:PHR:2021:563

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
4 juni 2021
Zaaknummer
15/03278
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 SvArt. 94 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking wegens ontbreken proces-verbaal raadkamerprocedure

De rechtbank Den Haag heeft op 7 juli 2015 het klaagschrift van de klager, gericht op teruggave van een in beslag genomen auto, ongegrond verklaard. Het cassatieberoep richt zich tegen de motivering van dit oordeel.

Bij de behandeling van het cassatieberoep blijkt dat de processtukken van de raadkamerbehandeling ontbreken, waardoor niet kan worden vastgesteld of er een proces-verbaal is opgemaakt. Dit proces-verbaal is vereist op grond van artikel 25 lid 1 Sv Pro en het ontbreken ervan leidt tot nietigheid van de raadkamerprocedure en de daarop gebaseerde beschikking.

De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim ambtshalve kan worden beoordeeld en dat het ontbreken van het proces-verbaal het onderzoek van het cassatiemiddel onmogelijk maakt. Daarom wordt de beschikking vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar de rechtbank Den Haag voor een nieuwe behandeling van het klaagschrift.

Uitkomst: De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer15/03278 B
Zitting15 juni 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de klager.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 7 juli 2015 het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave van een auto die onder hem in beslag is genomen, ongegrond verklaard.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaak 15/03277. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank.

2.Ambtshalve beoordeling van de beschikking

2.1.
Uit de beschikking van de rechtbank blijkt dat het klaagschrift op 23 juni 2015 in raadkamer is behandeld.
2.2.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich slechts de bestreden beschikking, de akte cassatie en naar aanleiding van herhaalde verzoeken van de zijde van de Hoge Raad, een brief van de rechtbank waaruit moet worden opgemaakt dat de (overige) processtukken in het ongerede zijn geraakt. Daardoor is (ook) niet meer vast te stellen òf er wel een proces-verbaal van de behandeling in raadkamer is opgemaakt.
2.3.
Over het ontbreken bij de stukken van het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer wordt in cassatie niet geklaagd.
2.4.
Volgens art. 25 lid 1 Sv Pro, moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat tevens voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken. Het is vaste rechtspraak dat het ontbreken van een dergelijk proces-verbaal betrekking heeft op een zo wezenlijke vorm van de raadkamerprocedure dat het nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking meebrengt, waartoe de Hoge Raad ook ambtshalve kan besluiten. [1] Dit klemt te meer, nu in het onderhavige geval het ontbreken van het proces-verbaal tot gevolg heeft dat het in cassatie voorgestelde middel niet naar behoren kan worden onderzocht.

3.Conclusie

3.1.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag opdat het klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:73. Dat ambtshalve beoordeling van dit verzuim ook mogelijk is maak ik op uit HR 15 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5545.