ECLI:NL:PHR:2021:566
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt beslag op rekening minderjarige wegens onjuiste rechtsopvatting over vermogen ouders
In deze zaak stond de vraag centraal of spaargeld op een bankrekening van een minderjarig kind van een verdachte kon worden gerekend tot het vermogen van die verdachte, zodat beslag daarop gerechtvaardigd was. De rechtbank Rotterdam had een deel van het beslag opgeheven, maar het resterende bedrag als behorend tot het vermogen van de verdachte aangemerkt en het klaagschrift deels ongegrond verklaard.
De advocaat-generaal stelde in zijn conclusie dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te veronderstellen dat het vermogen van het minderjarige kind toebehoorde aan de ouders. Hij verwees naar de artikelen 1:253i, 1:253j en 1:253l BW die het ouderlijk bewind regelen en het eigendom van het kind beschermen. Volgens deze bepalingen behoort het vermogen van het minderjarige kind niet toe aan de ouders, ook al oefenen zij het bewind uit.
De Hoge Raad volgt deze redenering en vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling, waarbij de onjuiste veronderstelling over het vermogen van het minderjarige kind niet wordt gehanteerd. Hiermee wordt bevestigd dat beslag op vermogen van een minderjarig kind niet zonder meer kan worden toegerekend aan de ouders, ook niet als zij gemachtigd zijn tot beheer van de rekening.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een correcte toepassing van het burgerlijk recht bij strafrechtelijke beslagleggingen en beschermt het vermogen van minderjarigen tegen onterechte beslaglegging.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank wegens een onjuiste rechtsopvatting over het vermogen van het minderjarige kind.