De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor drie diefstallen gepleegd in vereniging en een eenvoudige diefstal. Het hof motiveerde de straf mede met het feit dat de verdachte het slachtoffer zou hebben gedrogeerd om de diefstal mogelijk te maken.
In cassatie klaagt de verdachte dat deze omstandigheid niet blijkt uit de bewijsmiddelen of het onderzoek ter terechtzitting. De procureur-generaal stelt vast dat het bewijs voor drogering ontbreekt en dat het hof ten onrechte deze omstandigheid als bewezen heeft aangenomen in de strafmotivering.
De Hoge Raad oordeelt dat de strafmotivering ontoereikend is omdat het hof ervan uitgaat dat het slachtoffer daadwerkelijk is gedrogeerd, terwijl uit het geding slechts volgt dat dit niet kan worden uitgesloten. Dit is van meer dan ondergeschikt belang voor de strafoplegging, die daardoor onbegrijpelijk is geworden.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde berechting en strafoplegging op het bestaande hoger beroep.