ECLI:NL:PHR:2021:575

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2021
Publicatiedatum
7 juni 2021
Zaaknummer
20/02360
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 301 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs voor drogering slachtoffer bij diefstal

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor drie diefstallen gepleegd in vereniging en een eenvoudige diefstal. Het hof motiveerde de straf mede met het feit dat de verdachte het slachtoffer zou hebben gedrogeerd om de diefstal mogelijk te maken.

In cassatie klaagt de verdachte dat deze omstandigheid niet blijkt uit de bewijsmiddelen of het onderzoek ter terechtzitting. De procureur-generaal stelt vast dat het bewijs voor drogering ontbreekt en dat het hof ten onrechte deze omstandigheid als bewezen heeft aangenomen in de strafmotivering.

De Hoge Raad oordeelt dat de strafmotivering ontoereikend is omdat het hof ervan uitgaat dat het slachtoffer daadwerkelijk is gedrogeerd, terwijl uit het geding slechts volgt dat dit niet kan worden uitgesloten. Dit is van meer dan ondergeschikt belang voor de strafoplegging, die daardoor onbegrijpelijk is geworden.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde berechting en strafoplegging op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging wegens onvoldoende bewijs van drogering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/02360
Zitting8 juni 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 16 juli 2020 door het gerechtshof Den Haag voor twee in vereniging gepleegde diefstallen (dagvaarding I onder 3 en 4) en één eenvoudige diefstal (dagvaarding II onder 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als omschreven in het bestreden arrest. Ten slotte heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van twee eerder aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
In het middel wordt geklaagd dat het hof op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden is gekomen tot oplegging van de vrijheidsbenemende straf. In het bijzonder wordt geklaagd dat de door het hof ten bezware van de verdachte meegenomen omstandigheid dat hij het slachtoffer heeft gedrogeerd, niet blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, uit het verhandelde ter terechtzitting of uit andere factoren dan die uit de gedingstukken op het onderzoek ter terechtzitting blijken.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“Dagvaarding I:
3. hij op 15 februari 2018 te Leiden, tezamen en in vereniging met één ander (uit een woning) een kluis (met inhoud) en (auto)sleutels en een MacBook, die aan een ander toebehoorden, te weten aan [betrokkene 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4. hij op of omstreeks 15 februari 2018 te Leiden, tezamen en in vereniging met één ander, een auto (BMW), die aan een ander toebehoorde, te weten aan [betrokkene 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding II:
1. hij op 5 juli 2018 te Leiden een portemonnee, telefoon en een pakje sigaretten, die aan een ander toebehoorden, te weten aan [betrokkene 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”
2.3.
Deze bewezenverklaringen berusten op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest, naar de inhoud waarvan ik verwijs.
2.4.
De strafmotivering van het hof houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een aantal waardevolle goederen uit de woning van het slachtoffer. De verdachte is hierbij zeer berekenend en met een vooropgezet plan te werk gegaan, door na een avond stappen met het latere slachtoffer, met hem mee naar huis te gaan, het slachtoffer te drogeren, en aan te wenden dat hij bij het slachtoffer zou blijven slapen, maar in plaats daarvan vervolgens samen met een ander het huis van het slachtoffer leeg te roven en zijn auto mee te nemen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal in een bar door goederen weg te nemen uit de tas van het slachtoffer.
Diefstal is een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor veel hinder en schade zorgt. De verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van materieel gewin en heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander. De verdachte heeft zich bovendien niet bekommerd om de gevoelens van onveiligheid die de feiten bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Er is daarnaast een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer van de diefstal in zijn woning, hetgeen vaak langdurige angstgevoelens veroorzaakt.”
2.5.
De feitenrechter heeft bij de oplegging van een straf of een maatregel een grote vrijheid in de keuze van de sanctie en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en behoeft geen motivering. [1] De feiten en omstandigheden waarop de strafoplegging berust, hoeven niet gegrond te zijn op de bewijsmiddelen. [2] Wel moeten deze feiten en omstandigheden zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Dit betekent dat de rechter in beginsel alles wat op de terechtzitting aan de orde is geweest, inclusief hetgeen hij met instemming van partijen wordt geacht daar aan de orde te hebben gesteld, in aanmerking mag nemen. Wat betreft informatie uit het dossier moet zijn voldaan aan het voorschrift van art. 301 lid 4 Sv Pro, inhoudende dat ten bezware van de verdachte slechts acht mag worden geslagen op stukken die ter terechtzitting zijn voorgelezen of waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld. [3] In cassatie kan worden ingegrepen indien de grens dat de gegevens moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting niet in acht is genomen en tevens indien de strafoplegging (in het licht van de gegeven motivering dan wel het ontbreken daarvan) onbegrijpelijk is of verbazing wekt. [4] Afgezien van het voorgaande mag de feitenrechter bij de strafoplegging overigens ook rekening houden met andere met de persoon van de verdachte samenhangende factoren, zoals bijvoorbeeld zijn proceshouding en het morele verwijt. [5]
2.6.
Uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van aangifte blijkt dat de aangever [betrokkene 1] heeft verklaard:
“Ikvermoed(onderstreping door mij, plv-AG) dat mij iets is toegediend waardoor ik in slaap ben gevallen en ik delen van vannacht niet meer weet. Normaal heb ik hier geen last van als ik zoveel gedronken heb als hetgeen ik de afgelopen nacht heb gedronken. Ik ben ervan overtuigd dat het niet aan de alcohol ligt”.
2.7.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2020 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
- een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 juni 2020, betreffende de verdachte;
- de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing.”
2.8.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 15 januari 2019 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De benadeelde partij deelt, zakelijk weergegeven, mede:
De agenten
dachten(onderstreping door mij, plv-AG)dat ik gedrogeerd was. Ik had dorst als een paard, had kristallen op mijn tong en de bloedanalyse wees iets uit terwijl ik niets had ingenomen.”
2.9.
Het op de zitting in eerste aanleg van 15 januari 2019 uitgesproken requisitoir houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Aangever heeft echt de indruk dat er iets in zijn drankje is gedaan, of dat hij op een andere manier is gedrogeerd, maar dat kon niet worden aangetoond. Dat betekent wat mij betreft niet dat het niet is gebeurd, maar ik kan het niet bewijzen. GHB is iets wat relatief snel uit een lichaam verdwijnt en hier wordt alleen op getest als er sprake is van een acute vergiftiging, daarvan was in deze zaak geen sprake.”
2.10.
De overige stukken van het geding houden niet in dat de verdachte het slachtoffer heeft gedrogeerd.
2.11.
Uit het voorgaande volgt dat het in de strafmotivering van het hof besloten liggende oordeel dat de verdachte “zeer berekenend en met een vooropgezet plan te werk (is) gegaan, door […] het slachtoffer te drogeren” niet zonder meer begrijpelijk is. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd. [6] Uit hetgeen op de terechtzitting aan de orde is gesteld kan immers hoogstens worden afgeleid dat niet kan worden uitgesloten dat het slachtoffer is gedrogeerd. Het gerechtshof gaat er blijkens de door hem gekozen woorden vanuit dat het slachtoffer daadwerkelijk is gedrogeerd. Gelet op de door het hof gekozen formulering is deze omstandigheid in het geheel van de strafmotivering van meer dan ondergeschikt belang en is de strafmotivering in zoverre niet zonder meer begrijpelijk. [7] Hierbij heb ik ook betrokken dat het hof tot een zwaardere strafoplegging is gekomen dan door de advocaat-generaal was gevorderd en door de rechtbank was opgelegd. Terwijl het hof vrijspreekt van een feit dat door de rechtbank was bewezenverklaard legt het voor de drie bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf op van 12 maanden, terwijl de rechtbank voor diezelfde drie feiten plus een vierde feit (schuldheling van een auto; feit 2 subsidiair van dagvaarding I) een gevangenisstraf oplegt van 10 maanden.
2.12.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

3.1.
Het middel slaagt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG

Voetnoten

1.Vgl. A.J.A. van Dorst,
2.Vgl. G.J.M. Corstens,
3.Vgl. A.J.A. van Dorst,
4.Vgl. G.J.M. Corstens,
5.Vgl. A.J.A. van Dorst,
6.Vgl. HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:386, HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2585, HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2190 en HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2532.
7.Het tegenovergestelde was aan de hand in HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5402.