Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Amsterdamse dakopbouw [3] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna kortweg: de Afdeling) onderscheiden derde stap in de beoordeling van overheidstoezeggingen. In rechtsoverweging 4.5 formuleert het hof die derde stap als volgt:
Amsterdamse dakopbouwis terecht voorafgegaan door een conclusie van een staatsraad advocaat-generaal [7] met onder meer een bijlage [8] waarin het vertrouwensbeginsel en de toerekening aan rechtspersonen in het privaatrecht uitvoerig in kaart is gebracht (naast het vertrouwensbeginsel in respectievelijk het belastingrecht, het strafrecht en het EU-recht). Als vervolgens, zoals in de onderhavige zaak, de civiele rechter weer aan zet is, behoort deze op zijn beurt welwillend te letten op de rechtspraak van de bestuursrechters en dus ook op de nieuwe rechtspraak van de Afdeling. Bestuursrechters en burgerlijke rechter dragen nu eenmaal een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van één rechtsorde. Mijns inziens past wat het hof in de onderhavige zaak heeft gedaan, bij deze taakopvatting zeer goed.
Woningbouwproject Bronckhorst [11] dat niet snel mag worden aangenomen dat omstandigheden zo zwaarwegend zijn dat deze een gewijzigd beleidsinzicht rechtvaardigen. De crux van dat arrest dunkt mij anders, namelijk dat de onvoorziene omstandigheden waarop de overheid zich beriep (bevolkingskrimp en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot bijstelling van het regionale woningbouwprogramma), ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geen toekomstige omstandigheden meer waren, maar ten volle voor het bestuur kenbaar.
Amsterdamse dakopbouw:
opnieuwaan te kondigen dat de toezegging niet gestand zal worden gedaan, opdat – voor het geval de rechter de oorspronkelijke aankondiging niet toelaatbaar oordeelt – bij de beoordeling van de nieuwe aankondiging de bedoelde omstandigheden wél zullen kunnen worden meegenomen, en dat standpunt veronderstelt dat een overheid die zo’n nieuwe aankondiging niet doet, daarop wordt afgerekend. Dat spreekt niet aan. In plaats daarvan dienen mijns inziens ter toets te worden gebracht de rechtsverhouding tussen partijen en de voor die verhouding relevante feiten en omstandigheden
zoals die zich ten tijde van zijn beslissing aan de rechter voordoen.Zo krijgen de actuele belangen, zoals zij thans zijn, het volle pond, zowel het actuele belang van de fidens, als die van eventuele derden, alsook het actuele algemeen belang. Dat ‘posterieure’ feiten meewegen is volgens de rechtspraak van uw Raad ook in ander verband het gewone geval, [17] onder meer bij de uitleg van rechtshandelingen, [18] bij schijn van volmacht [19] en bij de beoordeling van een ontbindingsverklaring. [20] Kortom, de hiervoor 3.19 onder 1 bedoelde veronderstelling dunkt mij niet juist.
isverhoogd en daardoor
heeft[eiser] minder vaak last van hoog water). De door de steller van het middel gebezigde kwalificaties van het gedrag van de Staat (‘eigenmachtig en eenzijdig’ [21] ; ‘het stellen van [eiser] voor een
fait accompli’ [22] ) brengen mij niet op andere gedachten.
op zichzelfniet kunnen rechtvaardigen dat de overheid van een gedane toezegging terugkomt, maar dat is niet de kwestie. Waar het om gaat is dat de rechter de belangen moet kunnen afwegen zoals zij ten tijde van zijn beslissing daadwerkelijk zijn. Ik meen dus dat ook de hiervoor 3.19 onder 3 bedoelde veronderstelling niet juist is.
onder 2.7hangt samen met klachten van het derde onderdeel, en zal ik daar bespreken.
onder 3.3ook nog eens in de gedaante van motiveringsklachten gepresenteerd.
onder 2.7. Volgens die klacht kan de omstandigheid dat de Staat zich herhaaldelijk bereid heeft verklaard de omrijschade van [eiser] te vergoeden, geen rechtvaardiging zijn voor de niet-nakoming van de toezegging, omdat in het kader van de onteigening méér dan alleen de omrijschade zou zijn vergoed (naar ik begrijp: ook de waardevermindering van het overblijvende).
naar het peilmomentde schadeloosstelling juist wel volledig is. Nee, achter die ogenschijnlijk formele regel ligt mijns inziens een materieel beginsel van onteigeningsrecht. Onteigening is een voorziening voor het geval dat minnelijke verwerving van een onroerende zaak die voor het algemeen belang benodigd is, niet mogelijk blijkt. Welnu in geval van een koop in het vrije commerciële verkeer stellen de verkoper en koper de koopprijs vast op basis van wat voor hen op dat moment is te voorzien. Als de omstandigheden zich vervolgens anders ontwikkelen, is dat voor de verkoper een tegen- of meevaller (voor de koper trouwens ook), zonder dat dit tot nadere aanspraken leidt. Althans een zodanige aanspraak volgt niet uit het onteigeningsrecht. Zij kan wel uit anderen hoofde bestaan. Vergelijk wat ik hierna opmerk over de aanspraak van de fidens naar aanleiding van de niet-nakoming van een toezegging.
zomaarkan onttrekken. Reden om een toezegging waarmee bij de vaststelling van onteigeningsschade rekening is gehouden, in beton te gieten, zie ik niet. Mijns inziens volstaat dat (1) de rechter bij de afweging van belangen in wat volgens de rechtspraak van de Afdeling de derde stap van de beoordeling is, óók meeweegt dat de toezegging in het onteigeningsgeding een rol heeft gespeeld en (2) dat de niet-nakoming van een toezegging in het algemeen tot een aanspraak van de fidens tot vergoeding van zijn schade leidt.
meer dan minimaalverschil tussen de toegezegde en de actuele situatie het oordeel mijns inziens niet gemakkelijk in dezelfde zin zou hebben kunnen luiden. Uiteraard is het niet vanzelfsprekend dat een bestuur dat in het kader van een onteigening toezeggingen heeft gedaan, daarna ongestraft de bakens kan verzetten. Onmogelijk is het echter niet en de door het hof gemaakte afweging lijkt mij in de gegeven omstandigheden alleszins verdedigbaar. [23]
nakomingvan de toezegging is gevorderd. De vraag of de Staat kan volstaan met vergoeding van omrijschade, dan wel er ook sprake is van een te vergoeden waardevermindering van zijn woning, is in dit geding dus niet aan de orde. Het is te hopen dat partijen, nadat de strijd over de vraag of de toegezegde brug er dient te komen, zal zijn beëindigd, in een minnelijk traject het over de door de Staat verschuldigde schadevergoeding eens zullen kunnen worden.
de gehele schade van [eiser]dient te vergoeden en niet alleen de omrijschade waarvoor de Staat een vergoeding heeft aangeboden. Het hof zou dit met rechtsoverweging 4.9 hebben miskend.
onderdeel 5uitsluitend voortbouwklachten.