Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
rov. 3.4, waarin het hof het volgende heeft overwogen:
“[d]atzelfde geldt voor de, overigens door Evean betwiste, stelling van [eiser] dat hij ook een keer met [betrokkene 3] en [betrokkene 2] heeft gesproken en dat het voor hem duidelijk was dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op de achtergrond [betrokkene 1] nader instrueerden” (…) en dat
“[z]onder nadere omstandigheden, die gesteld zijn noch gebleken, […] [betrokkene 3] noch [betrokkene 2] dus op hun beurt bij [eiser] de gerechtvaardigde schijn [konden] wekken dat [betrokkene 1] wel vertegenwoordigingsbevoegd zou zijn” onvoldoende zijn gemotiveerd.
eerste en tweede gedachtestreepjevan het onderdeel (zie hiervoor, 4.3) wordt geklaagd dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is omdat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel niet kan worden afgeleid dat alleen de bestuurders met uitsluiting van anderen vertegenwoordigingsbevoegd zijn nu in de statuten daarvan kan worden afgeweken. Ik stel vast dat deze stellingen door [eiser] in feitelijke instanties niet zijn ingenomen; het middel noemt ook geen vindplaatsen. Reeds daarom kan het hof niet worden verweten een onvoldoende begrijpelijk oordeel te hebben gegeven door niet in zijn overweging te betrekken dat statutair de vertegenwoordigingsbevoegdheid van anderen dan bestuurders kan worden geregeld.
derde gedachtestreepjekan ook niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft weliswaar in rov. 4.8 ten aanzien van de subsidiaire vordering overwogen dat
“[o]m aan te kunnen nemen dat [eiser] daadwerkelijk onderhandelingen heeft gevoerd met bestuurders van Evean ( [betrokkene 3] en [betrokkene 2] ) […] door [eiser] onvoldoende [is] gesteld en daarvan […] evenmin [is] gebleken.” Nog daargelaten dat het (tussen haakjes) aanduiden van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] als bestuurders van Evean op een vergissing lijkt te berusten, [5] behoefde Evean daartegen geen (incidenteel) hoger beroep in te stellen en behoefde het hof dit niet als vaststaand feit aan te nemen. Het dictum van de uitspraak van de rechtbank geeft Evean immers geen aanleiding om tegen de betreffende overweging in rov. 4.8 een grief te richten. [6] Het gaat hier ook niet om een verweer of stelling van Evean die door de rechtbank is verworpen. [7]
vierde gedachtestreepjebetoogt, heeft Evean duidelijk het standpunt ingenomen dat alleen haar bestuurders vertegenwoordigingsbevoegd zijn en dat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] dat niet waren. [8] Evean heeft duidelijk aangevoerd dat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] geen van drieën vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders waren. De klacht faalt.
rov. 3.5dat [eiser] ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat uit het gedrag van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] afgeleid kon worden dat [betrokkene 1] vertegenwoordigingsbevoegd zou zijn. In rov. 3.5 heeft het hof het volgende overwogen:
onder (a), (b) en (d)genoemde omstandigheden niet is ingegaan en dat hetgeen het hof in rov. 3.5 ten aanzien van het
onder (c)gestelde heeft overwogen onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd is. Daartoe wijst het onderdeel erop (i) dat de tweede bespreking met [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op het kantoor van Evean plaatsvond, (ii) dat beiden [betrokkene 1] zichtbaar hebben bijgestaan en het duidelijk was dat [betrokkene 1] rugdekking had van de directie, (iii) dat er twee gelegenheden zijn geweest waarbij [betrokkene 3] en [betrokkene 2] aanwezig waren om met [eiser] te onderhandelen, waarvan de tweede op 6 februari 2014. Niet valt in te zien dat de ontmoetingen met [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij [eiser] niet het vertrouwen konden wekken dat [betrokkene 1] vertegenwoordigingsbevoegd was.
onder (a), (b) en (d)genoemde omstandigheden, aangezien het hof zich onder meer heeft aangesloten bij de overweging van de rechtbank in rov. 4.5 dat de omstandigheden die zien op de onderhandelingen met [betrokkene 1] , het verzoek van [betrokkene 1] om het bod te verhogen en het voorleggen aan [eiser] van een voorlopige koopovereenkomst uitsluitend verklaringen en gedragingen betreffen van [betrokkene 1] zelf en dat verklaringen en gedragingen van de onbevoegd handelend persoon geen grond kunnen opleveren om aan te nemen dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt.
onder (c)gestelde is, anders dan het middel betoogt, niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Ook uit de door het middel aangevoerde omstandigheden valt niet op te maken wat toen door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] is gezegd en op grond van welke uitlatingen [eiser] de conclusie heeft kunnen trekken dat [betrokkene 1] voor een verkooptransactie bevoegd was. Evenmin komt duidelijk naar voren waar de bijstand en rugdekking van de directie uit zou blijken. Dit valt niet af te leiden uit de door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat er ontmoetingen hebben plaatsgevonden waarbij [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] aanwezig waren. Het was aan [eiser] om meer duidelijkheid te scheppen over de inhoud van de gesprekken.
rov. 3.7dat het bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat hetgeen te bewijzen is aangeboden niet relevant is voor de te nemen beslissing. Het middel voert aan dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is gelet op de overwegingen van het hof in rov. 3.5, nu [eiser] in eerste aanleg bewijs heeft aangeboden - en dit in hoger beroep heeft gehandhaafd - van het feit dat de directie op de hoogte was van de onderhandelingen en van de concept-koopovereenkomst.
rov. 3.6dat het [eiser] is geweest die zich vervolgens uit de onderhandelingen heeft teruggetrokken door daaruit boos weg te lopen. Het middel voert aan dat dit oordeel zonder nadere toelichting onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is nu [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat hij boos is weggelopen. Evean zou zich hebben terug getrokken.
Wij gingen slecht uit elkaar. We waren boos. Het project was van de baan.” [11]