Conclusie
I Inleiding
II Bewezenverklaring en bewijsvoering
12. De verklaring van [verdachte] d.d. op 4 juni 2014 op het politiebureau te München en vertaald uit de Duitse taal, dossierpagina’s 2212-2225, voor zover inhoudende:
[medeverdachte 2] heeft tegen [betrokkene 3] gezegd dat [betrokkene 3] het vandaag moest afmaken.
Iedereen heeft [betrokkene 3] gefeliciteerd. [medeverdachte 2] is met twee zakken gekomen. In die zakken zat kilo’s amfetamine en tienduizenden euro’s aan geld.
13. De verklaring van [verdachte] d.d. 4 juni 2014 op het politiebureau te München (welk verhoor is vertaald uit de Duitse taal), dossierpagina’s 2046- 2089, voor zover inhoudende:
A: (...) Ik heb een klein pistool en een geluidsdemper gezien.
A: Het was een pistool. Het was metaalkleurig, niet zwart. Het pistool had een lichte kleur.
A: Even groot als uw wapen.
A: Zover ik er iets vanaf weet, ja.
A: Deze was groter dan het pistool. Die was ook lichtkleurig en van metaal.
A: Ze hebben het pistool meerdere keren met de geluidsdemper verbonden en vastgeschroefd en weer losgeschroefd. [medeverdachte 3] en [betrokkene 3] hebben dat gedaan. [medeverdachte 3] heeft [betrokkene 3] ook gevraagd of het wapen goed was.
A: [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] en ik.
V: Wie heeft het wapen weggegooid?
A: Nee, alleen het pistool. De geluidsdemper heeft [betrokkene 3] weggegooid bij een korte stop op een kleine inham op de autosnelweg die je van Essen naar Antwerpen neemt. Hij heeft de geluidsdemper over een daar staande vier tot vijf meter hoge betonmuur gegooid.
A: Dat was ongeveer drie tot vier dagen voor de moord in [plaats] .
A: We zijn met zijn drieën, dus [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en ik, met mijn Renault Scénic vanuit München naar [medeverdachte 3] te [plaats] gereden.
(...) [medeverdachte 3] ging naar zijn auto. Hij haalde het navigatiesysteem uit zijn auto. Toen hij weer terugkwam, heeft hij het navigatiesysteem en een briefje aan [betrokkene 3] gegeven. Op dat briefje stond het adres waar de moord heeft plaatsgevonden.
A: Nee alleen de straat, misschien ook de stad. En het huisnummer. Ik weet nog dat er bij dat adres een paardenstal was.
het hof: in combinatie met bewijsmiddelen 17 en 18 stelt het hof vast dat bijlage 3 op dossierpagina 2112 is weergegeven.).
A: Ik heb een rechthoek met meerdere streepjes getekend. Dat moet de paardenstal voorstellen. Toen heb ik nog eens een rechthoek ingetekend met PI en nog een kleinere met P2, dat zijn beide parkeerplaatsen.
A: Toen het navigatiesysteem ons naar de paardenstal gebracht had, zei [betrokkene 3] : ‘We rijden nog een rondje.’ Bij dat rondje heeft [betrokkene 3] gewezen en gezegd dat de man daar woont.
A: We hebben dat rondje gereden en zijn naar de parkeerplaats gereden.
A: Ik ben in de richting van de ringweg gegaan en heb een rondje gemaakt.
A: Een zilverkleurige Renault Scénic, bouwjaar 1999.
De volgende dag tegen zes uur ben ik weer naar deze parkeerplaats teruggegaan waar ik de vorige dag ook al stond. [betrokkene 3] is er nog een keer heen gelopen.
A: Om 19.00, 20.00 of 21.00 uur.
A: Ik heb gezien dat een Lexus voorbij reed. (...) [betrokkene 3] kwam naar mij toe gelopen.
A: Die zat nog op het pistool.
A: Spijkerbroek, ik geloof donkerblauw. Een jack met capuchon. Hij droeg ook een muts en handschoenen.
A: We kwamen bij de auto aan. Ik heb de auto opengemaakt. (...) Ik heb het pistool gezien en hij heeft gezegd dat hij de man verwond had. Toen hebben we ook nog gerend. [betrokkene 3] heeft het navigatieapparaat uit de houder getrokken. Hij heeft gezegd dat ik naar Essen moest rijden en hij heeft me toen ook gezegd hoe ik moest rijden. Vanaf de parkeerplaats ben ik naar links gereden, dus weg van de ringweg. Toen zijn we eerst naar rechts afgebogen.
A: Hij heeft uit zijn broekzak een briefje met adressen in Essen gehaald, een ervan was het station in Essen. Daar ben ik gestopt en is hij uitgestapt. Op het station in Essen heb ik gezien dat hij naar een container liep en daar iets in gegooid heeft.
A: We zijn toen in de richting van Antwerpen gereden. Op deze weg, waar ik voorheen reeds over verteld heb, heeft hij de geluidsdemper en het jack over de muur gegooid. Toen we in Antwerpen warén, reden we naar de haven. Daar heeft hij toen op de grote parkeerplaats daar het pistool in het water gegooid. Dat was aan het einde van de parkeerplaats, waar campingwagens en kleinere vrachtwagens stonden. Ik teken het voor u (bijlage 7). Ik heb het haventerrein getekend, de zee, een schip dat daar lag, de parkeerplaats. Ik heb meerdere kleine vierkantjes getekend, dat zijn betonpaaltjes van ongeveer 30 centimeter hoog. Mijn auto heb ik met een rechthoek ingetekend. Ik heb in de zee een rechthoek getekend en daarin een kruis. Ongeveer op die plaats heeft [betrokkene 3] het pistool erin gegooid. Tussen de betonpaaltjes en de zee is er een weg, waarop men kan lopen. Van daaruit heeft hij het pistool in het water gegooid. [betrokkene 3] heeft ter hoogte van de auto het pistool erin gegooid.
A: Daar hebben we gewacht. Toen kwamen [medeverdachte 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en later ook [medeverdachte 2] . [betrokkene 3] werd door iedereen die daar was gefeliciteerd.
A: We waren urenlang in dat café. Toen kwam [medeverdachte 2] met twee zakken.
A: Nadat we enige tijd in het café waren, nog voordat dat (
het hof begrijpt: de overdracht) met de drugs plaatsvond, zei [betrokkene 3] tegen de anderen dat hij het afgewerkt had. Daarop feliciteerden de anderen hem met de slag van de hand. In het café heeft [betrokkene 3] gezegd dat hij de man had gedood.
A: Ja: ‘De hond was twee dagen niet thuis. Ik moest op hem wachten terwijl ik in de wei lag.’ (...) [betrokkene 1] heeft hem gevraagd hoe [betrokkene 3] het gedaan heeft en [betrokkene 3] zei dat hij van achteren naar hem toegegaan is en hem toen in zijn hoofd geschoten heeft. Ik geloof dat [betrokkene 3] zelfs gezegd heeft dat de man op dat moment iets uit de kofferruimte gehaald heeft.
A: Toen we in dat café waren, is mijn auto door de politie weggesleept. Ik had deze op een groenstrook geparkeerd.
A: Ik denk dat de auto nog op die bewaarplaats staat in Antwerpen.
A: Nee, omdat ik toen met [betrokkene 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in zijn Passat naar de bewaarplaats ben gereden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben mij en [betrokkene 3] opgedragen om naar de auto te gaan en het navigatiesysteem te halen. Ik moest mijn spullen halen. [betrokkene 3] hebben ze nog een doek gegeven. [medeverdachte 2] heeft hem toen een kleine plastic fles gegeven die naar alcohol rook. [medeverdachte 2] heeft tegen [betrokkene 3] gezegd dat hij met de doek en het middel het stuur, dashboard en de deurgrepen zuiver moest maken. [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] heeft ook nog gezegd dat [betrokkene 3] de vloermatjes mee moest nemen. We zijn toen naar binnen gegaan en hebben tegen de mensen van de bewaking gezegd dat ik nog iets uit mijn auto wilde halen en dat werd ons toegestaan.
A: Het was in februari en ’s-avonds tussen 20.00 uur en 23.00 uur.
het hof: dossierpagina 2041)?
A: Ja, dat is de compositietekening die in de video getoond werd.
A: De kleur van de auto’s was vals. Er werd een gezinsauto gezocht, maar ze hebben een Ford laten zien, een donkere Ford. Mijn auto was echter een Renault Scénic zilverkleurig.
A: Dat was me duidelijk. Heel duidelijk was me ook dat getuigen daar iets verwisseld moesten hebben. [medeverdachte 3] heeft me de hele video vertaald en daarom weet ik dat deze Ford in verbinding met de compositietekening werd gezocht. Bovendien werd in de video verteld dat de getuigen niet zeker waren of het kenteken met [AA] of [AB] begon. Ik had op mijn Renault Scénic het kenteken [AA] .
A: Ik had altijd alleen de Renault Scénic van mijn vriend in Kroatië met het [AA] -kenteken.
V: Wat voor kleding droeg u?
A: Een lange zwarte wintermantel, daaronder een zwart hemd, zwarte stoffen broek en witte Puma sportschoenen.
A: Dit zijn schetsen van de locaties. Nummer 1: Dit gaat over de situatie toen de moord al gepleegd was. Van sommige voorwerpen weet ik waar ze zijn. Het zijn voorwerpen die bij de moord gebruikt zijn. Dit is een rustplaats bij de weg. Dat is misschien 500 meter van de grens met België. Het is een grote rustplaats. Er stond een vrachtauto. Ik moest daar stoppen van [betrokkene 3] .
A: Ik begin in de ochtend. We waren in het huis van [medeverdachte 3] in [plaats] . Ik heb de exacte positie van het huis al aan de politie laten zien op Google Maps. In het huis waren [medeverdachte 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] .
(dossierpagina 2093)De rest van de jongens ging weg. De enigen die in het huis bleven, waren [betrokkene 3] en ik. Nog vlak daarvoor ging [medeverdachte 3] naar zijn auto en haalde daar zijn navigatie uit. Dat gaf hij aan [betrokkene 3] . Samen met nog een stukje papier.
A: Hij had een donkerblauwe Passat, ik geloof een model tussen 1998 en 2003 met Nederlandse kentekenplaten. Ik zag duidelijk gele platen.
A: Het was het adres van de manege waar de auto later geparkeerd stond. Ik zag het adres toen [betrokkene 3] het adres in de navigatie aan het typen was. Het was een geel post-it briefje. We zijn nog een paar uurtjes in het huis gebleven en daarna heb ik hem nog rondgereden naar een aantal locaties.
A: Het nummer dat [betrokkene 3] gebruikte, ken ik en het moet mogelijk zijn om te achterhalen of dat nummer daar gebruikt is. Het nummer staat in mijn telefoon en die is hier in beslag genomen. Het nummer staat in mijn telefoon onder de naam [betrokkene 3] , dat betekent Kale.
A: Naar de manege. Dat was ongeveer 50 kilometer rijden, ongeveer drie kwartier. Er waren twee aparte parkeerplaatsen. Een grotere in de buurt van een café. Eenmaal daar aangekomen zei [betrokkene 3] dat ik niet moest stoppen. We doen nog even een kort rondje, zei hij. (Verbalisant: Verdachte maakt een schets en tekent een rondje. Aan hem wordt ook bijlage 3 getoond) Dat is exact de tekening. Een van de vijf huizen wees [betrokkene 3] aan. Hij wees naar de woningen aan mijn rechterkant. Ik was linksaf het rondje in gereden. Hij zei dat het de woning was van de betreffende persoon. Daarna ben ik naar parkeerplaats P2 gereden. Ik parkeerde de auto met de voorkant in de richting van het rondje dat wij daarvoor hadden gereden.
A: (...) Ik had een klein tasje met documenten. Ik droeg dat tasje over mijn schouder, schuin over mijn lichaam. Het is van lichtbruin leer. Ongeveer het formaat A5. De tas is door de politie hier in beslag genomen.
A: [betrokkene 3] heeft die foto gemaakt. Ik heb volgens mij vier of vijf foto’s. Daar sta ik op zoals ik gekleed was op vrijdag en zaterdag van de moord. Die foto’s heeft [betrokkene 3] in Renesse gemaakt.
A: Die tas had ik altijd bij me als ik uit de auto ga.
A: 1.78 meter.
A: Hij is behoorlijk langer. Misschien wel 25 centimeter langer. Ik denk dat ik tot aan zijn schouders kom.
A: Ik zag alleen die ene tekening die op mij sloeg. Ik herkende mijzelf daarin.
A: (...) Op de dag van de moord was ik met hem samen.
A: [betrokkene 3] zei dat we niet terug konden gaan omdat de klus niet geklaard was. [betrokkene 3] had gezegd dat hij het vandaag zou regelen en dat was niet gelukt. En [betrokkene 3] wist dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hierover pissig zouden zijn. Dit was de reden dat [betrokkene 3] zei dat we in de bosjes zouden slapen. Daarop hebben we in de auto geslapen, iets verder in de bosjes. Ik had het behoorlijk koud.
O: De verdachte wijst twee straten aan op de plattegrond. Staartseduinen en Heidebaan.
A: Een van deze straten was het. Ik denk de Heidebaan.
A: Ik heb daags na de moord geld gekregen. Dat was in Antwerpen.
A: Het geld kwam van [medeverdachte 2] . In het café in Antwerpen voerde [medeverdachte 3] een telefoongesprek in de Albanese taal of in het Nederlands. Er waren drie belangrijke gesprekken. [medeverdachte 3] voerde het gesprek in een vreemde taal. In het tweede belangrijke gesprek richtte [medeverdachte 3] zich weer tot [betrokkene 3] . Ik hoorde dat [medeverdachte 3] zei dat de man dood was en dat de klus geklaard was. Iedereen begon [betrokkene 3] te feliciteren. Men was opgelucht en blij dat het gelukt was. [medeverdachte 3] zei dat [betrokkene 3] niet slim was maar wel betrouwbaar. Als je hem een klus opdraagt voert hij die ook uit.
A: Dat is de jongste broer van [betrokkene 1] , [betrokkene 4] .
A: In München toen hij samen met [betrokkene 1] hier naartoe kwam.
A: In Zenica toen ik bij [betrokkene 4] op bezoek was.
A: Ik herken [betrokkene 3] van die foto. Dit was de kleding die hij vrijdag aan had in Renesse. Op zaterdag had hij compleet andere kleren aan. Hij had toen een donkere spijkerbroek aan en een zwarte jas.
A: Bosnisch en zwak Engels.
A: Hij verblijft bij [medeverdachte 3] in zijn woning. Hij was daar altijd als ik daar op bezoek was. Ik weet dat hij bij [medeverdachte 3] is ingetrokken.
A: Lengte 1.80 tot 1.90 meter denk ik. Hij heeft min of meer een normale bouw, met een bierbuikje, hij is niet echt te dik, maar hij heeft wel wat kilo’s teveel. Hij heeft kort haar en een beetje grijs.
A: Dit was vanuit een gesprek tussen [medeverdachte 2] (...) en [medeverdachte 3] . Twee klanten kwamen bij [medeverdachte 2] drugs kopen. Deze deal ging verkeerd. En de klanten begonnen toen te schieten. Deze deal was bij [medeverdachte 2] thuis. Ze hadden in het gesprek erover wat voor risico’s dit met zich bracht voor zijn kinderen.
A: Bosnisch, Kroatisch, Servisch, Albanees, Duits en Nederlands. Hij sprak met [medeverdachte 3] Albanees op de momenten dat hij iets discreets moest zeggen.
A: Audi A4 station model. Gele kentekenplaten, ik geloof dat ze Nederlands waren.
A: [betrokkene 3] staat geregistreerd onder zijn bijnaam [betrokkene 3] . [betrokkene 2] en [betrokkene 1] staan onder hun eigen namen opgeslagen. Het is mogelijk dat [betrokkene 2] onder de naam [betrokkene 2] staat opgeslagen.
V: Is de getoonde jas de jas die je aan had op de dag voor de moord en de dag van de moord?
A: Ja.
A: Ja.
A: Ja.
A: Ja.
A: [betrokkene 3] had vanaf het moment dat ik hem naar mij toe zag rennen, nadat de moord gepleegd was tot het moment van de stop, handschoenen aan.
A: [betrokkene 2] had een geldbedrag van duizenden euro’s en amfetamine, dat was zijn beloning voor de succesvolle klus. [betrokkene 3] heeft dit gekregen van [medeverdachte 2] . Ik weet dat [medeverdachte 2] drugs en geld aan [betrokkene 3] gaf. [medeverdachte 2] gaf [betrokkene 3] een geldbedrag van tienduizenden euro’s en kilo’s amfetamine. [betrokkene 1] kreeg een geldbedrag van enkele duizenden euro’s en amfetamine. Ik kreeg geld. Er was op dat moment nog amfetamine in de auto van [medeverdachte 2] . Dit was de Audi A4 die ik eerder bij [medeverdachte 2] heb beschreven.
het hof: dossierpagina 2145).
V: Is dit het café?
A: Ja.
A: Dit is [betrokkene 3] . D in Renesse, C in Antwerpen, vlak voor de dierentuin bij het beeld van de dinosaurus.
het hof: dossierpagina 2148)?
A: [betrokkene 1] . Deze foto is gemaakt kort nadat ze vanuit Bosnië naar München zijn gekomen.
het hof: dossierpagina 2149)?
A: [betrokkene 1] , is een foto gemaakt in München.
het hof: dossierpagina 2150)?
A: Dit is [betrokkene 3] in Renesse. Hij schrijft in het zand het woord ‘Celo’.
het hof: dossierpagina 2152)?
A: Dat ben ik. Ik draag de kleding die ik droeg op de dag van de moord. En niet alleen de dag van de moord, maar die drie dagen.
dossierpagina 2448).
A: Er waren meerdere ingangen bij het parkeerterrein. Ik weet dat er aan de ene kant veel auto’s en mensen waren en dat wij naar de andere kant van het parkeerterrein gingen. Daar was het rustiger en waren slechts wat kleine vrachtwagentjes en oude campers. [betrokkene 3] stapte daar uit. Ik had geparkeerd in de eerste rij, vlak bij het water. Er was daar een klein muurtje of het waren bloembakken. Daar heeft [betrokkene 3] het wapen weggegooid. Ik kon het goed zien omdat er een straatlantaarn was. De reden dat ik een schip heb getekend is omdat er veel activiteit aan boord was. Het lukte niet om weg te gaan omdat de motor niet meer goed was. We konden de auto niet meer starten volgens mij. [betrokkene 3] ging in de auto slapen. In de ochtend zijn we naar het café in Antwerpen gegaan.
A: Ja. Eenmaal daar aangekomen heb ik geparkeerd op het gras. Daarom werd mijn auto door de politie weggesleept. Die plek was 200 meter van het café.
A: Ja.
A: Ik ging steeds maar één dezelfde weg wandelen. Het is een circulair pad. Ik ging een paar keer de ronde lopen.
A: Ik denk dat ik een cirkel samen met [betrokkene 3] heb gelopen. De straat loopt in een cirkel. Ik weet niet zeker of dit de eerste of tweede dag was.
A: De straat loopt in een cirkel. Daar hebben we gelopen.
A: De straat is daar best smal. We zijn langs alle woningen gelopen.
A: Aangezien die woning in die straat ligt, ja.
A: Ik heb op de eerste dag samen met [betrokkene 3] met de auto een rondje door de straat gereden. Toen heeft [betrokkene 3] gezegd: ‘Hier woont die man’.
A: Ja, hij wilde niet naar huis voordat de klus geklaard was. [medeverdachte 2] heeft meerdere keren tegen [betrokkene 3] gezegd: “Maak het vandaag af, maak het vandaag af.” Het commentaar van [betrokkene 3] was: als we teruggaan zonder dat de klus geklaard is, zouden we problemen en gezeik krijgen.
A: De man moest eraan wegens een mislukte drugsdeal. Dan bedoel ik dat er iets niet is betaald of iemand is opgelicht. Een probleem over een betaling of een levering of iets dergelijks.
A: Ik geloof dat ik in 90% van alle gevallen het nummer [telefoonnummer 5] heb gebruikt.
A: Het klopt dat ik op een zondag in [A] ben gekomen.
A: [A] op Roosevelt.
A: Hij was in dat café.
V: (...)
A: We keken waar de auto was. Want de auto stond geparkeerd, niet ver van het café [A] . Maar het bleek dat de auto door de sleepdienst was weggehaald wegens fout parkeren.
A: (...) Ik heb deze man gezien.
(dossierpagina 2741)O: Wij tonen de verdachte een foto van [betrokkene 2] .
A: Hij kwam samen met de persoon op de vorige foto.
A: Waarschijnlijk een dag of twee à drie dagen.
A: [verdachte] .
het hof begrijpt dat met ‘vrienden ’ wordt bedoeld: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [verdachte] )?(dossierpagina 2742)A: Beneden had ik een tweezitsbank, een driezitsbank en een fauteuil.
A: Ik heb ook een thuisnummer.
A: Ik geloof dat dit mijn thuisnummer is.
A: Er zin veel mensen aan wie ik mijn navigatiesysteem heb uitgeleend.
A: [betrokkene 3] heeft mijn navigatie gebruikt. De rest kan ik mij niet herinneren.
A: Hij had hem ergens geparkeerd. Later bleek dat hij was weggesleept. Die twee hebben geholpen dat de auto teruggevonden werd, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] is volgens mij per toeval met [medeverdachte 2] meegegaan.
Opmerking griffier: de verdachte [betrokkene 3] heeft in zijn eigen strafzaak het volgende verklaard:
[…]
De advocaat-generaal vraagt of ik op enig moment een briefje heb gezien met het adres in [plaats] . Dat adres had ik bij me. [medeverdachte 3] had dat voor mij opgeschreven. Dat was op een stuk papier. Ik heb het ingevoerd in de navigatie.
A: Ze hebben aangekondigd dat ze een job uit te voeren hadden. Ik heb zelfs het wapen in de woning gezien.
V: Kunt u dat wapen nader omschrijven?
A: Het was geen grootkaliber wapen, er was een geluidsdemper op aangebracht. Het zag eruit als zilverkleurig of vernikkeld.
O: [betrokkene 2] wordt een A4 blad overhandigd en wordt verzocht de grootte van het wapen met inbegrip van de geluidsdemper te tekenen. [betrokkene 2] vertelt intensief over de grootte van het wapen en tekent dit op het papier. Hem wordt verzocht zijn handtekening op de tekening te zetten. De geluidsdemper was ook zilverkleurig of zwart.
A: [betrokkene 3] .
A: In de woning bij [medeverdachte 3] .
A: Hier staat een sofa. Hier staat een grote tv. Ik heb hier gezeten en hij heeft van hier het pistool en de geluidsdemper er onderuit gehaald. Die lag daaronder. Hier zat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] was hier en [verdachte] zat hier. Later kwam toen [medeverdachte 3] erbij.
A: Ik, [betrokkene 1] , [verdachte] en [betrokkene 3] en [medeverdachte 3] .
A: [verdachte] en [betrokkene 3] zijn weggegaan. Zij reden met de eerder genoemde Scénic. [medeverdachte 3] bleef bij ons in de woning.
A: We zijn in de woning achtergebleven. [medeverdachte 3] heeft met iemand getelefoneerd. Ze waren de hele nacht deze dag, toen de hele daarop volgende dag weg.
A: Op de dag dat [verdachte] en [betrokkene 3] weg waren, reden wij ( [medeverdachte 3] , [betrokkene 1] en ik) naar een café in Antwerpen. We reden met de auto van [medeverdachte 3] . We bleven ongeveer anderhalf uur in het café. [medeverdachte 3] verliet in die tijd het café.
A: [medeverdachte 3] wachtte op een Albanees. Hij is met zijn voertuig achter ons gaan staan. [medeverdachte 3] ging naar het voertuig van de Albanees, heeft deze flessen aangenomen en kwam naar ons terug.
A: [medeverdachte 3] , [verdachte] en [betrokkene 3] hebben daar al over gesproken. Ik heb gehoord dat deze plaats ongeveer 40 kilometer weg was.
A: Dat was op de volgende dag, toen ze teruggekeerd waren. [verdachte] en [betrokkene 3] hebben een nacht lang op iemand gewacht, die niet gekomen is. Toen reden ze van die plaats weg en hielden zich aan zee op. Ik heb bij de politie een foto gezien waarop ik [verdachte] herken (bijlage 4,
het hof: dossierpagina 3250).
V: [betrokkene 2] wordt nu een foto voorgelegd (bijlage 12,
het hof: dossierpagina 3256).
A: Ja, op de foto herken ik [betrokkene 3] .
A: Ja. Dat was onze laatste ontmoeting in het café in Antwerpen. Dat was na de moord. We reden met twee auto’s. [betrokkene 1] en ik reden in de auto van [medeverdachte 3] , die ons reed. [verdachte] en [betrokkene 3] ontmoetten we in het café in Antwerpen. Zij reden apart met de Renault Scénic.
A: [medeverdachte 3] verliet meerdere keren het café en wachtte klaarblijkelijk op iemand. Hij kwam toen met iemand terug. De persoon kwam naar ons toe, gaf ons de hand. Ik kan met zekerheid zeggen dat het om een Albanees ging. Zowel zijn uiterlijk als ook zijn accent wezen hier duidelijk op.
A: [medeverdachte 3] is met de Albanees naar buiten gegaan.
A: Ik denk dat [medeverdachte 3] in opdracht van de Albanees gehandeld heeft. Ik had de indruk dat [medeverdachte 3] de ‘overdragende’ of uitvoerende’ voor de Albanees was.
A: Ik zou hem wel herkennen, wanneer ik een foto van hem zou zien. Ik kan mij herinneren dat hij heel kort haar had, een groot hoofd en een hoog voorhoofd.
O: [betrokkene 2] wordt nu een foto voorgelegd (bijlage 7,
het hof: dit betreft een foto van [medeverdachte 2] , dossierpagina 3253).
A: Ja, dat is de persoon.
A: Ja, precies. Ik weet nog dat de Albanees getrouwd is en twee of drie kinderen heeft. Dit werd me door [medeverdachte 3] verteld.
A: Toen we in het café zaten zijn [medeverdachte 3] en de Albanees naar buiten gegaan. De meeste tijd was de Albanees buiten, [medeverdachte 3] kwam steeds weer binnen en ging weer naar buiten. Zoals ik begrepen heb, was de Albanees erachter gekomen, waar de auto naartoe gebracht werd of waar deze zich bevond.
A: [medeverdachte 3] wachtte op een telefoontje.
A: Ja, daartoe kwam het. Later heb ik de overhandiging gezien.
A: [medeverdachte 3] verliet het lokaal (het hof begrijpt: het café).
A: Na vijf minuten kwam [medeverdachte 3] terug. Hij zat met ons aan tafel, toen ging hij aan de telefoon, verliet het lokaal en kwam met een zwarte zak terug. [medeverdachte 3] haalde een stapeltje bankbiljetten uit de zak en gaf ze aan [verdachte] .
A: Zeker drie tot vier uur.
De auto van [verdachte] stond niet waar hij hem geparkeerd had. Er werd toen vastgesteld dat de auto waarschijnlijk was weggesleept, omdat hij verkeerd stond geparkeerd. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben toen ergens opgebeld om vast te stellen waar de auto was.
pagina 8 van het verhoor)
In het tweede café werd over geld en drugs gepraat. Ik was aanwezig bij de geldoverdracht. Ik heb een plastic zak gezien.
(
pagina 9 van het verhoor)
[medeverdachte 2] was erbij. Hij is weliswaar later die dag in het café verschenen. Toen het geld en de drugs werden aangeboden was [medeverdachte 2] aanwezig. [medeverdachte 3] vroeg [verdachte] of hij drugs of geld wilde en [verdachte] vroeg [betrokkene 1] of hij amfetamine of geld wilde hebben. Tien minuten later kwam [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] binnen en hij had die spullen bij zich. [medeverdachte 3] ging naar buiten, kwam terug, ging weer naar buiten en kwam met [medeverdachte 2] terug. [medeverdachte 3] had zijn telefoon aan en tien minuten later verscheen [medeverdachte 2] en had hij die spullen bij zich. [medeverdachte 3] ging naar buiten, kwam enkele minuten later terug, ging toen weer naar buiten en kwam met [medeverdachte 2] terug. [medeverdachte 2] was erbij toen het geld en de drugs werden uitgedeeld.”
1. 112-melding en bevindingen ter plaatseOp 22 februari 2014 om 21.06 uur kwam bij de ambulancedienst van de meldkamer een eerste melding binnen dat er aan de [b-straat] te [plaats] een persoon onwel was geworden. Naar aanleiding van bovenstaande melding gingen meerdere politie-eenheden ter plaatse. Op de oprit van [b-straat 1] werd - naar later is gebleken - [slachtoffer] aangetroffen. Hij lag op zijn rug, met zijn voeten in de richting van een zwarte personenauto, merk Lexus. Hij was gewond aan de rechterzijde van zijn hoofd en naast hem lag een grote plas bloed op de grond (bewijsmiddelen 1, 2 en 63). [slachtoffer] overleed op 23 februari 2014 te 04.30 uur in het Universitair Ziekenhuis te Antwerpen. Bij sectie op het slachtoffer werd een inschotverwonding rechts aan het behaarde hoofd gezien met een schotkanaal van rechts naar links door de hersenen. Er was een projectiel in de hersenen. Er was veel begeleidende bloeduitstorting in en naast het schotkanaal met een ernstige hersenkneuzing en hersenzwelling. Het overlijden werd volgens de patholoog zonder meer verklaard door functieverlies van de hersenen. Door de patholoog van het NFI werd vastgesteld dat [slachtoffer] was overleden als gevolg van een bij leven opgelopen schotverwonding door het hoofd (bewijsmiddel 3).
De reis naar Nederland wordt tot slot bevestigd door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Zij hebben verklaard dat ze (eind februari) samen met [verdachte] naar de woning van [medeverdachte 3] zijn gereden en daar ongeveer twee dagen hebben verbleven (bewijsmiddelen 54 en 57).
Uit triploggegevens, verkregen uit voornoemd navigatiesysteem, volgt voorts dat de auto waarin het navigatiesysteem zich bevond op 23 februari 2014 van 00.16 uur tot en met 01.18 uur op de Sint Michielskaai te Antwerpen reed (alwaar een grote parkeerplaats ligt, blijkens openbare bron Google Maps) (bewijsmiddel 63).
Ook [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij die ochtend naar een café is gegaan, dat hij [medeverdachte 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] daar trof en dat [medeverdachte 2] later op de dag kwam (bewijsmiddel 53).
[betrokkene 3] zei dat we niet terug konden gaan omdat de klus niet geklaard was. [betrokkene 3] had gezegd dat hij het vandaag zou regelen en dat was niet gelukt. En [betrokkene 3] wist dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hierover pissig zouden zijn. Dit was de reden dat [betrokkene 3] zei dat we in de bosjes zouden slapen. Daarop hebben we in de auto geslapen, iets verder in de bosjes.' (bewijsmiddel 14, dossierpagina 2100). [verdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 3] de ochtend erna, nadat zij wederom zonder resultaat bij de woning van [slachtoffer] waren geweest, ook niet terug wilde keren naar de woning van [medeverdachte 3] : ‘
[betrokkene 3] kwam terug en zei dat hij niet terug naar huis wilde gaan, omdat zij immers kwaad waren.’ (bewijsmiddel 13). [verdachte] maakte derhalve een koppeling tussen de uitspraken van [medeverdachte 2] en de omstandigheid dat zij tot twee keer toe niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 3] .
Uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor besproken, volgt dat [verdachte] en [betrokkene 3] in de nacht van 21 februari 2014 inderdaad niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 3] , maar in de auto in het bos hebben overnacht. De volgende ochtend zijn zij wederom niet teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 3] , maar naar Renesse gereden. Het hof acht de door [betrokkene 3] opgegeven reden voor het niet terugkeren naar de woning van [medeverdachte 3] - namelijk dat [verdachte] dit niet wilde vanwege problematische verhoudingen met [betrokkene 2] - niet aannemelijk geworden. Zo waren zij op 20 februari 2014 samen naar Nederland gekomen, ontmoetten zij elkaar op 23 februari 2014 in het café, heeft [verdachte] die dag aan [betrokkene 2] geld gegeven om met de trein terug te reizen en troffen zij elkaar later weer in München (dossierpagina’s 3310-3312). Het hof hecht op dit punt geloof aan de verklaring van [verdachte] en ziet daarin steun voor diens verklaring dat [medeverdachte 2] tegen [betrokkene 3] zou hebben gezegd dat hij het die dag af moest maken. Het hof bezigt derhalve ook dit deel van de verklaring van [verdachte] tot het bewijs.
Het hof is van oordeel dat de verklaring van [verdachte] in grote lijnen wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 2] . [verdachte] en [betrokkene 2] hebben beiden verklaard dat er in het café een uitbetaling van geld en drugs heeft plaatsgevonden als beloning voor de succesvolle klus. Ze hebben allebei verklaard over een zwarte zak waar drugs in zaten en dat het om amfetamine en grote geldbedragen (van duizenden euro’s) ging. Wie wat exact heeft ontvangen en wie het geld en de drugs daadwerkelijk onder de betrokkenen heeft verdeeld, is niet helemaal duidelijk geworden: [betrokkene 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] dit heeft gedaan, terwijl [verdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 3] dit deed.
Het hof acht, naast voornoemde telefoonmastgegevens, van belang dat uit de verklaringen van zowel [verdachte] als [betrokkene 2] volgt dat er een tijd in het café is gewacht, dat [medeverdachte 2] pas later arriveerde, dat toen pas de drugs en het geld verschenen en de uitbetaling vervolgens heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van [medeverdachte 2] (bewijsmiddelen 12, 13, 14, 16, 54 en 56). Op grond van het vorenstaande staat voor het hof genoegzaam vast dat [medeverdachte 2] met de drugs en het geld is gekomen en dat hij de uitbetaling daarvan aldus mogelijk heeft gemaakt en verzorgd.
Tot slot overweegt het hof dat de door [verdachte] beschreven handelingen van [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 3] , het hof niet onwaarschijnlijk voorkomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Renault Scénic een dag ervoor was gebruikt bij het dodelijke schietincident aan de [b-straat] (bewijsmiddelen 9, 12, 13, 14, 53 en 54). Dat de auto was weggesleept, was bovendien een voor alle verdachten onvoorziene omstandigheid waarmee zij geen rekening hadden gehouden. Het hof acht het dan ook zeer wel voorstelbaar dat in de auto nog allerlei (persoonlijke) spullen lagen die eruit moesten worden gehaald en dat de verdachten er dus belang bij hadden om de auto terug te vinden en mogelijke sporen te wissen.
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op bepaalde onderdelen steun vinden in de verklaringen van [verdachte] , alsook in overig bewijsmateriaal. Zo heeft [betrokkene 2] de reis naar Nederland eind februari 2014 erkend, heeft hij verklaard over een wapen met geluidsdemper in de woning van [medeverdachte 3] , over de afwezigheid van [betrokkene 3] en [verdachte] op 21 en 22 februari 2014, en over de uitbetaling van geld en drugs in café [A] . [betrokkene 3] heeft zijn aanwezigheid op de plaats delict op 21 en 22 februari 2014 erkend, heeft verklaard over zijn aanwezigheid in Renesse op 22 februari 2014, over de reis die [verdachte] en hij na de moord maakten naar Essen en Antwerpen, over de overnachting in de auto op een parkeerplaats in de haven van Antwerpen, en over zijn aanwezigheid en de aanwezigheid van andere betrokkenen op 23 februari 2014 in het café te Antwerpen.
Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] betrouwbaar, voor zover passages steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dat hun verklaringen op andere onderdelen niet accuraat, inconsistent of zelfs aantoonbaar onjuist zijn gebleken, doet niet af aan het oordeel van het hof dat aan de genoemde specifieke passages van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] wel geloof kan worden gehecht, zodat die onderdelen wel tot het bewijs worden gebezigd.
Zij kenden elkaar goed en hadden op 11 februari 2014 beduidend intensiever telefonisch contact met elkaar dan op andere dagen in die periode het geval was. Om 22.59 uur, dus een half uur voordat de auto naar de [b-straat] te [plaats] vertrok, hadden zij het laatste sms-contact. Beide telefoons straalden op dat moment dezelfde zendmast te Bergen op Zoom aan. Vervolgens maakte de telefoon van [medeverdachte 2] pas weer contact met een zendmast drie minuten nadat de auto van de voorverkenning was teruggekeerd en weer aan de Drossaard te Bergen op Zoom was gestopt (12 februari 2014 te 00.05 uur). De telefoonmastgegevens duiden erop dat [medeverdachte 2] toen weer onderweg was naar zijn woning in [plaats] . De telefoon van [medeverdachte 2] straalde om 00.08 uur en om 00.09 uur twee verschillende zendmasten te Bergen op Zoom aan. Later die nacht straalde [medeverdachte 2] zendmasten te Kruiningen en Vlissingen aan (bewijsmiddelen 46 en 64).
[betrokkene 3] en [medeverdachte 3] ontvingen om 18.33 en 18.36 uur vier sms-berichten van hun telecomprovider, waaruit blijkt dat dat zij zich op dat moment in het grensgebied met België bevonden. Het is algemeen bekend dat telecomproviders op het moment dat een mobiele telefoon gebruikmaakt van een buitenlands netwerk, sms-berichten versturen in verband met de extra kosten van gebruik in het buitenland.
Uit telefoonmastgegevens blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 3] zich om 20.36 uur in het dekkingsgebied van de woning van [slachtoffer] te [plaats] bevond (bewijsmiddel 64). Ongeveer een uur daarna (21.23 uur) straalde zijn telefoon een zendmast aan de Antwerpsestraat te Hoogerheide aan. Deze zendmast ligt in de nabijheid van de zonnestudio van [betrokkene 9] , waar [slachtoffer] geregeld kwam (bewijsmiddelen 59 en 64 in combinatie met de openbare bron Google Maps). Weer ongeveer anderhalf uur daarna straalden de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] drie minuten na elkaar dezelfde zendmast aan de Nobelweg 6/Amundseweg te Goes aan (om 22.49 uur en 22.52 uur). Om 23.08 uur was [medeverdachte 3] weer in zijn woonplaats [plaats] en om 23.20 uur was [medeverdachte 2] weer in zijn woonplaats [plaats] (bewijsmiddel 64).
op zichzelfnog niet zonder meer worden geconcludeerd dat de drager van de handschoen ( [betrokkene 3] ) de schutter is geweest.
Gelet op de verklaringen van [verdachte] , in combinatie met de forensische bevindingen en het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, twijfelt het hof ook ten aanzien van dit onderdeel niet aan de verklaring van [verdachte] . Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [betrokkene 3] degene is geweest die [slachtoffer] door het hoofd heeft geschoten.”
6. De rollen van de afzonderlijke verdachten
op dat puntgeen geloof aan de verklaring van [verdachte] . Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] het bewuste vuurwapen waarmee [betrokkene 3] [slachtoffer] heeft doodgeschoten, vooraf in de woning van [medeverdachte 3] heeft gezien. [medeverdachte 3] en [betrokkene 3] hebben in de woning een geluidsdemper op het vuurwapen geschroefd en [slachtoffer] is later door [betrokkene 3] doodgeschoten met een vuurwapen met een geluidsdemper. [verdachte] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 3] in de woning aan [betrokkene 3] vroeg ‘of het wapen goed was’.
Verder heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 2] herhaaldelijk tegen [betrokkene 3] heeft gezegd: ‘Maak het af’. Hij bleef volgens [verdachte] benadrukken ‘dat het die dag moest gebeuren’. Dergelijke uitlatingen kunnen naar het oordeel van het hof, zeker in het licht van het voorgaande, bezwaarlijk anders worden opgevat dan het aansporen om iemand om het leven te brengen. Tot slot blijkt naar het oordeel van het hof ook uit de (door [verdachte] geschetste) feitelijke gang van zaken op 21 februari 2014 en 22 februari 2014 dat [verdachte] moet hebben geweten wat [betrokkene 3] ging doen. Uit de verklaring van [verdachte] volgt dat hij naar Nederland is gekomen voor een ‘klus’, dat [betrokkene 3] en hij twee dagen samen op pad zijn geweest met maar één doel, dat zij in een auto in het bos hebben overnacht omdat [betrokkene 3] niet terug wilde gaan voordat de klus was geklaard en dat zij de volgende dag in de avond weer terug naar de woning van [slachtoffer] zijn gegaan. Het hof acht het onaannemelijk dat [verdachte] dermate moeite in een ontmoeting met [slachtoffer] stak met slechts de bedoeling een onderhandeling tussen [betrokkene 3] en [slachtoffer] te bewerkstelligen, zoals [verdachte] heeft verklaard. Wanneer het slechts om onderhandelingen zou gaan, had het veel meer voor de hand gelegen dat er al dan [niet, zo begrijp ik, A-G] telefonisch een afspraak zou zijn gemaakt en dat [medeverdachte 3] zelf, die de Nederlandse taal machtig is, naar de woning van [slachtoffer] zou zijn gegaan. Bovendien is er voor een onderhandeling geen tweede persoon met een vluchtauto nodig.
Ook [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij op 21 februari 2014 een langere en een kortere man uit de richting van de woning van [slachtoffer] zag komen lopen. De kortere man droeg een lange jas en een lichtbruine schoudertas om zijn schouder (bewijsmiddel 8). [verdachte] heeft verklaard dat hij (als hij buiten was) altijd een lichtbruine tas over zijn schouder droeg en dat hij op 21 februari 2014 en 22 februari 2014 een lange jas droeg (bewijsmiddel 14). [betrokkene 6] heeft verder verklaard dat zij zag dat de langere man op 22 februari 2014 over de schutting van de woning van [slachtoffer] keek. [betrokkene 3] heeft erkend dat hij dit heeft gedaan (bewijsmiddel 53).
De tijdstippen waarop [betrokkene 6] en [betrokkene 7] de twee personen zagen, vallen bovendien binnen de tijdsspanne of kort voor dat [verdachte] en [betrokkene 3] op 21 februari 2014 en 22 februari 2014 bij de [b-straat] te [plaats] zijn geweest (bewijsmiddelen 13, 14, 34, 46 en 63). Tot slot acht het hof de verklaringen van [verdachte] zelf belang. Waar [verdachte] op de hiervoor besproken tot het bewijs gebezigde onderdelen van zijn verklaring telkens consistent en gedetailleerd heeft verklaard, heeft hij op dit punt juist wisselend verklaard. Hij heeft verklaard dat hij zowel op 21 februari 2014 als op 22 februari 2014 bij de [b-straat] is geweest en dat hij verschillende rondjes heeft gelopen. Bij zijn eerste politieverhoren heeft hij echter verklaard dat hij geen rondje samen met [betrokkene 3] over het chaletpark heeft gelopen. Ook toen hem werd voorgehouden dat getuigen in de avond van 21 en 22 februari 2014 twee personen samen over de [b-straat] hebben zien lopen, bleef [verdachte] volhouden dat hij niet samen met [betrokkene 3] op de [b-straat] kan zijn gezien (dossierpagina’s 2069, 2100). Later verklaarde hij ten overstaan van de politie echter dat hij één rondje samen met [betrokkene 3] heeft gelopen en dat hij niet wist of dit op 21 of 22 februari 2014 was (bewijsmiddel 18).
Gelet op de verklaringen van [verdachte] , [betrokkene 3] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , in onderlinge samenhang beschouwd, staat voor het hof echter genoegzaam vast dat [verdachte] op beide dagen een rondje met [betrokkene 3] langs de woning heeft gelopen. De door de raadsvrouw genoemde getuigen verklaringen (zoals weergegeven op pagina’s 32-36 van de pleitnota) maken dit niet anders. Deze getuigen verklaarden - blijkens de gegeven omschrijvingen - inderdaad over andere personen dan [betrokkene 3] en [verdachte] , maar ook over andere momenten dan de specifieke tijdstippen dat [verdachte] en [betrokkene 3] op 21 en 22 februari 2014 op de plaats delict moeten zijn geweest. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene blijkt ten aanzien van de bijdrage van [verdachte] aan het delict het volgende:
- [verdachte] is samen met [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 3] in de woning van [medeverdachte 3] aanwezig geweest toen het vuurwapen tevoorschijn kwam, de geluidsdemper op het wapen werd geschroefd en [medeverdachte 3] aan [betrokkene 3] vroeg of het wapen goed was;
- Hij is vanaf 21 februari 2014 twee dagen lang met zijn auto samen met de schutter [betrokkene 3] op pad geweest; [betrokkene 3] en [verdachte] hebben de avond van 21 februari 2014 samen een rondje over de [b-straat] gemaakt en op [slachtoffer] gewacht;
- Zij hebben onverrichter zaken in de auto overnacht, nabij de [b-straat] ;
- Zij zijn de volgende dag samen naar Renesse gegaan om de tijd vol te maken en zijn de avond van 22 februari 2014, nog steeds met de auto van [verdachte] , teruggekeerd naar de woning van [slachtoffer] ;
- Zij hebben die avond nogmaals tenminste één keer gezamenlijk een rondje over de [b-straat] gelopen, waarbij [betrokkene 3] over de schutting van het erf van [slachtoffer] keek;
- Zij hebben [slachtoffer] die avond gezamenlijk opgewacht, waarbij [verdachte] in de gaten hield wanneer zijn auto eraan kwam;
- [verdachte] was ten tijde van de uitvoering van het schietincident in elk geval in de buurt van de plaats delict en derhalve niet ver verwijderd van de schutter [betrokkene 3] ;
- Direct na de aanslag op [slachtoffer] zijn [verdachte] en [betrokkene 3] met zijn auto gevlucht en bestuurde [verdachte] deze auto, waarbij [betrokkene 3] hem aangaf hoe te rijden en [verdachte] deze aanwijzingen opvolgde;
- [verdachte] is onderweg meerdere keren gestopt om [betrokkene 3] zich te laten ontdoen van delictgerelateerde voorwerpen zoals kledingstukken, de geluidsdemper en later het vuurwapen;
- [verdachte] was de volgende dag aanwezig bij de samenkomst met (onder meer) [betrokkene 3] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in café [A] , waar de beloning van de klus is uitgekeerd;
- Ook [verdachte] heeft toen een geldbedrag voor zijn bijdrage ontvangen;
- [verdachte] heeft tot slot geholpen bij het terugvinden van zijn auto die was weggetakeld en heeft het navigatiesysteem uit de auto gehaald en zijn auto laten schoonmaken.
III Het middel en de bespreking daarvan
Bespreking van het middel
ten tijde vanhet schietincident exact heeft gepositioneerd en wat zijn exacte rol
op dat momentprecies is geweest, maar naar het hof heeft vastgesteld moet zijn rol toen ter plaatse ten minste hebben bestaan uit het in de gaten houden van de aankomst van de Lexus (de auto van het slachtoffer) en het in de richting van de woning van [slachtoffer] lopen zodra hij de Lexus zag, en was de verdachte in ieder geval ook in de buurt van de plaats delict en niet ver verwijderd van de schutter. Voorts volgt uit de vaststellingen van het hof dat de verdachte
een dag voordat‘de klus’ eigenlijk volbracht had moeten worden met twee anderen vanuit München naar medeverdachte [medeverdachte 3] is gereisd. In zijn woning is in het bijzijn van de verdachte het vuurwapen tevoorschijn gehaald en is de geluidsdemper op het wapen geschroefd. De verdachte heeft vervolgens als chauffeur de auto bestuurd waarin hij en de schutter [betrokkene 3] naar het huis van het slachtoffer zijn gereden. Dat deden zij, aldus het hof, met maar één doel: de klus volbrengen door het slachtoffer van het leven te beroven. De verdachte en [betrokkene 3] hebben samen twee dagen doorgebracht en zijn zeker twee keer gezamenlijk langs het huis van het latere slachtoffer [slachtoffer] gelopen. Direct
nahet schietincident zijn de verdachte en [betrokkene 3] gevlucht met de auto die door de verdachte werd bestuurd en kwamen de verdachte en zijn medeverdachten samen in een Antwerps café waar – ook aan de verdachte – een beloning voor zijn bedrage werd uitgekeerd. Daarna heeft de verdachte nog geholpen de door hem van een vriend geleende auto terug te vinden nadat deze was weggesleept en heeft hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 3] het navigatiesysteem uit de auto gehaald en de auto laten schoonmaken.
3.2 Het motief van [verdachte] om te verklarenUit het onderzoek ter terechtzitting en de overige inhoud van het dossier is het hof niet gebleken wat het motief van [verdachte] is geweest om uit eigen beweging te gaan verklaren. Hij heeft zich daarover meerdere keren uitgelaten, maar verschillende redenen genoemd, zoals gewetenswroeging en dat het hem te heet onder de voeten werd. Het hof laat voorts niet onbesproken dat uit het dossier volgt dat [verdachte] ook zelf een rol heeft vervuld in het criminele circuit en dat tussen hem en personen die in het dossier voorkomen, onderlinge criminele verhoudingen bestonden die voor het hof slechts beperkt inzichtelijk zijn geworden. Het hof zal, in het licht van het voorgaande en gelet op de ernst van het feit, de verklaringen van [verdachte] met behoedzaamheid beoordelen en deze wegen tegen de overige inhoud van het dossier.”