ECLI:NL:PHR:2021:607

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
19/04687
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137.1° WMSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling militair wegens ernstige nalatigheid bij niet opvolgen dienstvoorschrift met gemeen gevaar

De verdachte, een beginnend militair, werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het in ernstige mate nalatig niet opvolgen van dienstvoorschriften bij het hanteren van een dienstwapen Colt C7. Tijdens haar tweede dienst werd zij afgeleid terwijl zij veiligheidsmaatregelen aan het treffen was, waardoor zij onbewust een met munitie gevulde patroonhouder in het wapen plaatste en per ongeluk een schot loste terwijl twee collega’s in de ruimte aanwezig waren.

De verdediging stelde dat sprake was van onbewust, routinematig gedrag zonder schuld, maar het hof oordeelde dat van een militair verwacht mag worden dat veiligheidsmaatregelen bewust en zorgvuldig worden uitgevoerd, zeker in een nieuwe situatie. Het hof stelde vast dat het wapen technisch in orde was en niet spontaan kon afgaan, waardoor de verdachte het dienstvoorschrift niet had opgevolgd en schuld had aan het incident.

Het hof concludeerde dat door het schot gemeen gevaar voor personen en goederen was ontstaan, mede door de aanwezigheid van collega’s en de harde ondergrond die het risico op ricocheren vergrootte. De Hoge Raad vond geen reden om het arrest van het hof te vernietigen en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling tot een geldboete en mogelijke hechtenis werd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling van de militair wegens ernstige nalatigheid bij het niet opvolgen van dienstvoorschriften met het veroorzaken van gemeen gevaar.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/04687 M
Zitting22 juni 2021
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 10 oktober 2019 door de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “als militair aan haar schuld te wijten zijn dat zij een dienstvoorschrift niet opvolgt, terwijl daardoor gemeen gevaar voor personen of goederen ontstaat”, veroordeeld tot een geldboete van € 750,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftien dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

Tenlastelegging

3. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“zij als militair, op of omstreeks 30 augustus 2016, te of nabij Brunssum, in elk geval in Nederland, opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig het dienstvoorschrift VS 7-520 (dienstvoorschrift De Colt) en/of Handboek Militair Land-E&T-02 (De KL militair), hoofdstuk 5 onder 5.1 (Colt C7 & C8) onder 5.1.1. Veiligheidsregels bij het gebruik van het geweer Colt 07 en Colt C8, waarin (onder meer) is voorgeschreven dat:
- personeel dat het geweer in gebruik of beheer heeft, op de hoogte moet zijn van de veiligheidsregels en er op toe moet zien dat deze worden nageleefd (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels), en/of
- bij het ter hand nemen van het wapen de gebruiker eerst de veiligheidsmaatregelen dient te nemen (paragraaf 3, algemene Veiligheidsregels), en/of
- voordat de veiligheidsmaatregelen worden genomen, het wapen behandeld moet worden alsof het geladen is, omdat, uitwendig niet te zien is of het ontladen is (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels), en/of
- wanneer de gebruiker niet overtuigd is van de toestand waarin zijn wapen verkeert (geladen, half geladen of ontladen), hij de veiligheidsmaatregelen moet nemen (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels), en/of
- het verboden is zonder noodzaak op iemand te richten (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels), en/of
- een geladen wapen altijd in een veilige richting moet wijzen (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels),
niet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat zij, verdachte, aldaar opzettelijk in het wachtgebouw van het NATO hoofdkwartier bij het overnemen van het dienstwagen (Colt C7) van haar collega [betrokkene 1] het wapen in gebruik heeft genomen, zonder dat zij, verdachte, als gebruiker van dit wapen zich (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin haar wapen verkeerde en/of zonder dat zij, verdachte, voor het in gebruik nemen van het wapen eerst de veiligheidsmaatregelen had genomen en/of dat zij, verdachte, voor het nemen van de veiligheidsmaatregelen/ het verrichten van handelingen aan haar wapen (eerst) het patroonmagazijn in het wapen heeft geplaatst en/of zonder dat zij, verdachte (vervolgens) bij het nemen van de veiligheidsmaatregelen het patroonmagazijn uit het wapen heeft genomen en/of zonder dat zij, verdachte, bij nemen van de veiligheidsmaatregelen/het verrichten van handelingen aan haar (inmiddels geladen) wapen het wapen in een veilige richting liet wijzen en/of dat zij, verdachte, zonder noodzaak het wapen heeft gericht, althans, in de richting van [betrokkene 2] heeft gehouden en/of daarbij/daarna de trekker van dat wapen heeft overgehaald en/althans een schot met dat wapen heeft gelost terwijl daardoor gemeen gevaar voor personen, te weten de zich in de directe nabijheid van haar, verdachte, bevindende [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of gemeen gevaar voor goederen, te weten de vloer van het wachtgebouw en/of een archiefkast en/of overige in de directe nabijheid van haar, verdachte bevindende goederen is ontstaan, althans te duchten was.”

Bewezenverklaring en bewijsvoering

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“zij als militair, op 30 augustus 2016, te Brunssum, in ernstige mate nalatig het dienstvoorschrift VS 7-520 (dienstvoorschrift De Colt) en Handboek Militair Land-E&T-02 (De KL militair), hoofdstuk 5 onder 5.1 (Colt C7 & C8) onder 5.1.1. Veiligheidsregels bij het gebruik van het geweer Colt C7 en Colt C8, waarin onder meer is voorgeschreven dat:
- personeel dat het geweer in gebruik of beheer heeft, op de hoogte moet zijn van de veiligheidsregels en er op toe moet zien dat deze worden nageleefd (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels), en
- bij het ter hand nemen van het wapen de gebruiker eerst de veiligheidsmaatregelen dient te nemen (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels), en
- voordat de veiligheidsmaatregelen worden genomen, het wapen behandeld moet worden alsof het geladen is, omdat uitwendig niet te zien is of het ontladen is (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels), en
- wanneer de gebruiker niet overtuigd is van de toestand waarin zijn wapen verkeert (geladen, half geladen of ontladen), hij de veiligheidsmaatregelen moet nemen (paragraaf 3, algemene veiligheidsregels),
niet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat zij, verdachte in het wachtgebouw van het NATO hoofdkwartier bij het overnemen van het dienstwapen (Colt C7) van haar collega [betrokkene 1] het wapen in gebruik heeft genomen, zonder dat zij, verdachte voor het in gebruik nemen van het wapen eerst de veiligheidsmaatregelen had genomen en dat zij, verdachte, voor het nemen van de veiligheidsmaatregelen/het verrichten van handelingen aan haar wapen (eerst) het patroonmagazijn in het wapen heeft geplaatst en zonder dat zij, verdachte (vervolgens) bij het nemen van de veiligheidsmaatregelen het patroonmagazijn uit het wapen heeft genomen en daarna de trekker van dat wapen heeft overgehaald en een schot met dat wapen heeft gelost terwijl daardoor gemeen gevaar voor personen, te weten de zich in de directe nabijheid van haar, verdachte, bevindende [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, althans te duchten was.”
5. De aanvulling op het bestreden arrest bevat de volgende bewijsmiddelen, waarin ook – voor zover relevant – de bovengenoemde dienstvoorschriften zijn opgenomen:

Ten aanzien van het bewezen verklaarde:
1. Het als bijlage (pagina’s 54-60) bij het stamproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheid, inhoudendeeen dienstvoorschrift(van het Ministerie van Defensie), betrekking hebbende op VS 7-520 (De Colt C7, C8, LAOW), vastgesteld op 11 december 2014, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Paragraaf 3. Algemene veiligheidsregels.
- Personeel dat het geweer in gebruik of beheer heeft, moet op de hoogte zijn van de veiligheidsregels en er op toe zien dat deze regels nauwkeurig worden nageleefd.
- Bij het ter hand nemen van het wapen dient de gebruiker eerst de veiligheidsmaatregelen te nemen.
- Voordat de veiligheidsmaatregelen worden genomen, moet het wapen behandeld worden alsof het geladen is, omdat uitwendig niet te zien is of het ontladen is.
- Wanneer de gebruiker niet overtuigd is van de toestand waarin zijn wapen verkeerd (geladen, half geladen of ontladen), moet hij de veiligheidsmaatregelen nemen.
2. Het ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 26 september 2019 door de advocaat-generaal -bij de vordering wijziging tenlastelegging- overgelegde schriftelijke bescheid, inhoudendeHANDBOEKMILITAIR LAND-E&T-02.1, DE KL MILITAIR(van de Koninklijke Landmacht), vastgesteld op 22 februari 2016, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Hoofdstuk 5, Persoonlijk wapen, onder 5.1, Colt C7 & C8, onder 5.1.1, Veiligheidsregels, paragraaf 3, Algemene veiligheidsregels:
- Personeel dat het geweer in gebruik of beheer heeft, moet op de hoogte zijn van de veiligheidsregels en er op toe zien dat deze regels nauwkeurig worden nageleefd.
- Bij het ter hand nemen van het wapen dient de gebruiker eerst de veiligheidsmaatregelen te nemen.
- Voordat de veiligheidsmaatregelen worden genomen, moet het wapen behandeld worden alsof het geladen is, omdat uitwendig niet te zien is of het ontladen is.
- Wanneer de gebruiker niet overtuigd is van de toestand waarin zijn wapen verkeerd (geladen, half geladen of ontladen), moet hij de veiligheidsmaatregelen nemen.
3. Deverklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Gelderland op 29 oktober 2018, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Ik heb het Handboek KL-Militair wel gelezen met betrekking tot de veiligheidseisen en -handelingen.
4. Het als bijlage (pagina’s 37-43) bij het stamproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheid, inhoudendeeen projectrapport ‘Onderzoek functioneren wapens KMAR, Colt C7 OAD 9506763 NL(van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie)’, vastgesteld op 28 september 2016, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Probleemstelling
Er is een ongewild schot geweest met de Colt C7 OAD, wapennummer 9506763 NL.
Doelstelling
Het wapen onderzoeken en technisch bekijken of dit ongewilde schot een technisch mankement is van het wapen.
Conclusie
Dit geweer is zowel wapen- als schiet technisch in orde.
Het is niet mogelijk dat dit wapen, in de huidige toestand, spontaan een schot kan laten afgaan zonder dat daarbij de trekking actief wordt bediend.
5. Deverklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 26 september 2019, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Op 30 augustus 2016 begon ik aan mijn dienst. Ik kreeg het wapen aangeboden van mijn collega. Het was mijn tweede dag na mijn opleiding. De eerste dag was 29 augustus 2016. Die eerste dag stond ik op wacht. Die tweede dag ook. Mijn collega’s deden dat misschien al langer. Ik kreeg het wapen van collega [betrokkene 1] aangeboden. Ik was begonnen met de veiligheidsmaatregelen, toen collega [betrokkene 1] zei dat ik de munitie moest tellen. Ik dacht: prima, en ik ging dat doen. Ik telde 15 patronen. Die heb ik opgetopt. Toen dacht ik: ik moet nog verder met de veiligheidsmaatregelen. Ik heb de spangreep naar achteren gegrepen en de procedure gevolgd. Ik heb de aandrukplunjer aangedrukt en het hulzengatdeksel gesloten. Op dat moment had ik het wapen naar beneden gericht. De voorzitter merkt op dat het magazijn er toen moet zijn ingestopt. Ja, maar ik heb daar geen herinnering aan. Ik drukte af en er kwam een schot uit.
Ik was met de handelingen bezig zoals ik die had geleerd. Achteraf gezien kan een kogel er alleen uit komen als er een magazijn in het wapen zit, of als er een kogel in de kamer zit. Later bleek dat het magazijn in het wapen zat.
Het is juist dat ik achteraf beredeneer dat er een magazijn in het wapen moet hebben gezeten, of een kogel in de kamer, maar dat ik dat toen niet wist.
Ik was basisschutter ten tijde van het incident.
De oudste raadsheer vraagt mij in hoeverre ik was begonnen met de veiligheidsmaatregelen, nadat ik het wapen overhandigd had gekregen. Ik had gekeken in de kamer. Daar was ik mee begonnen en toen werd ik afgeleid. Ik had de kamer gecheckt, ik wist dat daar geen patroon in zat. Toen werd ik afgeleid en heb ik het wapen op de grond gezet. Toen ben ik gaan tellen en heb ik opgetopt.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage pagina's 25-32 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudendehet relaas van verbalisant-zakelijk weergegeven-:
Op de locatie waar het schietincident heeft plaatsgevonden, zijnde het wachtgebouw bij de hoofdingang van het Joint Force Command, hierna te noemen JFC, in ruimte 0.07, zijn door mij, verbalisant een aantal foto’s gemaakt om de situatie duidelijk in beeld te krijgen.
De ruimte heeft een rechthoekige vorm van ongeveer 3 bij 4 meter. Aan de rechterzijde bevindt zich een kast met diverse postvakjes van het wachtpersoneel. Aan de raamzijde, gesitueerd tegenover de deur staat een lage archiefkast met daarnaast de ontlaadpijp. Tegen de linkermuur staat een tafel geplaatst met daarop een koffiezetapparaat.
Getuige [betrokkene 2] stond tussen de 15 en 20 cm van de plaats van inslag vandaan.
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage pagina’s 95-97 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudendede verklaring van getuige [betrokkene 1]-zakelijk weergegeven-:
Aan het einde van mijn dienst heb ik het wapen overgedragen aan [verdachte]. Dit is als volgt gegaan. Ik ben samen met [verdachte] en [betrokkene 2] naar de ruimte waar de koffieautomaat staat gelopen. Ik heb het wapen open gemaakt ter aanbieding aan [verdachte]. Vervolgens heb ik mij omgedraaid richting het koffieapparaat om een bak koffie hieruit te halen. Binnen ongeveer tien seconden hoorde ik een harde knal en ik begreep meteen dat er een schot was afgegaan. Ik heb gekeken of ik zelf niet geraakt was en ben vervolgens meteen naar buiten gelopen. Ik zag [betrokkene 2] meteen na mij naar buiten komen.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage pagina’s 123-130 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudende deverklaring van verdachte-zakelijk weergegeven-:
U vraagt mij wat voor vloer er in de ruimte zat. Een linoleum vloer met daaronder beton. Dat heb ik helaas kunnen zien na het schot.”
6. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in (hier met weglating van de voetnoten):

Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde, wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ter onderbouwing van dit standpunt is – kort gezegd – het volgende naar voren gebracht. Verdachte heeft voldaan aan de vereiste zorgvuldigheidsmaatregelen, maar werd in dit proces door een collega in haar handelen gestoord met de vraag of zij de patronen van het wapen wilde tellen. Na het tellen van de patronen is verdachte verder gegaan met het nemen van de veiligheidsmaatregelen en toen is een schot gelost. Achteraf bleek dat zij de patroonhouder in het wapen had geplaatst alvorens de veiligheidsmaatregelen af te maken, zonder zich daarbij bewust te zijn geweest dat door die handelingen het wapen juist geladen werd en dat bij afdrukken een schot gelost zou worden. Tijdens het verrichten van de veiligheidsmaatregelen heeft verdachte haar wapen in de veilige richting gehouden. Er is sprake geweest van
skill-based behaviour, oftewel: aangeleerd routinematig gedrag (verrichten van veiligheidsmaatregelen), dat is gegijzeld door een andere routine (tellen en plaatsen van patronen in de patroonhouder), in de gedragswetenschap een
double capture slipgenoemd. De geautomatiseerde handelingen zijn onbewust in elkaar over gegaan. Verdachte is echter voldoende scherp geweest en van enige vorm van opzet of nalatigheid is geen sprake, zodat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt in strafrechtelijke zin. De verdediging heeft haar standpunt onderbouwd door een rapportage van mr. dr. L.J. Vink te overleggen en door een vergelijking te maken met de uitspraak van de Hoge Raad van 7 februari 2021 (ECLI:NL:HR:2012:BU2878, de zogenaamde klimongeval-zaak).
Standpunt van de advocaat-generaal
[…]
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
De feiten
Het hof sluit zich aan bij wat de militaire kamer van de rechtbank in het vonnis heeft overwogen ten aanzien van ‘de feiten’, zodat het hof in het hiernavolgende die overweging van de rechtbank overneemt en deze tot de zijne maakt. De overgenomen overweging is cursief weergegeven. Waar de overweging van de militaire kamer van de rechtbank aanvulling of -op kleine punten- verbetering behoeft, is dit aangegeven met niet-cursieve tekst. Indien in de overwegingen van de militaire kamer van de rechtbank taal-en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Verdachte was op 30 augustus 2016 als militair ingedeeld bij de Nationale Reserve van de Koninklijke Landmacht. Verdachte bevond zich op deze dag in het wachtgebouw van het Joint force Command te Brunssum, zijnde een NATO hoofdkwartier, om aldaar een opgedragen wachtdienst uit te voeren. Verdachte heeft een dienstwapen, Colt C7, overgenomen van haar collega [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). [betrokkene 1] heeft bij deze overdracht de patroonhouder uit het wapen gehaald, de afsluiter naar achter getrokken en hij heeft gezien dat de kamer leeg was. Daarna heeft hij afgedrukt. [betrokkene 1] heeft het wapen open (met de spangreep in de achterste stand) aangeboden aan verdachte. Verdachte heeft vervolgens het wapen overgenomenen was begonnen met de veiligheidsmaatregelen door te kijken in de kamer. Vervolgens vroeg [betrokkene 1] haar om de munitie te tellen.
Verdachte heeft toen het wapen open op de grond neergezet en de munitie samen met [betrokkene 1] geteld. Hierna heeft verdachte de munitie terug in de patroonhouder gedaan. Verdachte heeft het wapen in gebruik genomen. Zij wilde toen verder gaan met de veiligheidsmaatregelen. Zij heeft de gevulde patroonhouder in het wapen geplaatst. Zij heeft vervolgens de spangreep naar achteren gehaald en naar voren laten gaan, heeft de aandrukplunjer ingedrukt en het hulzengatdeksel gesloten. Daaropvolgend heeft zij afgedrukt en is er met dit wapen een schot gelost. Ten tijde van het schot bevonden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) zich in dezelfde ruimte als verdachte. Verdachte heeft op de grond gericht.
Niet opvolgen van het dienstvoorschrift
De vraag die het hof dient te beantwoorden is of sprake is van het niet opvolgen van een dienst voorschrift en zo ja, of dit in de vorm van (voorwaardelijk) opzet of ernstige nalatigheid is gebeurd. Het hof stelt voorop dat bij de vraag of sprake is van niet naleving van de veiligheidsregels (en zo ja, in welke vorm dan) wordt gedoeld op de veiligheidsregels zoals neergelegd in het dienstvoorschrift VS 7-520 (dienstvoorschrift De Colt) en het Handboek Militair Land-E&T-02 (De KL militair), zoals ook genoemd in de tenlastelegging.
Uit het dienstvoorschrift volgt -kort gezegd- dat verdachte bij het ter hand nemen van het wapen eerst de veiligheidsmaatregelen moest uitvoeren. Terwijl verdachte meende de veiligheidsmaatregelen uit te voeren heeft zij echter handelingen uitgevoerd waardoor haar wapen is geladen. Het hof is van oordeel dat verdachte het dienstvoorschrift daarmee niet heeft opgevolgd. Het neemt daarbij in aanmerking dat uit het, in het kader van deze zaak opgestelde Projectrapport ‘Onderzoek functioneren wapens KMAR, Colt C7 OAD 9506763 NL’ is gebleken dat het wapen technisch in orde was en er geen aanleiding is om aan te nemen dat het wapen zonder de trekker aan te raken kon afgaan.
Met de militaire kamer van de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het niet opvolgen van het dienstvoorschrift ten aanzien van de laatste twee leesstreepjes van de tenlastelegging. Het hof overweegt daarbij dat het de verdachte niet is aan te rekenen dat zij het wapen in een onveilige richting heeft gericht en niet in de inlaadpijp, in dit geval de meest veilige richting in de ruimte waarin verdachte zich bevond. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij met de functie van een ontlaadpijp niet bekend was en de in de ruimte aanwezige ontlaadpijp niet als zodanig heeft herkend. Dat dit anders was is het hof niet gebleken en het gaat dan ook uit van die verklaring van verdachte. Ook betrekt het hof bij dit oordeel dat verdachte, niet bekend zijnde met de functie van de ontlaadpijp, het wapen in een relatief veilige richting heeft gericht.
Opzet of schuld?
Met de militaire kamer van de rechtbank is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het dienstvoorschrift opzettelijk heeft overtreden, ook niet in voorwaardelijke zin. Het hof is van oordeel dat bij overtreding van het dienstvoorschrift echter wel sprake is van schuld. Het hof overweegt het volgende.
Verdachte was op het moment van het incident opgeleid tot basisschutter. Op 30 augustus 2016 had zij haar tweede dienst.
Het hof stelt voorop dat men bij de opleiding tot basisschutter moet worden doordrongen van de stappen -en de volgorde daarvan- die in acht moeten worden genomen bij het naleven van veiligheidsregels. Dit maakt echter niet dat het doorlopen van de stappen en regels routinematig gedrag mag worden. Van een militair mag worden verwacht dat deze altijd alert is bij het in acht nemen van de veiligheidsmaatregelen en bij het naleven daarvan zorgvuldig handelt. De regels dienen te worden geïnternaliseerd, maar moet men bewust blijven uitvoeren.
Het hof overweegt in het bijzonder dat nu sprake was van de tweede dienst van verdachte van haar verwacht mocht worden dat zij zeer alert was. Bij zo’n nieuwe situatie, ook al is men daarvoor opgeleid, is extra voorzichtigheid en zorgvuldigheid geboden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij tijdens haar handelingen kennelijk het magazijn in het wapen heeft geplaatst, maar dat zij dat op dat moment niet wist. Het hof is van oordeel dat daarmee kan worden gesproken van een onbewuste handeling en daarmee is op zichzelf genomen reeds sprake van overtreding van het dienstvoorschrift. Zoals hiervoor overwogen mag van een militair namelijk worden verwacht dat hij of zij bij het uitvoeren van de veiligheidsregels altijd bewust handelt.
Door het magazijn in het wapen te plaatsen -waarna het wapen half geladen was- terwijl de veiligheidsmaatregelen nog niet volledig waren nageleefd, heeft verdachte een fout gemaakt.
Nu het hof van oordeel is dat juist bij het naleven van de veiligheidsmaatregelen géén sprake mag zijn van routinematig gedrag, kan het verweer van de raadsman niet slagen. Voor zover verdachte gestoord was in het uitoefenen van de veiligheidsmaatregelen door haar collega had zij daarmee rekening moeten houden en de procedure opnieuw moeten beginnen of bewust moeten hervatten op het punt waar zij reeds eerder was gestopt.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat het bij het voorgaande gaat om gedrag dat in strafrechtelijke zin verwijtbaar is, te meer vanwege het grote belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met de naleving van dienstvoorschriften, zodat schending van het dienstvoorschrift aan de schuld van verdachte is te wijten.
Gemeen gevaar voor personen of goederen
Met de militaire kamer van de rechtbank is het hof van oordeel dat het ongewilde schot gemeen gevaar voor personen en goederen heeft opgeleverd.
Uit het procesdossier is gebleken dat de ruimte waarin verdachte zich bevond een kamer was van 3 bij 4 meter. In dezelfde ruimte bevond zich een archiefkast, een raam en een tafel met daarop een koffiezetapparaat. Ook bevonden collega’s [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich in deze kamer. De vloer in de kamer had een harde ondergrond. Door deze harde ondergrond bestaat het risico van ricocheren. Nu de kogel richting de goederen of de collega’s had kunnen ricocheren, was daardoor sprake van gemeen gevaar voor goederen en personen.
Het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.”

Het eerste en het tweede middel

7. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen volgt voor zover daarin is opgenomen dat de verdachte “in ernstige mate nalatig” is geweest. Het tweede middel beoogt kennelijk te klagen dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat aan de verdachte geen verwijt in strafrechtelijke zin kan worden gemaakt, ten onrechte heeft verworpen omdat het hof zijn beslissing op dit standpunt onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
8. De tenlastelegging rept in het kwalificatieve gedeelte niet alleen van de opzettelijke, maar ook van de culpoze variant, hetgeen tot uitdrukking komt in de woorden ‘ernstige mate nalatig zijn geweest’. Daarmee is de tenlastelegging mede toegesneden op art. 137, onderdeel 1⁰, Wetboek van Militair Strafrecht (hierna: WMSr), luidend:
De militair aan wiens schuld het is te wijten, dat hij een dienstvoorschrift niet opvolgt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor personen of goederen ontstaat.”
9. De term ‘schuld’ uit de delictsomschrijving van art. 137, aanhef onderdeel 1⁰, WMSr is als zodanig niet opgenomen in de tenlastelegging. Problematisch is dat evenwel niet nu, als gezegd, uit de tenlastelegging ook zonder die aanduiding voortvloeit dat ook de schuldvariant in het kwalificatieve deel daarvan is opgenomen. Merkwaardigerwijs keert de culpoze vorm met betrekking tot de aan de verdachte verweten handelingen in het feitelijk omschreven gedeelte niet terug. Het hof heeft deze eigenaardigheid eenvoudig opgelost door in dat feitelijke gedeelte het woord opzet alsook de feitelijke handelingen die daar wel heel sterk op geënt zijn, te ‘strepen’ (daarvan vrij te spreken). Op deze wijze heeft het hof de culpoze variant blootgelegd en bewezenverklaard zonder daarmee de grondslag van de tenlastelegging te hebben verlaten.
10. Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van schuld in de zin van art. 137 WMSr Pro wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. [1]
11. In het regeringsantwoord op het verslag van de Tweede Kamer vatte minister Modderman van Justitie de culpa kernachtig samen: “Terwijl hij die opzettelijk misdoet, zijn vermogens verkeerd gebruikt, is de eigenaardigheid van de schuld deze dat men ze
nietgebruikt, waar men had behooren te gebruiken. Gebrek aan het noodige nadenken, aan de noodige kennis of aan het noodige beleid, ziedaar het wezen van alle schuld.” [2] Culpa kan in twee vormen worden onderscheiden: bewuste respectievelijk onbewuste schuld. [3] Bewuste schuld doet zich voor wanneer iemand het gevaar wel heeft onderkend, maar te lichtzinnig of lichtvaardig heeft gehandeld in de veronderstelling dat het gevaar zich (toch) niet zou verwezenlijken. Onbewuste schuld kenmerkt zich hierin dat iemand bij het gevaar zelfs niet heeft stilgestaan, dit gevaar helemaal niet heeft gezien, maar dat wel had behoren te doen; in die zin had hij zich daarvan bewust moeten zijn. Dit verschil in perceptie neemt niet weg dat in beide gevallen voor het aannemen van schuld moet komen vast te staan dat sprake is van een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Degene die het verwijt treft, had anders moeten of behoren te handelen, hetgeen impliceert dat hij ook anders had kunnen handelen. Anders gezegd: het gevolg dat zijn handelen teweeg heeft gebracht was vermijdbaar. Daarop rust de verwijtbaarheid van het culpoze handelen. Daarbij komt dat in het licht van de zogenoemde Garantenstelling van personen – zoals in casu een militair – in een bepaalde hoedanigheid of functie een bijzondere zorgplicht mag worden verwacht. [4]
12. Uit de toelichting op het middel leid ik af dat met name de eerste twee middelen zijn gecentreerd in het standpunt dat de verdachte geen verwijt in strafrechtelijke zin kan worden gemaakt omdat zij onbewust heeft gehandeld. Zoals uit het bovenstaande blijkt, sluit onbewust handelen een strafrechtelijk verwijtbare schuld echter niet uit.
13. De verdediging heeft ter terechtzitting van 26 september 2019 bij pleidooi aangevoerd (samengevat) dat de verdachte onbewust heeft gehandeld nadat twee routinematige handelingen – het nemen van veiligheidsmaatregelen en het tellen en plaatsen van patronen in de patroonhouder (en het vervolgens laden) – onopgemerkt in elkaar zijn overgegaan, en zij dus kennelijk, zonder het zich te realiseren, het magazijn in het wapen heeft geplaatst en heeft afgedrukt, waardoor het schot is afgegaan. De verdachte was niettemin voldoende scherp en van enige vorm van opzet of nalatigheid was geen sprake. Enig verwijt kan haar dan ook niet worden gemaakt, meent de verdediging.
14. Het hof heeft vastgesteld dat sprake was van een tweede dienst van de verdachte en dat zij tijdens haar tweede dienst in het wachtgebouw een wapen van haar collega overgedragen had gekregen, waarna zij begon met het nemen van de veiligheidsmaatregelen. Zij werd daarin onderbroken (afgeleid, aldus de verdachte; bewijsmiddel 5) doordat haar collega aan haar vroeg een andere taak uit te voeren, te weten het tellen van munitie. Nadat zij de munitie had geteld en in de patroonhouder had gedaan, wilde zij verder gaan met de veiligheidsmaatregelen. Zij heeft de met munitie gevulde patroonhouder in het wapen geplaatst, kennelijk nog enkele veiligheidsmaatregelen genomen en vervolgens afgedrukt waarbij ongewild een schot is afgegaan. Dit afdrukken was, zo begrijp ik uit de gebezigde bewijsmiddelen, ook onderdeel van de te nemen veiligheidsmaatregelen in deze zaak.
15. Het door de verdediging gevoerde verweer is door het hof verworpen. Daartoe heeft het hof overwogen dat (i) men tijdens de opleiding tot basisschutter moet worden doordrongen van de stappen, en de volgorde daarvan, die in acht moeten worden genomen bij het naleven van de veiligheidsregels, (ii) die regels geïnternaliseerd moeten worden maar dat de handelingen bij de uitvoering van die veiligheidsregels wel bewust moeten plaatsvinden, (iii) de verdachte zich bevond in een nieuwe situatie die extra voorzichtigheid en zorgvuldigheid vergden omdat het haar tweede dienst was, (iv) sprake was van een onbewuste handeling bij het plaatsen van het magazijn in het wapen en daarmee op zichzelf reeds sprake is van overtreding van het dienstvoorschrift, nu van een militair mag worden verwacht dat hij of zij bij het uitvoeren van de veiligheidsregels altijd bewust handelt en (v) de verdachte de veiligheidsprocedure opnieuw had moeten aanvangen of bewust had moeten hervatten op het punt waar zij was gestopt.
16. De door de verdachte geschonden dienstvoorschriften houden onder meer in dat een wapen moet worden behandeld alsof het geladen is zolang niet alle veiligheidsmaatregelen zijn genomen en dat de gebruiker overtuigd moet zijn van de toestand waarin het wapen verkeert (geladen, half geladen of ontladen). Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte dit nagelaten en was sprake van routinematig gedrag, terwijl de nieuwe situatie waarin de verdachte verkeerde juist om extra alertheid vroeg. De uiteindelijke gevolgtrekking van het hof dat de verdachte als militair – ik laat hier de term Garantenstellung vallen – in ernstige mate nalatig is geweest, is gelet op de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk en, in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Ook als aangenomen moet worden dat de verdediging in dit verband een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen, dan nog kan worden gezegd dat het hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot zijn daarvan afwijkende beslissing heeft geleid.
17. Het eerste en het tweede middel falen.

Het derde middel

18. Het derde middel komt op tegen het onderdeel van de bewezenverklaring inhoudend dat door het niet opvolgen van een dienstvoorschrift “gemeen gevaar voor personen of goederen is ontstaan”.
19. Het hof heeft geoordeeld dat door het handelen van de verdachte gemeen gevaar voor personen of goederen is ontstaan. Dit ontstane gevaar betreft een in de delictsomschrijving van art. 137 WMSr Pro geobjectiveerd gevolg dat zich zodoende onttrekt aan het schuldverwijt dat de verdachte treft. ’s Hofs vaststelling dat de verdachte het wapen in een relatief veilige richting heeft gericht, staat aan een bewezenverklaring van dat geobjectiveerde gevolg niet in de weg. Van belang is dat gevaar voor goederen of personen is ontstaan doordat, in dit geval, het aan de schuld van de verdachte is te wijten dat het dienstvoorschrift is overtreden. Aan deze connectie is hier voldaan. Het hof heeft immers vastgesteld, en heeft met name gezien de bewijsmiddelen 6, 7 en 8 ook kunnen vaststellen, dat de ruimte waarin de verdachte zich bevond een kamer was van 3 bij 4 meter, dat daarin verschillende goederen stonden, dat twee collega’s van de verdachte daar aanwezig waren en dat de vloer in de kamer een harde ondergrond had waardoor het risico bestond dat de kogel zou ricocheren. Daarbij komt dat uit bewijsmiddel 6 blijkt dat één van de collega’s van de verdachte 15 tot 20 centimeter van de inslag van de kogel vandaan stond.
20. Ook het derde middel faalt.

Slotsom

21. Alle drie middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630,
2.H.J. Smidt,
3.Zie daarover nader Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR),
4.Zie daarover bijv. HR 19 februari 1963, ECLI:NL:HR:1963:2,