Conclusie
I Inleiding
II Bewezenverklaring en bewijsvoering
12. De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. op 4 juni 2014 op het politiebureau te München en vertaald uit de Duitse taal, dossierpagina’s 2212-2225, voor zover inhoudende:
[verdachte] heeft tegen [betrokkene 3] gezegd dat [betrokkene 3] het vandaag moest afmaken.
Iedereen heeft [betrokkene 3] gefeliciteerd. [verdachte] is met twee zakken gekomen. In die zakken zat kilo’s amfetamine en tienduizenden euro’s aan geld.
13. De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 4 juni 2014 op het politiebureau te München (welk verhoor is vertaald uit de Duitse taal), dossierpagina’s 2046- 2089, voor zover inhoudende:
A: (...) Ik heb een klein pistool en een geluidsdemper gezien.
A: Het was een pistool. Het was metaalkleurig, niet zwart. Het pistool had een lichte kleur.
A: Even groot als uw wapen.
A: Zover ik er iets vanaf weet, ja.
A: Deze was groter dan het pistool. Die was ook lichtkleurig en van metaal.
A: Ze hebben het pistool meerdere keren met de geluidsdemper verbonden en vastgeschroefd en weer losgeschroefd. [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] hebben dat gedaan. [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 3] ook gevraagd of het wapen goed was.
A: [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en ik.
V: Wie heeft het wapen weggegooid?
A: Nee, alleen het pistool. De geluidsdemper heeft [betrokkene 3] weggegooid bij een korte stop op een kleine inham op de autosnelweg die je van Essen naar Antwerpen neemt. Hij heeft de geluidsdemper over een daar staande vier tot vijf meter hoge betonmuur gegooid.
A: Dat was ongeveer drie tot vier dagen voor de moord in [plaats] .
A: We zijn met zijn drieën, dus [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en ik, met mijn Renault Scénic vanuit München naar [medeverdachte 2] te [plaats] gereden.
(...) [medeverdachte 2] ging naar zijn auto. Hij haalde het navigatiesysteem uit zijn auto. Toen hij weer terugkwam, heeft hij het navigatiesysteem en een briefje aan [betrokkene 3] gegeven. Op dat briefje stond het adres waar de moord heeft plaatsgevonden.
A: Nee alleen de straat, misschien ook de stad. En het huisnummer. Ik weet nog dat er bij dat adres een paardenstal was.
het hof: in combinatie met bewijsmiddelen 17 en 18 stelt het hof vast dat bijlage 3 op dossierpagina 2112 is weergegeven).
A: Ik heb een rechthoek met meerdere streepjes getekend. Dat moet de paardenstal voorstellen. Toen heb ik nog eens een rechthoek ingetekend met PI en nog een kleinere met P2, dat zijn beide parkeerplaatsen.
A: Toen het navigatiesysteem ons naar de paardenstal gebracht had, zei [betrokkene 3] : ‘We rijden nog een rondje.’ Bij dat rondje heeft [betrokkene 3] gewezen en gezegd dat de man daar woont.
A: We hebben dat rondje gereden en zijn naar de parkeerplaats gereden.
A: Ik ben in de richting van de ringweg gegaan en heb een rondje gemaakt.
A: Een zilverkleurige Renault Scénic, bouwjaar 1999.
De volgende dag tegen zes uur ben ik weer naar deze parkeerplaats teruggegaan waar ik de vorige dag ook al stond. [betrokkene 3] is er nog een keer heen gelopen.
A: Om 19.00, 20.00 of 21.00 uur.
A: Ik heb gezien dat een Lexus voorbij reed. (...) [betrokkene 3] kwam naar mij toe gelopen.
A: Die zat nog op het pistool.
A: Spijkerbroek, ik geloof donkerblauw. Een jack met capuchon. Hij droeg ook een muts en handschoenen.
A: We kwamen bij de auto aan. Ik heb de auto opengemaakt. (...) Ik heb het pistool gezien en hij heeft gezegd dat hij de man verwond had. Toen hebben we ook nog gerend. [betrokkene 3] heeft het navigatieapparaat uit de houder getrokken. Hij heeft gezegd dat ik naar Essen moest rijden en hij heeft me toen ook gezegd hoe ik moest rijden. Vanaf de parkeerplaats ben ik naar links gereden, dus weg van de ringweg. Toen zijn we eerst naar rechts afgebogen.
A: Hij heeft uit zijn broekzak een briefje met adressen in Essen gehaald, een ervan was het station in Essen. Daar ben ik gestopt en is hij uitgestapt. Op het station in Essen heb ik gezien dat hij naar een container liep en daar iets in gegooid heeft.
A: We zijn toen in de richting van Antwerpen gereden. Op deze weg, waar ik voorheen reeds over verteld heb, heeft hij de geluidsdemper en het jack over de muur gegooid. Toen we in Antwerpen waren, reden we naar de haven. Daar heeft hij toen op de grote parkeerplaats daar het pistool in het water gegooid. Dat was aan het einde van de parkeerplaats, waar campingwagens en kleinere vrachtwagens stonden. Ik teken het voor u (bijlage 7). Ik heb het haventerrein getekend, de zee, een schip dat daar lag, de parkeerplaats. Ik heb meerdere kleine vierkantjes getekend, dat zijn betonpaaltjes van ongeveer 30 centimeter hoog. Mijn auto heb ik met een rechthoek ingetekend. Ik heb in de zee een rechthoek getekend en daarin een kruis. Ongeveer op die plaats heeft [betrokkene 3] het pistool erin gegooid. Tussen de betonpaaltjes en de zee is er een weg, waarop men kan lopen. Van daaruit heeft hij het pistool in het water gegooid. [betrokkene 3] heeft ter hoogte van de auto het pistool erin gegooid.
A: Daar hebben we gewacht. Toen kwamen [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en later ook [verdachte] . [betrokkene 3] werd door iedereen die daar was gefeliciteerd.
A: We waren urenlang in dat café. Toen kwam [verdachte] met twee zakken.
A: Nadat we enige tijd in het café waren, nog voordat dat (
het hof begrijpt: de overdracht) met de drugs plaatsvond, zei [betrokkene 3] tegen de anderen dat hij het afgewerkt had. Daarop feliciteerden de anderen hem met de slag van de hand. In het café heeft [betrokkene 3] gezegd dat hij de man had gedood.
A: Ja: ‘De hond was twee dagen niet thuis. Ik moest op hem wachten terwijl ik in de wei lag.’ (...) [betrokkene 1] heeft hem gevraagd hoe [betrokkene 3] het gedaan heeft en [betrokkene 3] zei dat hij van achteren naar hem toegegaan is en hem toen in zijn hoofd geschoten heeft. Ik geloof dat [betrokkene 3] zelfs gezegd heeft dat de man op dat moment iets uit de kofferruimte gehaald heeft.
A: Toen we in dat café waren, is mijn auto door de politie weggesleept. Ik had deze op een groenstrook geparkeerd.
A: Ik denk dat de auto nog op die bewaarplaats staat in Antwerpen.
A: Nee, omdat ik toen met [betrokkene 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] in zijn Passat naar de bewaarplaats ben gereden. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben mij en [betrokkene 3] opgedragen om naar de auto te gaan en het navigatiesysteem te halen. Ik moest mijn spullen halen. [betrokkene 3] hebben ze nog een doek gegeven. [verdachte] heeft hem toen een kleine plastic fles gegeven die naar alcohol rook. [verdachte] heeft tegen [betrokkene 3] gezegd dat hij met de doek en het middel het stuur, dashboard en de deurgrepen zuiver moest maken. [verdachte] of [medeverdachte 2] heeft ook nog gezegd dat [betrokkene 3] de vloermatjes mee moest nemen. We zijn toen naar binnen gegaan en hebben tegen de mensen van de bewaking gezegd dat ik nog iets uit mijn auto wilde halen en dat werd ons toegestaan.
A: Het was in februari en ’s-avonds tussen 20.00 uur en 23.00 uur.
het hof: dossierpagina 2041)?
A: Ja, dat is de compositietekening die in de video getoond werd.
A: De kleur van de auto’s was vals. Er werd een gezinsauto gezocht, maar ze hebben een Ford laten zien, een donkere Ford. Mijn auto was echter een Renault Scénic zilverkleurig.
A: Dat was me duidelijk. Heel duidelijk was me ook dat getuigen daar iets verwisseld moesten hebben. [medeverdachte 2] heeft me de hele video vertaald en daarom weet ik dat deze Ford in verbinding met de compositietekening werd gezocht. Bovendien werd in de video verteld dat de getuigen niet zeker waren of het kenteken met [AA] of [AB] begon. Ik had op mijn Renault Scénic het kenteken [AA] .
A: Ik had altijd alleen de Renault Scénic van mijn vriend in Kroatië met het [AA] -kenteken.
V: Wat voor kleding droeg u?
A: Een lange zwarte wintermantel, daaronder een zwart hemd, zwarte stoffen broek en witte Puma sportschoenen.
A: Dit zijn schetsen van de locaties. Nummer 1: Dit gaat over de situatie toen de moord al gepleegd was. Van sommige voorwerpen weet ik waar ze zijn. Het zijn voorwerpen die bij de moord gebruikt zijn. Dit is een rustplaats bij de weg. Dat is misschien 500 meter van de grens met België. Het is een grote rustplaats. Er stond een vrachtauto. Ik moest daar stoppen van [betrokkene 3] .
A: Ik begin in de ochtend. We waren in het huis van [medeverdachte 2] in [plaats] . Ik heb de exacte positie van het huis al aan de politie laten zien op Google Maps. In het huis waren [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] .
(dossierpagina 2093)De rest van de jongens ging weg. De enigen die in het huis bleven, waren [betrokkene 3] en ik. Nog vlak daarvoor ging [medeverdachte 2] naar zijn auto en haalde daar zijn navigatie uit. Dat gaf hij aan [betrokkene 3] . Samen met nog een stukje papier.
A: Hij had een donkerblauwe Passat, ik geloof een model tussen 1998 en 2003 met Nederlandse kentekenplaten. Ik zag duidelijk gele platen.
A: Het was het adres van de manege waar de auto later geparkeerd stond. Ik zag het adres toen [betrokkene 3] het adres in de navigatie aan het typen was. Het was een geel post-it briefje. We zijn nog een paar uurtjes in het huis gebleven en daarna heb ik hem nog rondgereden naar een aantal locaties.
A: Het nummer dat [betrokkene 3] gebruikte, ken ik en het moet mogelijk zijn om te achterhalen of dat nummer daar gebruikt is. Het nummer staat in mijn telefoon en die is hier in beslag genomen. Het nummer staat in mijn telefoon onder de naam [betrokkene 3] , dat betekent Kale.
A: Naar de manege. Dat was ongeveer 50 kilometer rijden, ongeveer drie kwartier. Er waren twee aparte parkeerplaatsen. Een grotere in de buurt van een café. Eenmaal daar aangekomen zei [betrokkene 3] dat ik niet moest stoppen. We doen nog even een kort rondje, zei hij. (Verbalisant: Verdachte maakt een schets en tekent een rondje. Aan hem wordt ook bijlage 3 getoond) Dat is exact de tekening. Een van de vijf huizen wees [betrokkene 3] aan. Hij wees naar de woningen aan mijn rechterkant. Ik was linksaf het rondje in gereden. Hij zei dat het de woning was van de betreffende persoon. Daarna ben ik naar parkeerplaats P2 gereden. Ik parkeerde de auto met de voorkant in de richting van het rondje dat wij daarvoor hadden gereden.
A: (...) Ik had een klein tasje met documenten. Ik droeg dat tasje over mijn schouder, schuin over mijn lichaam. Het is van lichtbruin leer. Ongeveer het formaat A5. De tas is door de politie hier in beslag genomen.
A: [betrokkene 3] heeft die foto gemaakt. Ik heb volgens mij vier of vijf foto’s. Daar sta ik op zoals ik gekleed was op vrijdag en zaterdag van de moord. Die foto’s heeft [betrokkene 3] in Renesse gemaakt.
A: Die tas had ik altijd bij me als ik uit de auto ga.
A: 1.78 meter.
A: Hij is behoorlijk langer. Misschien wel 25 centimeter langer. Ik denk dat ik tot aan zijn schouders kom.
A: Ik zag alleen die ene tekening die op mij sloeg. Ik herkende mijzelf daarin.
A: (...) Op de dag van de moord was ik met hem samen.
A: [betrokkene 3] zei dat we niet terug konden gaan omdat de klus niet geklaard was. [betrokkene 3] had gezegd dat hij het vandaag zou regelen en dat was niet gelukt. En [betrokkene 3] wist dat [medeverdachte 2] en [verdachte] hierover pissig zouden zijn. Dit was de reden dat [betrokkene 3] zei dat we in de bosjes zouden slapen. Daarop hebben we in de auto geslapen, iets verder in de bosjes. Ik had het behoorlijk koud.
O: De verdachte wijst twee straten aan op de plattegrond. Staartseduinen en Heidebaan.
A: Een van deze straten was het. Ik denk de Heidebaan.
A: Ik heb daags na de moord geld gekregen. Dat was in Antwerpen.
A: Het geld kwam van [verdachte] . In het café in Antwerpen voerde [medeverdachte 2] een telefoongesprek in de Albanese taal of in het Nederlands. Er waren drie belangrijke gesprekken. [medeverdachte 2] voerde het gesprek in een vreemde taal. In het tweede belangrijke gesprek richtte [medeverdachte 2] zich weer tot [betrokkene 3] . Ik hoorde dat [medeverdachte 2] zei dat de man dood was en dat de klus geklaard was. Iedereen begon [betrokkene 3] te feliciteren. Men was opgelucht en blij dat het gelukt was. [medeverdachte 2] zei dat [betrokkene 3] niet slim was maar wel betrouwbaar. Als je hem een klus opdraagt voert hij die ook uit.
A: Dat is de jongste broer van [betrokkene 1] , [betrokkene 4] .
A: In München toen hij samen met [betrokkene 1] hier naartoe kwam.
A: In Zenica toen ik bij [betrokkene 4] op bezoek was.
A: Ik herken [betrokkene 3] van die foto. Dit was de kleding die hij vrijdag aan had in Renesse. Op zaterdag had hij compleet andere kleren aan. Hij had toen een donkere spijkerbroek aan en een zwarte jas.
A: Bosnisch en zwak Engels.
A: Hij verblijft bij [medeverdachte 2] in zijn woning. Hij was daar altijd als ik daar op bezoek was. Ik weet dat hij bij [medeverdachte 2] is ingetrokken.
A: Lengte 1.80 tot 1.90 meter denk ik. Hij heeft min of meer een normale bouw, met een bierbuikje, hij is niet echt te dik, maar hij heeft wel wat kilo’s teveel. Hij heeft kort haar en een beetje grijs.
A: Dit was vanuit een gesprek tussen [verdachte] (...) en [medeverdachte 2] . Twee klanten kwamen bij [verdachte] drugs kopen. Deze deal ging verkeerd. En de klanten begonnen toen te schieten. Deze deal was bij [verdachte] thuis. Ze hadden in het gesprek erover wat voor risico’s dit met zich bracht voor zijn kinderen.
A: Bosnisch, Kroatisch, Servisch, Albanees, Duits en Nederlands. Hij sprak met [medeverdachte 2] Albanees op de momenten dat hij iets discreets moest zeggen.
A: Audi A4 station model. Gele kentekenplaten, ik geloof dat ze Nederlands waren.
A: [betrokkene 3] staat geregistreerd onder zijn bijnaam [betrokkene 3] . [betrokkene 2] en [betrokkene 1] staan onder hun eigen namen opgeslagen. Het is mogelijk dat [betrokkene 2] onder de naam [betrokkene 2] staat opgeslagen.
V: Is de getoonde jas de jas die je aan had op de dag voor de moord en de dag van de moord?
A: Ja.
A: Ja.
A: Ja.
A: Ja.
A: [betrokkene 3] had vanaf het moment dat ik hem naar mij toe zag rennen, nadat de moord gepleegd was tot het moment van de stop, handschoenen aan.
A: [betrokkene 2] had een geldbedrag van duizenden euro’s en amfetamine, dat was zijn beloning voor de succesvolle klus. [betrokkene 3] heeft dit gekregen van [verdachte] . Ik weet dat [verdachte] drugs en geld aan [betrokkene 3] gaf. [verdachte] gaf [betrokkene 3] een geldbedrag van tienduizenden euro’s en kilo’s amfetamine. [betrokkene 1] kreeg een geldbedrag van enkele duizenden euro’s en amfetamine. Ik kreeg geld. Er was op dat moment nog amfetamine in de auto van [verdachte] . Dit was de Audi A4 die ik eerder bij [verdachte] heb beschreven.
het hof: dossierpagina 2145).
V: Is dit het café?
A: Ja.
A: Dit is [betrokkene 3] . D in Renesse, C in Antwerpen, vlak voor de dierentuin bij het beeld van de dinosaurus.
het hof: dossierpagina 2148)?
A: [betrokkene 1] . Deze foto is gemaakt kort nadat ze vanuit Bosnië naar München zijn gekomen.
het hof: dossierpagina 2149)?
A: [betrokkene 1] , is een foto gemaakt in München.
het hof: dossierpagina 2150)?
A: Dit is [betrokkene 3] in Renesse. Hij schrijft in het zand het woord ‘ [betrokkene 3] ’.
het hof: dossierpagina 2152)?
A: Dat ben ik. Ik draag de kleding die ik droeg op de dag van de moord. En niet alleen de dag van de moord, maar die drie dagen.
A: Ja.
A: Ik ging steeds maar één dezelfde weg wandelen. Het is een circulair pad. Ik ging een paar keer de ronde lopen.
A: Ik denk dat ik een cirkel samen met [betrokkene 3] heb gelopen. De straat loopt in een cirkel. Ik weet niet zeker of dit de eerste of tweede dag was.
A: De straat loopt in een cirkel. Daar hebben we gelopen.
A: De straat is daar best smal. We zijn langs alle woningen gelopen.
A: Aangezien die woning in die straat ligt, ja.
A: Ik heb op de eerste dag samen met [betrokkene 3] met de auto een rondje door de straat gereden. Toen heeft [betrokkene 3] gezegd: ‘Hier woont die man’.
A: Ja, hij wilde niet naar huis voordat de klus geklaard was. [verdachte] heeft meerdere keren tegen [betrokkene 3] gezegd: “Maak het vandaag af, maak het vandaag af.” Het commentaar van [betrokkene 3] was: als we teruggaan zonder dat de klus geklaard is, zouden we problemen en gezeik krijgen.
A: De man moest eraan wegens een mislukte drugsdeal. Dan bedoel ik dat er iets niet is betaald of iemand is opgelicht. Een probleem over een betaling of een levering of iets dergelijks.
44. Een proces-verbaal stemherkenning [verdachte] d.d. 7 juli 2014, met bijlage, dossierpagina’s 9255-9257, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] , voor zover inhoudende:
Opmerking verbalisant: de uitdraai van het betreffende tapgesprek is als bijlage hierbij gevoegd.
45. Een proces-verbaal gebruiker [telefoonnummer 4] d.d. 19 augustus 2014, met bijlagen, dossierpagina’s 9262-9267, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] , voor zover inhoudende:
dossierpagina’s 9265- 9266).
46. Een proces-verbaal telecom, dossierpagina’s 5699-5709, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] , voor zover inhoudende:
[verdachte] : [telefoonnummer 4]Vanuit onder meer analyse van de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer 4] en telefoonnummer [telefoonnummer 7] (bij het CIOT geregistreerd op naam van [verdachte] , [e-straat 1] [plaats] en daadwerkelijk in gebruik bij [verdachte] ) is gebleken dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] .
Uit historische verkeersgegevens blijkt dat [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ) op 20 januari 2014 twee sms-berichten stuurde naar en later belde met [telefoonnummer 9] ( [betrokkene 8] ). Bij het bellen kwam er geen verbinding tot stand. Ongeveer een half uur later belde [telefoonnummer 10] ( [betrokkene 8] ) naar [telefoonnummer 4] ( [verdachte] ).
(dossierpagina 5707)
48. De verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof d.d. 3 december 2018, voor zover inhoudende:
(...) Uit het dossier blijkt dat ik naar Sörnsen ging. Dat was op zondag. Vervolgens blijkt dat ik gebeld werd door [medeverdachte 2] . Dat ging over een auto die was gesleept: Ik kwam terug uit Bergen op Zoom. Ik vertrok naar Antwerpen. Vanuit Bergen op Zoom ging ik terug naar [plaats] , daarna staat in het dossier dat ik naar Antwerpen ben gegaan. U vraagt mij waarom ik naar Antwerpen ben gegaan. (...) Ik weet dat het ging om een auto die was gesleept of een wielklem had.
(het hof begrijpt: 21 en 22 februari 2014).
A: Ik denk dat [medeverdachte 2] in opdracht van de Albanees gehandeld heeft. Ik had de indruk dat [medeverdachte 2] de ‘overdragende’ of ‘uitvoerende’ voor de Albanees was.
A: Ik zou hem wel herkennen, wanneer ik een foto van hem zou zien. Ik kan mij herinneren dat hij heel kort haar had, een groot hoofd en een hoog voorhoofd.
O: [betrokkene 2] wordt nu een foto voorgelegd
(bijlage 7, het hof: dit betreft een foto van [verdachte] , dossierpagina 3253).A: Ja, dat is de persoon.
A: Ja, precies. Ik weet nog dat de Albanees getrouwd is en twee of drie kinderen heeft. Dit werd me door [medeverdachte 2] verteld.
A: Toen we in het café zaten zijn [medeverdachte 2] en de Albanees naar buiten gegaan. De meeste tijd was de Albanees buiten, [medeverdachte 2] kwam steeds weer binnen en ging weer naar buiten. Zoals ik begrepen heb, was de Albanees erachter gekomen, waar de auto naartoe gebracht werd of waar deze zich bevond.
A: [medeverdachte 2] wachtte op een telefoontje.
A: Ja, daartoe kwam het. Later heb ik de overhandiging gezien.
pagina 8 van het verhoor)
In het tweede café werd over geld en drugs gepraat. Ik was aanwezig bij de geldoverdracht. Ik heb een plastic zak gezien.
(
pagina 9 van het verhoor)
[verdachte] was erbij. Hij is weliswaar later die dag in het café verschenen. Toen het geld en de drugs werden aangeboden was [verdachte] aanwezig. [medeverdachte 2] vroeg [medeverdachte 1] of hij drugs of geld wilde en [medeverdachte 1] vroeg [betrokkene 1] of hij amfetamine of geld wilde hebben. Tien minuten later kwam [medeverdachte 2] met [verdachte] binnen en hij had die spullen bij zich. [medeverdachte 2] ging naar buiten, kwam terug, ging weer naar buiten en kwam met [verdachte] terug. [medeverdachte 2] had zijn telefoon aan en tien minuten later verscheen [verdachte] en had hij die spullen bij zich. [medeverdachte 2] ging naar buiten, kwam enkele minuten later terug, ging toen weer naar buiten en kwam met [verdachte] terug. [verdachte] was erbij toen het geld en de drugs werden uitgedeeld.
63. Een proces-verbaal van feiten, bevindingen en omstandigheden betreffende de vermoedelijke toedracht van de moord op [slachtoffer] , opgenomen in het proces-verbaal aanvulling dossier 20TG014005, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende:
64. Een proces-verbaal vermoedelijke voorverkenningen aan de [b-straat ] [plaats] en [d-straat] [plaats] d.d. 11 en 12 februari 2014, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende:
- 23.45 uur: Voertuig Audi kenteken [kenteken 1] is aanwezig op chaletpark [b-straat ] te [plaats] .
1. 112-melding en bevindingen ter plaatseOp 22 februari 2014 om 21.06 uur kwam bij de ambulancedienst van de meldkamer een eerste melding binnen dat er aan de [b-straat ] te [plaats] een persoon onwel was geworden. Naar aanleiding van bovenstaande melding gingen meerdere politie-eenheden ter plaatse. Op de oprit van [b-straat 1] werd - naar later is gebleken - [slachtoffer] - aangetroffen. Hij lag op zijn rug, met zijn voeten in de richting van een zwarte personenauto, merk Lexus. Hij was gewond aan de rechterzijde van zijn hoofd en naast hem lag een grote plas bloed op de grond (bewijsmiddelen 1,2 en 63). [slachtoffer] overleed op 23 februari 2014 te 04.30 uur in het Universitair Ziekenhuis te Antwerpen. Bij sectie op het slachtoffer werd een inschotverwonding rechts aan het behaarde hoofd gezien met een schotkanaal van rechts naar links door de hersenen. Er was een projectiel in de hersenen. Er was veel begeleidende bloeduitstorting in en naast het schotkanaal met een ernstige hersenkneuzing en hersenzwelling. Het overlijden werd volgens de patholoog zonder meer verklaard door functieverlies van de hersenen. Door de patholoog van het NFI werd vastgesteld dat [slachtoffer] was overleden als gevolg van een bij leven opgelopen schotverwonding door het hoofd (bewijsmiddel 3)
3. De verklaringen van [medeverdachte 1] en de bruikbaarheid ervan voor het bewijs
3.5.1 De identiteit van de door [medeverdachte 1] genoemde personenNaar aanleiding van de voornoemde verklaringen van [medeverdachte 1] werd een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de betrokkenen over wie hij had verklaard. De door [medeverdachte 1] genoemde ‘ [betrokkene 3] ’ bleek na onderzoek te zijn [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] (bewijsmiddelen 39, 40 en 41). Met ‘ [medeverdachte 2] ’ werd bedoeld [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] (bewijsmiddelen 37 en 38).
B. Gegevens uit het dossierOm 21.14 uur, acht minuten na de eerste melding bij de Regionale meldkamer van (naar later bleek) het schietincident, belde [betrokkene 3] naar [betrokkene 1] . De telefoon van [betrokkene 3] straalde daarbij een zendmast te [plaats] aan en de telefoon van [betrokkene 1] straalde de zendmast aan de [c-straat 1] te [plaats] aan. Om 21.16 uur stuurde [betrokkene 3] een sms-bericht naar [betrokkene 1] , waarbij de telefoon van [betrokkene 3] in Essen aanstraalde. Om 21.16 uur werd er vanaf het vaste telefoonnummer van [medeverdachte 2] naar het nummer van [verdachte] gebeld. Om 21.18 uur stuurde [betrokkene 3] nogmaals een sms-bericht naar [betrokkene 1] . Om 21.27 uur ontving [medeverdachte 1] een sms-bericht over datagebruik in België en straalde de telefoon een mast in Essen aan. Om 23.03 uur belde [betrokkene 3] tweemaal naar [betrokkene 2] , waarbij de telefoon van [betrokkene 3] een zendmast te Schoten aanstraalde (zijnde een plaats in de provincie Antwerpen, blijkens de openbare bron Google). Om 00.15 uur belde [betrokkene 3] naar [betrokkene 2] , waarbij de telefoon van [betrokkene 3] een zendmast te Merksem aanstraalde (Merksem is een district van Antwerpen, blijkens de openbare bron Google) (bewijsmiddelen 46 en 63).
5.6 De gebeurtenissen op 23 februari 2014A. Verklaring van [medeverdachte 1]heeft verklaard dat [betrokkene 3] en hij in de ochtend van 23 februari 2014 naar het café zijn gegaan. Het adres van dit café stond op het briefje dat [betrokkene 3] de avond daarvoor uit zijn zak had gehaald. [medeverdachte 1] parkeerde de auto op een grasstrook op ongeveer 200 meter van het café. Later arriveerden ook [medeverdachte 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het café. Ze hebben een tijd gewacht en [medeverdachte 2] was een aantal keer aan het bellen. Er waren drie belangrijke gesprekken. Uiteindelijk arriveerde ook [verdachte] in het café. [betrokkene 3] vertelde dat hij het had afgewerkt en werd hierop door iedereen gefeliciteerd. [verdachte] bracht drugs en geld mee en dit werd in het café overhandigd als beloning voor het succesvol volbrengen van de klus (bewijsmiddelen 12, 13, 14, 15 en 17).
B. Gegevens uit het dossierDe aanwezigheid van de door [medeverdachte 1] genoemde personen volgt uit telefoonmastgegevens. Op 23 februari 2014 om 07.55 uur is er vanaf het vaste telefoonnummer van [medeverdachte 2] gebeld naar [medeverdachte 1] . Om 09.22 uur belde [betrokkene 3] naar [betrokkene 2] , waarbij de telefoon van [betrokkene 3] aanstraalde op een zendmast aan de Franklin Rooseveltplaats 1A te Antwerpen, op luttele afstand van het café [A] , dat is gelegen aan de Franklin Rooseveltplaats 5 (blijkens de openbare bron Google Maps). Om 09.26 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 2] , waarbij de telefoon van [verdachte] een zendmast in [plaats] aanstraalde en de telefoon van [medeverdachte 2] een zendmast in [plaats] . Om 09.29 uur belde [betrokkene 3] nogmaals naar [betrokkene 2] , waarbij de telefoon van [betrokkene 2] in [plaats] aanstraalde en de telefoon van [betrokkene 3] in Antwerpen. Om 11.14 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 2] , waarbij de telefoon van [verdachte] in Bergen op Zoom aanstraalde en de telefoon van [medeverdachte 2] in Antwerpen. Om 13.54 uur straalde de telefoon van [verdachte] een zendmast in [plaats] aan bij ontvangst van een bericht van de telecomprovider en om 14.34 uur straalde zijn telefoon een zendmast in Antwerpen aan. Om 17.19 uur straalde de telefoon van [verdachte] bij een contact de zendmast gelegen aan de Keyserlei te Antwerpen aan. Deze zendmast ligt hemelsbreed 200 meter van de zendmast aan de Franklin Rooseveltplaats 1A (bewijsmiddelen 46 en 63).
Ook [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij die ochtend naar een café is gegaan, dat hij [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] daar trof en dat [verdachte] later op de dag kwam (bewijsmiddel 53).
Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte 1] ten aanzien van de periode vanaf 20 februari 2014 tot aan het dodelijke schietincident en de periode na het schietincident derhalve authentiek en voldoende betrouwbaar, zodat deze bruikbaar zijn om tot het bewijs te worden gebezigd en ook tot het bewijs zullen worden gebezigd. Het hof bespreekt hieronder nog in het bijzonder een aantal specifieke gebeurtenissen en vraagstukken.
‘ [betrokkene 3] zei dat we niet terug konden gaan omdat de klus niet geklaard was. [betrokkene 3] had gezegd dat hij het vandaag zou regelen en dat was niet gelukt. En [betrokkene 3] wist dat [medeverdachte 2] en [verdachte] hierover pissig zouden zijn. Dit was de reden dat [betrokkene 3] zei dat we in de bosjes zouden slapen. Daarop hebben we in de auto geslapen, iets verder in de bosjes.’(bewijsmiddel 14, dossierpagina 2100). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [betrokkene 3] de ochtend erna, nadat zij wederom zonder resultaat bij de woning van [slachtoffer] waren geweest, ook niet terug wilde keren naar de woning van [medeverdachte 2] :
‘ [betrokkene 3] kwam terug en zei dat hij niet terug naar huis wilde gaan, omdat zij immers kwaad waren.’(bewijsmiddel 13). [medeverdachte 1] maakte derhalve een koppeling tussen de uitspraken van [verdachte] en de omstandigheid dat zij tot twee keer toe niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] .
Uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor besproken, volgt dat [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] in de nacht van 21 februari 2014 inderdaad niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] , maar in de auto in het bos hebben overnacht. De volgende ochtend zijn zij wederom niet teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] , maar naar Renesse gereden. Het hof acht de door [betrokkene 3] opgegeven reden voor het niet terugkeren naar de woning van [medeverdachte 2] - namelijk dat [medeverdachte 1] dit niet wilde vanwege problematische verhoudingen met [betrokkene 2] - niet aannemelijk geworden. Zo waren zij op 20 februari 2014 samen naar Nederland gekomen, ontmoetten zij elkaar op 23 februari 2014 in het café, heeft [medeverdachte 1] die dag aan [betrokkene 2] geld gegeven om met de trein terug te reizen en troffen zij elkaar later weer in München (dossierpagina’s 3310-3312). Het hof hecht op dit punt geloof aan de verklaring van [medeverdachte 1] en ziet daarin steun voor diens verklaring dat [verdachte] tegen [betrokkene 3] zou hebben gezegd dat hij het die dag af moest maken. Het hof bezigt derhalve ook dit deel van de verklaring van [medeverdachte 1] tot het bewijs.
Uit de hiervoor reeds besproken telefoongegevens blijkt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] op 23 februari 2014 veelvuldig telefonisch contact hebben gehad. Zo belde [medeverdachte 2] drie keer naar [verdachte] en belde [verdachte] zeven keer naar [medeverdachte 2] . Voorts straalde de telefoon van [verdachte] pas later op de dag (14.34 uur) in Antwerpen aan (bewijsmiddelen 46 en 63). Het hof acht, naast voornoemde telefoonmastgegevens, van belang dat uit de verklaringen van zowel [medeverdachte 1] als [betrokkene 2] volgt dat er een tijd in het café is gewacht, dat [verdachte] pas later arriveerde, dat toen pas de drugs en het geld verschenen en de uitbetaling vervolgens heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van [verdachte] (bewijsmiddelen 12, 13, 14, 16, 54 en 56). Op grond van het vorenstaande staat voor het hof genoegzaam vast dat [verdachte] met de drugs en het geld is gekomen en dat hij de uitbetaling daarvan aldus mogelijk heeft gemaakt en verzorgd.
Tot slot overweegt het hof dat de door [medeverdachte 1] beschreven handelingen van [verdachte] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] , het hof niet onwaarschijnlijk voorkomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Renault Scénic een dag ervoor was gebruikt bij het dodelijke schietincident aan de [b-straat ] (bewijsmiddelen 9, 12, 13, 14, 53 en 54). Dat de auto was weggesleept, was bovendien een voor alle verdachten onvoorziene omstandigheid waarmee zij geen rekening hadden gehouden. Het hof acht het dan ook zeer wel voorstelbaar dat in de auto nog allerlei (persoonlijke) spullen lagen die eruit moesten worden gehaald en dat de verdachten er dus belang bij hadden om de auto terug te vinden en mogelijke sporen te wissen.
Zij kenden elkaar goed en hadden op 11 februari 2014 beduidend intensiever telefonisch contact met elkaar dan op andere dagen in die periode het geval was. Om 22.59 uur, dus een half uur voordat de auto naar de [b-straat ] te [plaats] vertrok, hadden zij het laatste sms-contact. Beide telefoons straalden op dat moment dezelfde zendmast te Bergen op Zoom aan. Vervolgens maakte de telefoon van [verdachte] pas weer contact met een zendmast drie minuten nadat de auto van de voorverkenning was teruggekeerd en weer aan de [g-straat ] te [plaats] was gestopt (12 februari 2014 te 00.05 uur). De telefoonmastgegevens duiden erop dat [verdachte] toen weer onderweg was naar zijn woning in [plaats] . De telefoon van [verdachte] straalde om 00.08 uur en om 00.09 uur twee verschillende zendmasten te Bergen op Zoom aan. Later die nacht straalde [verdachte] zendmasten te Kruiningen en [plaats] aan (bewijsmiddelen 46, 48 en 64).
[betrokkene 3] en [medeverdachte 2] ontvingen om 18.33 en 18.36 uur vier sms-berichten van hun telecomprovider, waaruit blijkt dat dat zij zich op dat moment in het grensgebied met België bevonden. Het is algemeen bekend dat telecomproviders op het moment dat een mobiele telefoon gebruikmaakt van een buitenlands netwerk, sms-berichten versturen in verband met de extra kosten van gebruik in het buitenland.
Uit telefoonmastgegevens blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 2] zich om 20.36 uur in het dekkingsgebied van de woning van [slachtoffer] te [plaats] bevond (bewijsmiddel 64). Ongeveer een uur daarna (21.23 uur) straalde zijn telefoon een zendmast aan de Antwerpsestraat te Hoogerheide aan. Deze zendmast ligt in de nabijheid van de zonnestudio van [betrokkene 9] , waar [slachtoffer] geregeld kwam (bewijsmiddelen 59 en 64 in combinatie met de openbare bron Google Maps). Weer ongeveer anderhalf uur daarna straalden de telefoons van [medeverdachte 2] en [verdachte] drie minuten na elkaar dezelfde zendmast aan de Nobelweg 6/Amundseweg te Goes aan (om 22.49 uur en 22.52 uur). Om 23.08 uur was [medeverdachte 2] weer in zijn woonplaats [plaats] en om 23.20 uur was [verdachte] weer in zijn woonplaats [plaats] (bewijsmiddel 64).
[betrokkene 3] heeft verklaard dat hij voorafgaand aan zijn bezoek met [medeverdachte 1] aan de woning van [slachtoffer] op 21 en 22 februari 2014, eerder samen met [medeverdachte 2] langs de woning was gereden. Ze hadden rondgereden en [medeverdachte 2] had hem de woning en twee auto’s aangewezen (bewijsmiddel 53). Tot slot heeft [medeverdachte 1] al op 11 juni 2014 verklaard dat hij van [medeverdachte 2] had gehoord dat [verdachte] en [medeverdachte 2] met [betrokkene 3] naar diverse locaties waren gereden, waaronder de zonnestudio (bewijsmiddel 14).
Op 21 februari 2014 stralen de telefoons van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [verdachte] en [medeverdachte 2] allemaal binnen een kort tijdsbestek (tussen 20.12 uur en 20.22 uur) aan in Antwerpen (bewijsmiddel 63). [betrokkene 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] , [betrokkene 1] en hij op die dag met de auto van [medeverdachte 2] naar Antwerpen zijn gegaan en dat zij daar ook [verdachte] troffen (bewijsmiddel 54).
5. De schutter[…]”
6. De rollen van de afzonderlijke verdachten
III Het middel
IV Bespreking van het middel
De rollen van de afzonderlijke verdachten” in het cursiefje
[medeverdachte 2] en [verdachte], inhoudend dat uit “de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene, in onderlinge samenhang bezien,” naar het oordeel van het hof volgt dat [medeverdachte 2] en de verdachte “zowel in de voorbereiding als na afloop van het strafbare feit een belangrijke bijdrage aan het delict hebben gehad”.
Overwegingen hof
[betrokkene 3] zei dat we niet terug konden gaan omdat de klus niet geklaard was. [betrokkene 3] had gezegd dat hij het vandaag zou regelen en dat was niet gelukt. En [betrokkene 3] wist dat [medeverdachte 2] en [verdachte] hierover pissig zouden zijn. Dit was de reden dat [betrokkene 3] zei dat we in de bosjes zouden slapen. Daarop hebben we in de auto geslapen, iets verder in de bosjes.’ (bewijsmiddel 14, dossierpagina 2100). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [betrokkene 3] de ochtend erna, nadat zij wederom zonder resultaat bij de woning van [slachtoffer] waren geweest, ook niet terug wilde keren naar de woning van [medeverdachte 2] : ‘
[betrokkene 3] kwam terug en zei dat hij niet terug naar huis wilde gaan, omdat zij immers kwaad waren.’ (bewijsmiddel 13). [medeverdachte 1] maakte derhalve een koppeling tussen de uitspraken van [verdachte] en de omstandigheid dat zij tot twee keer toe niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] .
Uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor besproken, volgt dat [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] in de nacht van 21 februari 2014 inderdaad niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] , maar in de auto in het bos hebben overnacht. De volgende ochtend zijn zij wederom niet teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] , maar naar Renesse gereden.
Het hof acht de door [betrokkene 3] opgegeven reden voor het niet terugkeren naar de woning van [medeverdachte 2] - namelijk dat [medeverdachte 1] dit niet wilde vanwege problematische verhoudingen met [betrokkene 2] - niet aannemelijk geworden. Zo waren zij op 20 februari 2014 samen naar Nederland gekomen, ontmoetten zij elkaar op 23 februari 2014 in het café, heeft [medeverdachte 1] die dag aan [betrokkene 2] geld gegeven om met de trein terug te reizen en troffen zij elkaar later weer in München (dossierpagina’s 3310-3312). Het hof hecht op dit punt geloof aan de verklaring van [medeverdachte 1] en ziet daarin steun voor diens verklaring dat [verdachte] tegen [betrokkene 3] zou hebben gezegd dat hij het die dag af moest maken. Het hof bezigt derhalve ook dit deel van de verklaring van [medeverdachte 1] tot het bewijs.”
voorafgaandaan de voltooiing van het feit: de nauwe betrokkenheid van de verdachte bij de twee voorverkenningen en zijn tot [betrokkene 3] (de schutter) gerichte wens om ‘het vandaag af te maken’. Daarnaast heeft het hof bij zijn overweging betrokken dat de verdachte, tezamen met [medeverdachte 2] , de schutter [betrokkene 3] heeft ‘gecoacht’.
nade schietpartij heeft het hof bewijswaarde gehecht: de verdachte zou er vrijwel direct van op de hoogte zijn gebracht ‘dat het was gelukt’. Nadat de medeverdachten zich allemaal een dag later, dus op 23 februari 2014, bij een Antwerps café hadden verzameld, voegde de verdachte zich daar bij na veelvuldig contact met [medeverdachte 2] te hebben gehad. De verdachte heeft zorggedragen voor de uit geld en drugs bestaande beloning die (voor een deel) door [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] in ontvangst is genomen. Nadat duidelijk werd dat de auto van [medeverdachte 1] was weggetakeld, is de verdachte bovendien betrokken geweest bij het terugvinden en het laten schoonmaken van de auto.